Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703840/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) aan de stichting Woningstichting De Groene Zoom (hierna: de stichting) bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het vergroten en veranderen van een woning gelegen aan de Julianalaan 40 te Ermelo (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 86 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Ruimtelijke ordening 2008/1532
ABkort 2008/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703840/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Ermelo,

tegen de uitspraak in de zaken nrs. 07/669 en 07/670 van de rechtbank Zutphen van 14 mei 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) aan de stichting Woningstichting De Groene Zoom (hierna: de stichting) bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het vergroten en veranderen van een woning gelegen aan de Julianalaan 40 te Ermelo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het college het onder meer daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2007, verzonden op 16 mei 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) in de hoofdzaak het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard alsmede [7 partijen] niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief van 1 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2007, waar [een van de appellanten] in persoon, het college, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, en mr. R.A. Oosterveer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.E. de Blauw, advocaat te Amersfoort.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten] desgevraagd bevestigd dat het hoger beroep slechts door hen is ingesteld.

2.2. Het bouwplan betreft de vergroting van een woonhuis door het realiseren van een aanbouw aan de achterzijde van de woning met daarin vijf zitslaapkamers van elk circa 15 m2, twee douches, twee toiletten en een keuken alsmede door het veranderen van de begane grond van het bestaande woonhuis. De begane grond bevat na de verandering een gemeenschappelijke woonkamer, een privé woonkamer, een zitslaapkamer van circa 15 m2, een douche, een toilet en een cv ruimte. De bestaande verdieping blijft ongewijzigd. Het bouwplan beslaat ruim 100 m2.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Ermelo 1998, herziening 2002" rust op de grond waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Woondoeleinden 1".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften - voor zover van belang - zijn deze gronden bestemd voor wonen en zijn ten dienste van de bestemming onder meer woningen, bijgebouwen/aan- en uitbouwen toegelaten.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder bb, van de planvoorschriften wordt onder "woning" verstaan: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder cc, van de planvoorschriften wordt onder "bijzondere woonvormen" verstaan: een woongebouw, waarin al dan niet zelfstandige woningen zijn opgenomen met gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van verzorgingsbehoevenden.

2.4. [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het beoogde gebruik van het pand zich verdraagt met het bestemmingsplan en niet in de weg staat aan het verlenen van de bouwvergunning. [appellanten] stellen dat niet kan worden gesproken van één huishouden, zodat geen sprake is van wonen als bedoeld in de planvoorschriften. [appellanten] wijzen daarbij op de indeling van de woonruimten, de heterogene samenstelling van de bewonersgroep, het ontbreken van een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners alsmede het bedrijfsmatige karakter van het project in de vorm van een kamerverhuurbedrijf of een pensionbedrijf dan wel een bijzondere woonvorm als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder cc, van de planvoorschriften. Bovendien twijfelen [appellanten] aan de continuïteit van de bewoning door dezelfde bewoners.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 28 juni 2006 in zaak nr. 200508258/1 verdragen naast zelfstandige bewoning door één gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met de bestemming als omschreven in artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften gelezen in verband met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder bb, van de planvoorschriften, indien sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners.

De woning op het perceel is door de stichting aangekocht ten behoeve van een door de [familie], bestaande uit twee volwassenen en vier kinderen, op te richten woongroep. Blijkens een bij de aanvraag om bouwvergunning behorende begeleidende brief alsmede een brief van de stichting van 8 juni 2006 is het bouwplan aangevraagd ten behoeve van het voor onbepaalde tijd opnemen van personen, die in een sociaal isolement zijn geraakt, in het gezinsleven van de [familie]. Het doel is te voorzien in een vaste woon- en verblijfplaats, waarbij wordt deelgenomen aan het gezinsleven. De maaltijden worden gezamenlijk gebruikt en de huishoudelijke taken worden verdeeld. Elke door de [familie] in het pand opgenomen persoon heeft blijkens de bij de aanvraag behorende tekening een eigen kamer en voorts is voor die personen gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer aanwezig. Uit de gedingstukken volgt dat deze personen niet worden 'geplaatst' door een instelling of instantie; zij kiezen deze woonvorm zelf.

Gelet op het vorenstaande is in het desbetreffende pand sprake van een woonvorm waarin een met een gezinsverband vergelijkbaar huishouden wordt gevoerd met een duurzaam en bestendig karakter en waarbij ook een zekere mate van verbondenheid aanwezig is. De hiervoor geschetste vorm van bewoning is door het college terecht voor de toepassing van de planvoorschriften op één lijn gesteld met één huishouden.

De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat niet de mate waarin de verschillende bewoners bijdragen in de kosten van de huishouding doch de mate waarin zij gezamenlijk leven van belang is bij de beoordeling of sprake is van één huishouden als bedoeld in de planvoorschriften. Evenmin leidt de heterogene samenstelling van de woongroep tot het oordeel dat er geen één huishouden is. Het betoog van [appellanten] dat de woongroep kan worden aangemerkt als een bijzondere woonvorm als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder cc, van de planvoorschriften, faalt evenzeer, nu het geen woongebouw betreft met gemeenschappelijke voorzieningen voor verzorgingsbehoevenden. De bewoners ontvangen blijkens de gedingstukken geen medische of therapeutische verzorging.

De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat het beoogde gebruik van het pand zich verdraagt met het bestemmingsplan en niet in de weg stond aan het verlenen van de onderhavige bouwvergunning.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de door hen aangegeven tegenstrijdigheden tussen het bouwplan en de welstandsnota.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200506325/1, mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

2.5.2. Het Gelders Genootschap heeft op 15 juni 2006 een positief welstandsadvies uitgebracht over het bouwplan. Nu dit advies een zogenoemd stempeladvies betrof, heeft het Gelders Genootschap bij brief van 20 december 2006 op verzoek van het college het welstandsadvies nader toegelicht, waarbij is ingegaan op de bezwaren van [appellanten]. Uit het aldus toegelichte welstandsadvies volgt dat de voorgestelde één-laagse aanbouw door middel van een terugliggend en lager bouwdeel is losgehouden van het hoofdgebouw, waardoor een zorgvuldige aansluiting wordt gecreëerd tussen aanbouw en hoofdgebouw. Tevens is de aanbouw met de lange gevels achter het hoofdgebouw geplaatst en is de kopgevel aan de Graaf Janlaan smal gehouden, waardoor de aanbouw ondergeschikt aan het hoofdgebouw blijft en het doorzicht vanaf de straten maximaal is. Het Gelders Genootschap concludeert dat wordt voldaan aan de in de Welstandsnota Ermelo opgenomen welstandseisen voor Wijk Noord, waarin het perceel is gelegen. [appellanten] hebben niet door overlegging van een deskundig tegenadvies aannemelijk gemaakt dat het bouwplan in strijd is met voornoemde Welstandsnota. Nu ook overigens geen grond bestaat voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming onvolledig is of zodanige gebreken vertoont dat het college zich daarop niet - of niet zonder meer - heeft mogen baseren, is de voorzieningenrechter terecht tot de conclusie gekomen dat het college mocht afgaan op voornoemd advies.

2.6. [appellanten] voeren aan dat een collegebesluit van 6 maart 2007 vanwege enkele onjuistheden en tegenstrijdigheden niet rechtsgeldig is en dat derhalve het daarop gebaseerde besluit op bezwaar van 28 maart 2007 dient te worden vernietigd.

Dit betoog faalt. Het door [appellanten] aangehaalde collegebesluit van 6 maart 2007 betreft slechts de instemming van het college met een interne nota waarin het college op de hoogte wordt gesteld van het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 8 februari 2007 en waarin het voornemen wordt geuit in afwijking van dit advies de bezwaren tegen het besluit van 19 september 2006 ongegrond te verklaren. De instemming van het college met voornoemde interne nota kan niet worden gelijkgesteld met het besluit op bezwaar van 28 maart 2007, waarin de tegen het besluit van 19 september 2006 gemaakte bezwaren gemotiveerd ongegrond zijn verklaard en waartegen rechtsmiddelen openstaan. Dat genoemde nota enkele onjuistheden dan wel verschrijvingen bevat, kan niet leiden tot vernietiging van het besluit op bezwaar van 28 maart 2007.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008