Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200707921/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan [vergunninghouder] verleend voor het exploiteren van een varkensbedrijf in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Mariapeel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707921/2.

Datum uitspraak: 1 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting Openbare Ruimte", gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan [vergunninghouder] verleend voor het exploiteren van een varkensbedrijf in de omgeving van het als speciale beschermingszone aangewezen gebied "Mariapeel".

Tegen dit besluit heeft de stichting "Stichting Openbare Ruimte" (hierna: de stichting) bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 9 november 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 9 november 2007, heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 18 januari 2008, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, werkzaam bij Wösten juridisch advies, en het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college), vertegenwoordigd door mr. G.H.J.M. in de Braek, en ing. A.M.A.G. Maessen, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [vergunninghouder] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats] op een afstand van ongeveer 670 meter van het natuurgebied "Mariapeel". Dit gebied is bij besluit van 21 september 1976 aangewezen als staatnatuurmonument. Bij besluit van 29 oktober 1986 is het gebied "Mariapeel" aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn. Met ingang van 1 oktober 2005 geldt het besluit tot aanwijzing van het gebied "Mariapeel" als speciale beschermingszone als een besluit als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998, is de aanwijzing als staatsnatuurmonument van dit gebied komen te vervallen en heeft de instandhoudingsdoelstelling van het op grond van artikel 10a van de Nbw 1998 aangewezen gebied mede betrekking op de doelstelling van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit.

Het gebied Mariapeel maakt verder deel uit van het gebied "Mariapeel en Deurnese Peel" dat is aangemeld als speciale beschermingszone als bedoeld in de Habitatrichtlijn. Bij beschikking van 7 december 2004 is het gebied "Mariapeel en Deurnese Peel" geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 verleend voor het exploiteren van de varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats], onder de voorwaarde dat de depositie van het bedrijf op de rand van het gebied "Mariapeel" niet meer bedraagt dan 31,46 mol/ha per jaar.

Het college heeft toegelicht toepassing te hebben gegeven aan het standstill-beginsel. Als peildatum voor de referentiesituatie heeft het college 1 oktober 2005 gekozen, de datum waarop verschillende artikelen uit de Nbw 1998 en de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Nbw 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen in werking zijn getreden. Nu het moeilijk is vast te stellen wat de feitelijke depositiesituatie op 1 oktober 2005 is, heeft het college er voor gekozen aansluiting te zoeken bij de vergunde emissie van de op dat moment geldende vergunning op grond van de Wet milieubeheer, zijnde in dit geval die van 19 december 1995. De depositie neemt in het onderhavige geval volgens het college in de aangevraagde situatie licht af ten opzichte van de referentiesituatie. Het project zal afgezet tegen de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats niet verslechteren, aldus het college.

2.4. De stichting kan zich niet verenigen met dit besluit. Zij stelt dat het college ten onrechte geen passende beoordeling heeft verricht. De toepassing van het standstill-beginsel is volgens haar niet als zodanig te beschouwen. Indien al betekenis zou moeten worden toegekend aan bestaand gebruik, dan heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom in dit verband als referentiedatum 1 oktober 2005 kan worden gehanteerd, aldus het college. De stichting stelt dat het in dit verband veel meer voor de hand had gelegen aansluiting te zoeken bij de datum van aanwijzing als staatsnatuurmonument, dan wel bij de datum waarop de Vogel- en Habitatrichtlijn in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd hadden dienen te worden.

2.5. De door de stichting aangevoerde beroepsgronden vergen nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent.

Gelet op het feit dat het bedrijf reeds jaren ter plaatse gevestigd is, het bedrijf beschikt over een milieuvergunning, door het college niet gemotiveerd weersproken is gesteld dat de thans aangevraagde situatie een lichte afneming van de depositie op het natuurgebied met zich brengt ten opzichte van de bestaande situatie en de plaatsing van vee later weer ongedaan gemaakt kan worden, ziet de voorzitter geen aanleiding om te oordelen dat, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening dient te worden getroffen in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2008

466.