Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3609

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200704660/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) aan [appellant] ontheffing van de Bouwverordening en reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een winkel met kelder en zes appartementen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Vastgoed en wonen 2008/298
ABkort 2008/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704660/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2957 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) aan [appellant] ontheffing van de Bouwverordening en reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een winkel met kelder en zes appartementen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 16 mei 2007, verzonden op 6 juni 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2006 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 5 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 31 juli 2007.

Bij brief van 23 augustus 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, advocaat te Waalre, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.L. Pijnenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], bijgestaan door mr. drs. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel bevinden zich twee aaneen gebouwde panden en een achtergelegen bedrijfsruimte, waarin [appellant] een fietsenwinkel en een fietsenmakerij exploiteert. Boven de panden bevinden zich twee appartementen. Op het perceel zijn voorts twee parkeerplaatsen aanwezig. Het bouwplan voorziet, na sloop van de bestaande winkelruimte en appartementen, in de realisatie van een nieuwe winkelruimte en zes nieuwe appartementen. Voorts is onder het gebouw een nieuw te realiseren kelder geprojecteerd. De achtergelegen bedrijfsruimte blijft gehandhaafd.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dommelen".

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de toetsing van het bouwplan aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening wat de winkel betreft terecht de parkeerbehoefte van de totaal met het bouwplan te realiseren winkeloppervlakte in aanmerking heeft genomen. Hij voert daartoe aan dat bij deze toetsing alleen de uitbreiding van die oppervlakte in aanmerking dient te worden genomen. Voorts voert [appellant] daartoe aan dat de rechtbank daarbij ten onrechte heeft aangenomen dat het bouwplan betrekking heeft op volledige nieuwbouw van de winkel en de bedrijfsruimte.

2.3.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Valkenswaard moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.3.2. Het betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004 in zaak nr. 200400798/1, behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2006 in zaak nr. 200504312/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat dit bij, zoals in dit geval, vervangende nieuwbouw inhoudt dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand. Voor het bouwplan met betrekking tot de winkel dient derhalve slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding van de winkeloppervlakte, zijnde naar niet in geschil is 5 m2. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte rekening dient te houden met het verlies van de twee op het perceel aanwezige parkeerplaatsen.

2.4.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 5 oktober 2005 in zaak nrs. 200406509/1, 200406580/1 en 200406581/1, dient rekening te worden gehouden met het verlies van in de bestaande situatie aanwezige parkeerplaatsen ten gevolge van het bouwplan. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om aan te geven hoeveel parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn.

De rechtbank dient zich te beperken tot toetsing van het besluit op bezwaar naar aanleiding van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. De rechtbank heeft dan ook terecht uitsluitend de vraag beantwoord of het besluit op bezwaar van 6 juni 2006 inzake de door het college vastgestelde parkeerbehoefte, in rechte stand kan houden.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Nu echter het dictum van de aangevallen uitspraak juist is, dient deze, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Valkenswaard aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Valkenswaard aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

270-530.