Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703327/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) medegedeeld dat op 14 juni 2005 door middel van toepassing van bestuursdwang de in het Stationsgebied te Groningen gestalde fiets van [appellant] is verwijderd en opgeslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 173 met annotatie van F.R. Vermeer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703327/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/1356 van de rechtbank Groningen van 29 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) medegedeeld dat op 14 juni 2005 door middel van toepassing van bestuursdwang de in het Stationsgebied te Groningen gestalde fiets van [appellant] is verwijderd en opgeslagen.

Bij besluit van 3 oktober 2005 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2007, verzonden op 30 maart 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 10 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 juli 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2007, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. L. Hoekstra, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Groot, ambtenaar in dienst bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover thans van belang, luidt:

1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

3. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

(…)

6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

Ingevolge artikel 160a, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening Groningen 1994 (hierna: de APV) kunnen burgemeester en wethouders op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen en/of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimtes of plaatsen te laten staan.

Bij besluit van 25 oktober 1994 heeft het college het gebied zoals weergegeven op de als bijlage bij dit besluit behorende kaart aangewezen als gebied waar het verboden is fietsen en/of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimtes te laten staan. Het Emmaviaduct bevindt zich in het bij voornoemd besluit aangewezen gebied.

2.2. [appellant] heeft zijn fiets onder het Emmaviaduct te Groningen gestald. De Milieudienst heeft de fiets op 14 juni 2006 verwijderd en opgeslagen. De volgende dag heeft [appellant] de fiets opgehaald, waarbij hij de door het college genomen beslissing om bestuursdwang toe te passen uitgereikt heeft gekregen.

2.3. Vaststaat dat de fiets van [appellant] was gestald op een door het college aangewezen plaats als bedoeld in artikel 160a, tweede lid, van de APV zodat het college bevoegd was bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen te treffen.

2.4. Voor zover [appellant] betoogt dat het college gelet op bijzondere omstandigheden had behoren af te zien van handhavend optreden overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang hiertegen op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat of wanneer handhavend optreden dermate onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De stelling van [appellant] dat het college zelf onvoldoende maatregelen heeft genomen om onjuiste stalling van fietsen te voorkomen is door hem niet nader gemotiveerd en kan derhalve niet tot het oordeel leiden dat het college in dit geval zich had dienen te onthouden van het toepassen van bestuursdwang. Ook van overige omstandigheden die tot een dergelijk oordeel zouden leiden is niet gebleken.

2.5. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een zodanig spoedeisende situatie dat zonder het gunnen van een begunstigingstermijn kon worden overgegaan tot het verwijderen van de fiets. In dit verband betoogt hij dat het voorkomen van aanzuigende werking daarvoor niet voldoende is. Daarbij is volgens [appellant] van belang dat de fiets het fiets- en voetgangersverkeer niet of nauwelijks belemmerde. Tevens betoogt [appellant] dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is nu hij, in verband met de afspraken die het college met de Nederlandse Spoorwegen (hierna: de NS) heeft gemaakt, niet eerst een waarschuwing heeft gekregen, terwijl op andere locaties binnen het aangewezen gebied wel eerst gewaarschuwd is alvorens tot toepassing van bestuursdwang over te gaan.

2.5.1. Het college heeft, nu het besluit om bestuurdwang toe te passen eerst na het verwijderen van de fiets op schrift is gesteld, toepassing gegeven aan artikel 5:24, zesde lid, van de Awb. Toepassing van dit artikellid impliceert dat de vereiste spoed zich verzet tegen het gunnen van een begunstigingstermijn. Zoals het college ter zitting heeft verklaard is de locatie waar [appellant] zijn fiets heeft gestald onderdeel van een toegangsweg naar het station welke intensief wordt gebruikt door zowel fietsers als voetgangers. In die periode werden bouwwerkzaamheden bij het station uitgevoerd en veroorzaakten foutief gestalde fietsen (extra) overlast. De Afdeling stelt vast aan de hand van de overgelegde foto's dat de ruimte tussen het hek waaraan de fiets is vastgemaakt en de toegangsweg waarlangs het hek staat zeer smal is. [appellant] heeft de stelling van het college dat het foutief plaatsen van een fiets het foutief stallen van andere fietsen op zo'n locatie uitlokt niet bestreden. Gelet op de smalle ruimte belemmeren meerdere tegen het hek gestalde fietsen de vrije doorgang van de toegangsweg naar het NS-station. De rechtbank heeft terecht overwogen dat hierdoor op enig moment gevaar kan ontstaan voor de overige verkeersdeelnemers die van deze weg gebruik maken, in het bijzonder het fietsverkeer. De rechtbank heeft met dit oordeel aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005 (zaak no. 200406067/1).

Het betoog van [appellant] met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep. De afspraken tussen het college en de NS de toegangsweg vrij te houden om de toegang tot de perrons te verzekeren en het station toegankelijk te houden voor de hulpverleningsdiensten, zijn specifiek van toepassing op het weggedeelte waarop [appellant] zijn fiets had gestald. Dit onderscheidt deze locatie van andere locaties binnen het aangewezen gebied waardoor het geen gelijke gevallen zijn. Dat in tegenstelling tot fietsen op die andere locaties de fiets van [appellant] niet eerst is voorzien van een waarschuwingssticker, leidt niet tot het oordeel dat de situatie niet spoedeisendheid was in de zin van artikel 5:24, zesde lid, van de Awb. In dit verband is tevens van belang dat het college ter zitting heeft verklaard dat, gelet op de overlast, ten tijde van het verwijderen van de fiets in dat gedeelte van het aangewezen gebied strikt gehandhaafd werd. Voorts levert de omstandigheid dat het college op enig later moment foutief gestalde fietsen op de locatie waar die fiets van [appellant] stond gestald is gaan voorzien van een waarschuwingssticker geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college zonder het gunnen van een begunstigingstermijn tot de toepassing van bestuursdwang heeft kunnen overgaan.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

312-538.