Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703068/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan de stichting Zeisterwoude Beheerstichting (hierna: de Stichting) reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woon-zorgcentrum op het perceel Woudenbergseweg 42 te Zeist (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2008/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703068/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Zeist,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/3851 en 06/4300 van de rechtbank Utrecht van 15 maart 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan de stichting Zeisterwoude Beheerstichting (hierna: de Stichting) reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woon-zorgcentrum op het perceel Woudenbergseweg 42 te Zeist (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 oktober 2006, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellant] en anderen (hierna: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 maart 2007, verzonden op 6 april 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2007, waar onder meer [appellant] in persoon, bijgestaan door ir. W.C. Coepijn, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. H.J. Kolff, ambtenaar in dienst van de gemeente, en de Stichting, vertegenwoordigd door mr. J.J. Bijkerk en mr. W. van Galen, beiden advocaat te Utrecht, en drs. A. Vorstelman, en ir. S.J. van de Moosdijk, architect, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de bij besluit van 2 februari 2006 voor het woon-zorgcomplex op het perceel verleende bouwvergunning.

2.2. Het bouwplan voorziet in een woon-zorgcomplex, bestaande uit 107 zorgappartementen, 24 verpleegplaatsen, 15 plaatsen voor dagopvang en een ruimte voor gezondheidsdiensten met 5 behandelkamers, alsmede een parkeerkelder.

De parkeerkelder is voor auto's toegankelijk via twee in- en uitritten die zijn voorzien van onder het maaiveld en buiten de grenzen van het bouwvlak gesitueerde keerwanden.

2.3. Anders dan de Stichting naar voren brengt bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant], die op een afstand van 15 meter tegenover het op te richten woon-zorgcomplex woont, niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit op bezwaar in strijd met artikel 7:9 van de Awb tot stand is gekomen, nu hij niet is gehoord over het nadere advies van de welstandscommissie Welstand en Monumenten Midden Nederland (hierna: de welstandscommissie) en de aanpassingen op de bouwtekening met betrekking tot de parkeerplaatsen boven het maaiveld.

2.4.1. Ingevolge artikel 7:9 van de Awb, wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

2.4.2. De welstandscommissie heeft op 4 oktober 2005 over het bouwplan geadviseerd. [appellant] heeft een bericht van de Stichting Dorp Stad Land van 7 maart 2006 overgelegd. De welstandscommissie heeft op verzoek van het college daarop bij brief van 19 oktober 2006 gereageerd.

De rechtbank heeft in de omstandigheid dat [appellant] door de commissie beroep- en bezwaarschriften niet in de gelegenheid is gesteld om op de nadere reactie van 19 oktober 2006 te reageren, terecht geen aanleiding gezien het besluit op bezwaar te vernietigen. Die reactie kan niet worden aangemerkt als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit dat voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kan zijn als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb, nu deze reactie voortbouwt op en is gevraagd in het licht van het, naar aanleiding van het eerder door de welstandscommissie gegeven advies van 4 oktober 2005, ingenomen standpunt van het college dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Op de tekening die na de hoorzitting in bezwaar is overgelegd is de maatvoering van de parkeerplaatsen boven het maaiveld gewijzigd en de locatie van de parkeerplaatsen nader aangeduid. Deze wijzigingen kunnen, gelet op de ondergeschikte aard daarvan, niet worden aangemerkt als feiten of omstandigheden die voor de te nemen beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang konden zijn als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb.

De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het college op grond van dat artikel niet gehouden was om [appellant] over de reactie van de welstandscommissie van 19 oktober 2005 en de tekening met de gewijzigde maatvoering van de parkeerplaatsen te horen.

2.5. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Schil" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Maatschappelijke doeleinden".

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften, wordt onder 'Gebouw' verstaan elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, zijn de als zodanig op de plankaart aangewezen gronden bestemd voor openbare-, sociale-, culturele-, religieuze-, medische-, zorg- en onderwijsdoeleinden, met daaraan ondergeschikte sportdoeleinden en de daarbij behorende bebouwing.

Ingevolge het tweede lid, onder A, sub 1, onder a, zijn gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.

Ingevolge het tweede lid, onder A, sub 1, onder c, mag de goothoogte van gebouwen niet meer bedragen dan het op de plankaart aangeduide aantal meters.

Ingevolge het tweede lid, onder A, sub 1, onder e, mag de dakhelling niet meer dan 60° bedragen.

Ingevolge het tweede lid, onder A, sub 2, mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2.00 meter bedragen.

2.6. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat onvoldoende garanties bestaan dat de zorgappartementen niet zullen worden gebruikt voor reguliere bewoning. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de appartementen zullen worden gebruikt op een andere wijze dan is aangevraagd en vergund.

Voorts kan [appellant] niet worden gevolgd in diens betoog dat het bouwplan de ingevolge de planvoorschriften maximaal toegestane goothoogte overschrijdt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, in aanmerking nemende hetgeen in de planvoorschriften omtrent de goothoogte is bepaald, geen overschrijding is voorzien en dat de planvoorschriften niet aan de in het bouwplan voorziene dakvorm in de weg staan.

2.7. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de keerwanden als onderdeel van het gebouw moeten worden beschouwd en ingevolge de planvoorschriften gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan.

2.7.1. Uit de planvoorschriften volgt dat het in geding zijnde hoofdgebouw binnen het bouwvlak moet worden gesitueerd. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen buiten het bouwvlak worden geconstrueerd.

[appellant] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de keerwanden op soortgelijke wijze als een balkon als onderdeel van het hoofdgebouw moeten worden aangemerkt, waartoe hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2004 in zaak nr. 200306337/1, aangezien de keerwanden in constructief opzicht geen noodzakelijke samenhang met het hoofdgebouw hebben. Ter zitting is gebleken dat de keerwanden vervangen zouden kunnen worden door een aarden wal of door keerwanden die niet constructief met het hoofdgebouw verbonden zijn.

Het ontbreken van een noodzakelijke samenhang met het hoofdgebouw betekent naar het oordeel van de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat, gelet op de ligging van de keerwanden buiten het hoofdgebouw, alsmede de verschijningsvorm en functie daarvan ten opzichte van het hoofdgebouw, de keerwanden kunnen worden aangemerkt als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zodat de omstandigheid dat de keerwanden onderdeel uitmaken van het bouwplan niet leidt tot de conclusie dat door de situering van de keerwanden het gebouw de bebouwingsgrenzen overschrijdt.

Niet in geschil is dat de hoogte van de keerwanden niet meer dan 2.00 m bedraagt. Het college heeft het bouwplan op dit punt dan ook terecht niet in strijd met het bestemmingsplan geacht. Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan ten onrechte in overeenstemming met redelijke eisen van welstand is geacht en dat het college zich in het besluit op bezwaar ten onrechte mede op de reactie van de welstandscommissie van 19 oktober 2006 heeft gebaseerd, nu het college aan een andere, onpartijdige instantie nader advies had moeten vragen.

2.8.1. Dit betoog faalt. Voor het oordeel dat de welstandscommissie zich niet door middel van een nadere motivering opnieuw over het bouwplan mocht uitspreken wordt geen aanleiding gezien. Er bestond geen verplichting voor het college een andere instantie om een nader advies te vragen.

De welstandscommissie heeft op 4 oktober 2005 positief over het bouwplan geadviseerd. [appellant] heeft een bericht van de Stichting Dorp Stad Land van 7 maart 2006 overgelegd dat het bouwplan, beoordeeld naar de criteria van de welstandsnota van de gemeente Zeist, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het college heeft dit advies aan de welstandscommissie voorgelegd die in reactie daarop in een brief aan het college van 19 oktober 2006 te kennen heeft gegeven dat zij vast houdt aan haar oordeel dat het bouwplan, zowel op zichzelf, als in relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daarbij is gemotiveerd ingegaan op de door de Stichting Dorp Stad Land aangevoerde punten. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich onder deze omstandigheden niet op basis van het door de welstandscommissie bevestigde advies van 4 oktober 2005, mede gelet op de in het bestemmingsplan neergelegde ruime bebouwingsmogelijkheden, op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan niet met redelijke eisen van welstand in strijd is.

In hetgeen [appellant] aanvoert is voorts geen grond te vinden voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien voor het opnemen van nadere eisen in de bouwvergunning. Voor het aannemen van een onaanvaardbare aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld bestaat geen grond, gelet op de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan ter plaatse biedt en het positieve advies van de welstandscommissie over het bouwplan.

2.9. Ten slotte betoogt [appellant] dat het bouwplan in strijd is met de bouwverordening van de gemeente Zeist (hierna: de bouwverordening), omdat niet is voorzien in voldoende ruimte voor het parkeren van auto's en het laden of lossen van goederen.

2.10. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het tweede lid moet de in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;

b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.

Ingevolge het derde lid moet indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

2.10.1. Het college heeft, uitgaande van de parkeernormen van de parkeerbeleidsnota Zeist, de parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan op 96,2 parkeerplaatsen gesteld. Gelet op de in de bouwverordening voorgeschreven maatvoering van een parkeerplaats, kunnen, naar niet is betwist, op eigen terrein 110 parkeerplaatsen van 1,80 bij 5,00 m, dan wel 97 parkeerplaatsen van 2,35 bij 5,00 m worden gerealiseerd. Ook bij realisering van een redelijk aantal gehandicaptenparkeerplaatsen wordt aan de berekende parkeerbehoefte voldaan. Niet valt in te zien dat op eigen terrein geen ruimte voorhanden is voor het laden en lossen van goederen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30 van de bouwverordening.

2.11. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op goede gronden bouwvergunning voor het bouwplan heeft verleend.

2.12. Ten slotte heeft de rechtbank, anders dan [appellant] betoogt, terecht geoordeeld dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, nu het besluit van 2 februari 2006 bij het besluit op bezwaar niet is herroepen als bedoeld in dat artikel. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om de kosten die [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt, te vergoeden.

2.13. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Wijers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

444