Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703449/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan appellant vergunning verleend voor het aanleggen van een sloot/watergang, het dempen van enkele sloten/watergangen en het egaliseren van enkele percelen, gelegen nabij Slophoosweg/Baars te Sint-Oedenrode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703449/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 april 2007 in zaak nr. 06/1746 in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging tot Behoud van het Groene Hart van Brabant" en de Stichting Brabantse Milieufederatie,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan appellant vergunning verleend voor het aanleggen van een sloot/watergang, het dempen van enkele sloten/watergangen en het egaliseren van enkele percelen, gelegen nabij Slophoosweg/Baars te Sint-Oedenrode.

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het college het door de Vereniging tot Behoud van het Groene Hart van Brabant (hierna: Het Groene Hart) en de Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit, zij het onder aanvulling van de motivering ervan, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 3 april 2007, verzonden op 4 april 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door Het Groene Hart en BMF ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep heeft hij aangevuld bij brief van 14 juni 2007.

Bij brief van 8 oktober 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en van Het Groene Hart en BMF. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door ir. L.J. Vollebregt, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.F.M. van Gurp-Steenbakkers en J.C.M. Muselaars, beiden ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar Het Groene Hart en BMF, beide vertegenwoordigd door drs. B.H.P.A. van Dinther, werkzaam bij BMF, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De verleende vergunning heeft betrekking op de percelen WP166314B, WP166315, WP166316B, WP166321B en WP166325B (hierna: de percelen). Ter plaatse daarvan geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" (hierna: het bestemmingsplan). De raad van de gemeente Sint-Oedenrode (hierna: de raad) heeft op 19 februari 2004 een voorbereidingsbesluit genomen dat op 9 maart 2004 in werking is getreden. Daarbij is bepaald dat voor een gebied, waarbinnen de percelen vallen, het in dat besluit geregelde aanlegvergunningstelsel van toepassing is. Op 24 februari 2005 heeft de raad opnieuw een zodanig besluit genomen. Dit besluit is op 4 maart 2005 in werking getreden.

2.2. Op de percelen rust ingevolge het bestemmingsplan voor een deel de bestemming "Agrarisch gebied met natuurwaarde" met het differentiatievlak "levensgemeenschappen van struweel, houtwallen en houtsingels" en voor het overige de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden" met de differentiatievlakken "water voor de landnatuur" en "kleinschalig cultuurlandschap".

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de van dit plan deel uitmakende "Tabel Strijdig gebruik/Aanlegvergunningen", is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college (aanlegvergunning) de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

- het dempen van sloten binnen de differentiatie "kleinschalig cultuurlandschap";

- het graven van sloten binnen de differentiatie "kleinschalig cultuurlandschap";

- het egaliseren van gronden binnen de differentiaties "water voor de landnatuur" en "levensgemeenschappen van struweel, houtwallen en houtsingels".

Ingevolge het tweede lid geldt dit verbod niet voor het uitvoeren van:

a. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen;

b. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn.

Ingevolge het derde lid zijn de werken en/of werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, slechts toelaatbaar, indien:

a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende hoofd- of medebestemming zijn toegekend:

b. hierdoor, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Indien sprake is van aantasting van voornoemde waarden, dienen deze gecompenseerd te worden.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, is bij het verlenen van een aanlegvergunning, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, de volgende procedure van toepassing:

a. alvorens te beslissen tot het al dan niet verlenen van een aanlegvergunning, gaat het college na in hoeverre de uit te voeren werken of werkzaamheden, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, dan wel de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de agrarische, bosbouwkundige, landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke functies (voor zover deze aan de desbetreffende gronden zijn toegekend) aantast, dan wel de mogelijkheden voor ontwikkeling of herstel van die functies en waarden verkleint;

b. een besluit gaat vergezeld van een toelichting, waarin de uitkomsten van het onder a bedoelde onderzoek alsmede de aan het besluit ten grondslag liggende motieven zijn neergelegd;

c. voor het overige geldt de procedure, zoals vervat in de artikelen 44 en volgende van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.3. Bij de besluiten van 19 februari 2004 en 24 februari 2005 zijn aan de percelen geen andere differentiatievlakken toegekend, dan die welke ingevolge het bestemmingsplan daarop rusten.

Ingevolge het eerste lid van het aanlegvergunningstelsel, als bedoeld in deze beide besluiten, is het, voor zover thans van belang, verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college de in bijgaande "tabel Aanlegvergunningen" weergegeven werken en/of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge het tweede lid, geldt het in het eerste lid vervatte verbod niet voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen.

Ingevolge het derde lid, zijn werken en/of werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid slechts toelaatbaar, indien hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Indien sprake is van aantasting van voornoemde waarden, dienen deze gecompenseerd te worden.

Ingevolge het eerste lid van het aanlegvergunningstelsel als bedoeld in beide besluiten, gelezen in samenhang met de "tabel Aanlegvergunningen", is, voor zover thans van belang, een aanlegvergunning vereist voor:

- het dempen van sloten binnen de differentiatie "kleinschalig cultuurlandschap";

- het graven van sloten binnen de differentiatie "kleinschalig cultuurlandschap";

- het egaliseren van gronden binnen de differentiaties "water voor de landnatuur" en "levensgemeenschappen van struweel, houtwallen en houtsingels".

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het voorbereidingsbesluit dat ten tijde van het indienen van de aanvraag om aanlegvergunning gold op 9 maart 2004 in werking is getreden en ten tijde van het besluit van 10 maart 2005 niet meer gold en het college derhalve, zowel ten tijde van het primaire besluit, als in bezwaar, uitsluitend mocht onderzoeken of de te vergunnen activiteiten in strijd waren met het bestemmingsplan.

2.4.1. Dit betoog faalt. Ten tijde van het besluit van 10 maart 2005 was het voorbereidingsbesluit, dat op 9 maart 2004 in werking was getreden, niet meer van kracht. Op dat moment was het - gelijkluidende -voorbereidingsbesluit van 24 februari 2005 op 4 maart 2005 in werking getreden. Ook ten tijde van het besluit van 14 februari 2006 was het voorbereidingsbesluit van 24 februari 2005 in werking. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat, zowel ten tijde van het nemen van het besluit van 10 maart 2005, als ten tijde van het besluit van 14 februari 2006 een voorbereidingsbesluit gold en mede onderzocht diende te worden of de te vergunnen activiteiten daarmee in strijd waren, nu het voorbereidingbesluit van 24 februari 2005 op 4 maart 2005 in werking is getreden.

2.5. Appellant betoogt voorts dat rechtsoverweging 38 feitelijke onjuistheden bevat en onder 39 tot en met 42 dientengevolge ten onrechte is overwogen dat in het besluit van 14 februari 2006 niet voldoende is gemotiveerd dat de verzochte werkzaamheden de waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig kunnen verkleinen. Ook heeft de rechtbank volgens hem miskend dat de visuele belevingswaarde van groot belang is bij de beoordeling van de vraag of de cultuurhistorische waarden worden of kunnen worden verkleind en dat in het rapport "Cultuurhistorie en landschap in de gemeente Sint-Oedenrode, Advies voor de planologische bescherming van waarden" van Arcadis van 25 januari 2002 (hierna: het rapport Arcadis) sloten niet als beschermenswaardig voor de landschappelijke karakteristiek van het kleinschalig cultuurlandschap worden vermeld.

2.5.1. In het besluit van 14 februari 2006 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het dempen van drie sloten/watergangen en het aanleggen van een nieuwe sloot geen invloed heeft op de kleinschaligheid van de percelen. Het heeft ter toelichting in beroep gewezen op het rapport Arcadis.

Daarin wordt - in zoverre niet bestreden - vermeld dat het Kampenlandschap van Olland, waarbinnen de percelen zijn gelegen, een hoge te beschermen waarde heeft en dat de te beschermen elementen in dit gebied bospercelen, onverharde wegen en groenstructuren zijn. Sloten worden, anders dan bij andere in het rapport vermelde gebieden, niet vermeld. Dat de sloten op één van de kaarten behorende bij het rapport Arcadis voorkomen met de vermelding "water met hoge waardering" en "persistente perceelsgrens", betekent weliswaar dat de sloten een cultuurhistorische waarde hebben, maar niet dat bij elke werkzaamheid betreffende de sloten reeds daarom een onevenredige "verkleining" van die waarde optreedt. Dat de visuele component, zoals het college stelt, daarbij een rol kan spelen, is aannemelijk. Nu sloten in dit deel van het landschap niet als te beschermen elementen worden vermeld en het college in het besluit op bezwaar onweersproken heeft gesteld dat de sloten nauwelijks zichtbaar zijn, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de werkzaamheden waarvoor vergunning is verleend de waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig verkleinen of kunnen verkleinen. Het betoog slaagt.

2.6. Verder betoogt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of en in hoeverre compensatie van aantasting van de waarden die het bestemmingsplan beoogt te beschermen dient plaats te vinden, heeft miskend dat slechts een onevenredige of mogelijk onevenredige aantasting van de waarden tot compensatie moet leiden.

2.6.1. Dit betoog slaagt niet. In de laatste volzin van artikel 23, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften wordt geen onderscheid gemaakt tussen onevenredige en andere verkleining van de te beschermen waarden, maar is bepaald dat elke aantasting of verkleining tot compensatie moet leiden. Voor werkzaamheden die tot een onevenredige "verkleining" van de te beschermen waarden leiden, kan geen vergunning worden verleend.

2.7. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.1 is overwogen, zal de Afdeling thans de overige door Het Groene Hart en BMF aangevoerde beroepsgronden beoordelen, voor zover de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.8. Het Groene Hart en BMF betogen dat het college heeft miskend dat bij egaliseren een onevenredige "verkleining" van de cultuurhistorische waarde van de gronden optreedt, nu in dit geval een unieke bolling van de akker bestaat en het aanzienlijke hoogteverschil ter plaatse van soms 40 cm door egaliseren verloren gaat.

2.8.1. Dit betoog slaagt. De aanvraag voorziet niet in een precieze aanduiding van de plaats waar en de wijze waarop het egaliseren zal plaatsvinden. Dat slechts op de hoeken van de percelen zal worden geëgaliseerd en dat de bolling van de akker niet zal verdwijnen, zoals appellant ter zitting heeft gesteld, valt uit de aanvraag, de vergunning, noch het besluit op bezwaar af te leiden. Derhalve heeft het college het oordeel dat de vergunde werkzaamheden de waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig verkleinen of kunnen verkleinen, niet toereikend gemotiveerd.

2.9. Het betoog van Het Groene Hart en BMF dat in het besluit op bezwaar ten onrechte niet is vermeld, waar mag worden gedraineerd, leidt niet tot het daarmee beoogde resultaat, nu de verleende vergunning geen betrekking heeft op drainage.

2.10. Het betoog van Het Groene Hart en BMF dat het college in bezwaar ten onrechte is voorbijgegaan aan de geschiedkundige waarde van de verkaveling van de gronden, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De geschiedkundige waarde van de gronden maakt deel uit van de cultuurhistorische waarden daarvan. De vraag of de werkzaamheden deze waarden onevenredig "verkleinen" of kunnen "verkleinen" heeft het college, zoals hiervoor onder 2.5.1 is overwogen, in het besluit op bezwaar ontkennend beantwoord.

2.11. Het hoger beroep is gegrond. Nu de beslissing van de rechtbank juist is, dient de uitspraak, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 31,03 (zegge: eenendertig euro en drie cent); het dient door de gemeente Sint-Oedenrode aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij de Vereniging voor nauurbehoud en milieubeheer in Midden- en Noord-Oost Brabant "Het Groene Hart" in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 33,93 (zegge: drieëndertig euro en drieënnegentig cent); het dient door de gemeente Sint-Oedenrode aan de Vereniging voor nauurbehoud en milieubeheer in Midden- en Noord-Oost Brabant "Het Groene Hart" onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de gemeente Sint-Oedenrode aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

270-488.