Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200704977/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:BA6779, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen, heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) bij besluit van 17 januari 2007 [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen zestien weken na de datum van verzending van dit besluit de opslag van tractoren en onderdelen daarvan op het perceel aan de [locatie] te [plaats] te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704977/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 07/356 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 mei 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne.

1. Procesverloop

Nadat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen, heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) bij besluit van 17 januari 2007 [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen zestien weken na de datum van verzending van dit besluit de opslag van tractoren en onderdelen daarvan op het perceel aan de [locatie] te [plaats] te staken en gestaakt te houden.

Bij uitspraak van 23 mei 2007, verzonden op 30 mei 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Sieuwert, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft het perceel aan de [locatie] te [plaats] de bestemming "Agrarisch bouwblok A (met woning)".

Ingevolge artikel 11, lid B, onder 1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften is het verboden de tot "Agrarisch bouwblok A" bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor het ten verkoop opslaan van landbouwwerktuigen of onderdelen daarvan.

Ingevolge lid C, onder 1, aanhef en onder a, is het verboden bouwwerken op de tot "Agrarisch bouwblok A" bestemde gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met aan de grond gegeven bestemming. Tot een met de bestemming strijdig gebruik van de bouwwerken wordt in ieder geval gerekend de uitoefening van enige tak van handel en/of bedrijf met uitzondering van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 41, lid B, onder 1, van de planvoorschriften mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van gronden (anders dan bebouwing) en opstallen, dat met het plan aangewezen gebruik in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge dat lid, onder 2, is het verboden het onder 1 bedoelde gebruik van gronden en opstallen te wijzigen, tenzij door wijziging van het gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de opslag van tractoren en onderdelen daarvan ten behoeve van de handel in tractoren op het perceel aan de [locatie] te [plaats], in strijd is met het bestemmingsplan. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat [appellant], anders dan het college heeft gesteld, aannemelijk heeft gemaakt dat op 12 juni 1986, de peildatum waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, sprake was van een situatie waarin ten behoeve van de tractorhandel steeds een min of meer constante voorraad van tachtig tractoren in de bedrijfsgebouwen aanwezig was en daarnaast nog eens twintig tractoren buiten op het perceel, zodat, voor zover de handel in tractoren door [appellant] niet is geïntensiveerd in die zin dat sedert de peildatum meer dan genoemde aantallen tractoren voor de verkoop aanwezig waren, sprake is van gebruik van de grond en de opstallen dat valt onder de beschermende werking van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 41, lid B van de planvoorschriften.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat op de peildatum sprake was van een situatie waarin ten behoeve van de tractorhandel steeds een min of meer constante voorraad van tachtig tractoren in de bedrijfsgebouwen aanwezig was en daarnaast nog eens twintig tractoren buiten op het perceel. Hij voert daartoe in de eerste plaats aan dat het aantal op de peildatum aanwezige tractoren niet van belang is, nu het stallen van meer tractoren dan op die datum aanwezig waren geen intensivering van het gebruik is en derhalve niet in strijd is met het overgangsrecht. Verder voert hij aan dat de vragen aan de getuigen ter zitting bij de rechtbank er niet op waren gericht duidelijkheid te krijgen over de verdeling van binnen en buiten gestalde tractoren. Bovendien volgt uit de afgelegde verklaringen alsmede uit de overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen, boekhoudkundige gegevens en foto's dat een opslag van zestig tractoren in de bedrijfsgebouwen en veertig buiten op het perceel meer gebruikelijk was, zodat de rechtbank op basis van de beschikbare bewijsmiddelen ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat van de handelsvoorraad zich tachtig tractoren binnen en twintig buiten bevonden, aldus [appellant].

2.3.1. Een uitbreiding van het aantal tractoren betekent een wijziging van het gebruik van de gronden en opstallen, waardoor de afwijking van het plan wordt vergroot, hetgeen ingevolge artikel 41, lid B, onder 2 van de planvoorschriften is verboden. De rechtbank heeft derhalve terecht een oordeel gegeven over het aantal tractoren dat op het perceel aan de [locatie] te [plaats] aanwezig was en daarmee onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt. Nu in artikel 41, lid B, onder 1, van de planvoorschriften is bepaald dat het op de peildatum bestaande gebruik van gronden en opstallen mag worden voortgezet, heeft de rechtbank daarbij terecht onderscheid gemaakt tussen het aantal tractoren dat in de bedrijfsgebouwen was gestald en het aantal dat buiten op het perceel was gestald. Anders dan [appellant] betoogt, blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat de rechtbank, door de getuigen daarnaar te vragen, ook onderzoek heeft gedaan naar de verdeling van binnen en buiten gestalde tractoren.

2.3.2. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is het aan [appellant] om aannemelijk te maken dat hij met vrucht een beroep op het overgangsrecht kan doen. Tevens is het aan hem om aannemelijk te maken dat een opslag van zestig tractoren in de bedrijfsgebouwen en veertig buiten op het perceel gebruikelijk was. Uit de in beroep overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen en boekhoudkundige gegevens blijkt alleen dat [appellant] op de peildatum een handel in tractoren dreef, ten behoeve waarvan hij ongeveer honderd tractoren op voorraad had. Zoals ook [appellant] opmerkt, blijkt hieruit niet hoeveel tractoren in de bedrijfsgebouwen stonden en hoeveel buiten op het perceel. Evenmin blijkt dit uit de overgelegde foto's, nu daaruit weliswaar blijkt dat zich buiten op het perceel tractoren bevonden, maar niet duidelijk is om hoeveel tractoren het op de peildatum ging. Aan de hand van de schriftelijke getuigenverklaringen, de boekhoudkundige gegevens en de foto's kan derhalve geen oordeel worden gegeven over de verdeling van binnen en buiten gestalde tractoren op de peildatum. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan aan de hand van de door het college overgelegde luchtfoto's evenmin een oordeel worden gegeven over het aantal tractoren dat zich op de peildatum buiten op het perceel bevond, nu de foto's die van rond de peildatum dateren daarvoor te onduidelijk zijn.

De ter zitting bij de rechtbank verschenen getuigen hebben verklaard dat het grootste deel van de tractoren in de bedrijfsgebouwen stond. Naar [getuige A], wonend te [woonplaats], heeft verklaard waren in totaal ongeveer honderd tractoren aanwezig, waarvan er twintig tegen het huis stonden gestald. Anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, blijkt uit deze verklaring niet dat dit alleen de tractoren van het merk Deutz betrof. Voorts heeft [getuige B], wonend te [woonplaats], verklaard dat van de honderd tractoren ongeveer 90% binnen stond. Er stonden volgens hem ongeveer tien tot vijftien tractoren buiten voor het huis. Gelet hierop is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat aannemelijk is dat op de peildatum sprake was van een situatie waarin ten behoeve van de tractorhandel steeds een min of meer constante voorraad van tachtig tractoren in de bedrijfsgebouwen aanwezig was en daarnaast nog eens twintig tractoren buiten op het perceel. Dat [getuige C], wonend te [woonplaats], heeft verklaard dat sprake was van vijftig tractoren buiten op het perceel, maakt dat niet anders. Terwijl alle andere getuigen hebben verklaard dat in totaal circa honderd tractoren aanwezig waren, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, heeft hij verklaard dat het ging om ongeveer tweehonderd tractoren. Aan zijn verklaring kan dan ook niet de waarde worden gehecht die [appellant] daaraan gehecht wil zien. Dit geldt ook voor de verklaring van [getuige D], wonend te [woonplaats], dat later dertig tot veertig tractoren buiten stonden, nu hij heeft verklaard de tractoren in de bedrijfsgebouwen nooit te hebben gezien en niet duidelijk is op welke periode zijn verklaring ziet. [appellant] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat op de peildatum zestig tractoren in de bedrijfsgebouwen waren gestald en veertig buiten op het perceel. Derhalve faalt het betoog.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Wilbers-Taselaar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

71-502.