Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703056/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2006 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een verzoek van de [appellante] tot verlaging van de te stellen financiële zekerheid op grond van artikel 3, derde lid, van de Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen (hierna: de Regeling) ingewilligd en de te stellen financiële zekerheid vastgesteld op € 45,00 per ton over te brengen afvalstoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2008/9 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2008/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703056/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2006 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een verzoek van de [appellante] tot verlaging van de te stellen financiële zekerheid op grond van artikel 3, derde lid, van de Regeling EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen (hierna: de Regeling) ingewilligd en de te stellen financiële zekerheid vastgesteld op € 45,00 per ton over te brengen afvalstoffen.

Bij besluit van 29 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief van 27 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 juli 2007 heeft de minister een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2007, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. ing. J.J. Patelski, advocaat te Maastricht, en door ing. J.T.M. van de Kerkhoff, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Ahraoui, werkzaam bij het ministerie, en door N. de Kruif, werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] voert aan dat de vastgestelde financiële zekerheid van € 45,00 per ton over te brengen afvalstoffen hoger is dan noodzakelijk ter dekking van de kosten, genoemd in artikel 27, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening). Volgens [appellante] kan, nu het de overbrenging van schone grond naar België over een afstand van enkele kilometers betreft, worden volstaan met een financiële zekerheid van € 3,15 per ton over te brengen afvalstoffen. Omdat de vastgestelde financiële zekerheid hoger is dan noodzakelijk, vormt deze volgens [appellante] een ontoelaatbare handelsbelemmerende maatregel. De minister heeft er volgens [appellante] voorts ten onrechte geen rekening mee gehouden dat zij in België een (aansprakelijkheids)verzekering heeft afgesloten, die mede betrekking heeft op de onderhavige partij afvalstoffen. Deze verzekering is volgens [appellante] een gelijkwaardige verzekering als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Verordening.

2.2. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Verordening draagt de bevoegde autoriteit van verzending, wanneer een overbrenging van afvalstoffen waarvoor de betrokken bevoegde autoriteiten toestemming hebben verleend niet volgens de bepalingen van het begeleidende document of het in de artikelen 3 en 6 bedoelde contract kan worden voltooid, er binnen 90 dagen nadat zij is ingelicht zorg voor dat de kennisgever de afvalstoffen naar haar rechtsgebied of naar een andere plaats in de Staat van verzending terugzendt, tenzij zij ervan overtuigd is dat de afvalstoffen op een andere, milieuhygiënisch verantwoorde wijze verwijderd of nuttig toegepast kunnen worden.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Verordening, wordt als sluikhandel beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die:

a) geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening, of

b) geschiedt zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening, of

c) geschiedt met een door vervalsing, een onjuiste voorstelling van zaken of fraude verkregen toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, of

d) niet wezenlijk is gespecificeerd in het begeleidende document, of

e) leidt tot verwijdering of nuttige toepassing in strijd met communautaire of internationale bepalingen, of

f) in strijd is met de artikelen 14, 16, 19 en 21.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, zorgt de bevoegde autoriteit van verzending, indien een dergelijke sluikhandel de verantwoordelijkheid is van de kennisgever, ervoor dat de betrokken afvalstoffen:

a) door de kennisgever of, zo nodig, door de bevoegde autoriteit zelf worden teruggebracht naar de Staat van verzending, of, indien dit niet mogelijk is,

b) op een andere milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd of nuttig toegepast, binnen 30 dagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van de sluikhandel of binnen een andere, door de betrokken bevoegde autoriteiten overeen te komen termijn.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Verordening wordt voor elke overbrenging van afvalstoffen binnen de werkingssfeer van deze verordening een borgsom of gelijkwaardige verzekering geëist ter dekking van de kosten van het vervoer, met inbegrip van de in de artikelen 25 en 26 bedoelde gevallen, en van de verwijdering of de nuttige toepassing.

2.3. Ingevolge artikel 2 van de Regeling kan financiële zekerheid worden gesteld in de vorm van:

a. een waarborgsom, of

b. een borgtocht in de zin van titel 14 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling bedraagt de door of namens de kennisgever te stellen financiële zekerheid € 450 per ton over te brengen afvalstoffen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Regeling kan de minister, indien de werkelijke kosten van verwijdering of nuttige toepassing van de over te brengen afvalstoffen en van het vervoer naar de plaats waar de verwijdering of nuttige toepassing kan plaatsvinden in belangrijke mate afwijken van het op basis van het eerste lid berekende bedrag, een hogere financiële zekerheid verlangen, dan wel genoegen nemen met een lagere financiële zekerheid.

2.4. Uit artikel 27, eerste lid, van de Verordening volgt dat bij het bepalen van de vereiste financiële zekerheid rekening dient te worden gehouden met de in de artikelen 25 en 26 van de Verordening bedoelde gevallen. Daaronder is mede begrepen de situatie dat de afvalstoffen naar Nederland moeten worden teruggehaald, omdat zij niet voldoen aan de kennisgeving. Gelet hierop, mocht de minister bij het bepalen van de vereiste financiële zekerheid rekening houden met de mogelijkheid dat niet schone, maar verontreinigde grond naar Nederland moet worden teruggehaald, met mogelijk hogere kosten als gevolg. Door de minister is voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 45,00 per ton over te brengen afvalstoffen niet hoger is dan noodzakelijk ter dekking van die kosten. Dit onderdeel van het beroep faalt.

2.5. De Afdeling is verder van oordeel dat artikel 27, eerste lid, van de Verordening lidstaten de ruimte laat om een keuze te maken voor een bepaalde vorm van zekerheidstelling ter dekking van de in die bepaling genoemde kosten, met uitzondering van andere vormen, zolang de gekozen vorm een borgsom of gelijkwaardige verzekering is. In artikel 2 van de Regeling is gekozen voor twee vormen van zekerheidstelling. De door [appellante] in België afgesloten verzekering voldoet daar niet aan, zodat de minister met deze verzekering terecht geen rekening heeft gehouden. Ook dit onderdeel van het beroep faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

462.