Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3589

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703918/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan Somass B.V. (hierna: Somass), voor zover thans van belang, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van drie Zaanse woonhuizen op het perceel Lage Horn 16 te Zaandam (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/2921 met annotatie van mr. F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703918/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] e.a., allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 april 2007 in zaak nr. 06/6213 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan Somass B.V. (hierna: Somass), voor zover thans van belang, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van drie Zaanse woonhuizen op het perceel Lage Horn 16 te Zaandam (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2007, verzonden op 26 april 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] e.a. ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] e.a. bij brief van 6 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 31 augustus 2007 heeft Somass een reactie ingediend.

Bij brief van 4 september 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college en van [appellant] e.a. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2007, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Somass, vertegenwoordigd door haar [bestuurder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is voorzien op gronden die ingevolge het bestemmingsplan "Russische buurt" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Woondoeleinden B" hebben. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften geldt voor deze gronden, omdat geen uitvoering is gegeven aan de ingevolge artikel 12 van de planvoorschriften geldende uitwerkingsplicht, een bouwverbod. Het college heeft voor het bouwplan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.2. [appellant] e.a. betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het college terecht voor het bouwplan krachtens die bepaling vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend, heeft miskend dat het dat niet mocht doen, omdat de provinciale lijst van 19 juli 2005 met categorieën van gevallen, waarvoor krachtens die bepaling vrijstelling kan worden verleend (hierna: de provinciale lijst), ten tijde van het besluit op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt.

2.3. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 27 juni 2007 in zaak nr. 200606687/1) heeft overwogen, is de provinciale lijst van 19 juli 2005 eerst op 2 augustus 2006 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit betekent dat het college ten tijde van de besluiten van 24 november 2005 en 17 mei 2006 ten behoeve van het bouwplan niet krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kon verlenen, als het heeft gedaan.

2.3.1. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van [appellant] e.a. tegen het besluit van 17 mei 2006 daarbij ongegrond is verklaard. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Nu, zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, de provinciale lijst inmiddels op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zal de Afdeling onderzoeken of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Daartoe zullen de overige in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden worden beoordeeld.

2.4. Ingevolge paragraaf 3, aanhef en onder a, van de provinciale lijst kunnen, voor zover thans van belang, burgemeester en wethouders zonder verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten vrijstelling verlenen voor projecten die passen in een voorontwerpbestemmingsplan of - structuurplan.

2.5. [appellant] e.a. hebben betoogd dat het bouwplan, wat het maximaal toegestane bebouwingspercentage betreft, zomin in overeenstemming is met het op 17 april 2003 door de gemeenteraad van Zaanstad vastgestelde structuurplan "Inverdan" (hierna: het structuurplan), als met het voorontwerpbestemmingsplan "Inverdan" (hierna: het voorontwerpbestemmingsplan), dat van 4 april tot en met 15 mei 2006 ter inzage heeft gelegen.

2.5.1. Ten tijde van het besluit van 17 mei 2006 gold het structuurplan dat door de gemeenteraad bij besluit van 17 april 2003 is vastgesteld. Ingevolge paragraaf 3, aanhef en onder a, van de provinciale lijst is het voorontwerpbestemmingsplan van belang om te beoordelen of het in het bouwplan voorziene bebouwingspercentage aan verlening van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO in de weg staat.

Het voorontwerpbestemmingsplan vermeldt dat maximaal 70% van het totale erf mag worden bebouwd. Het door [appellant] e.a. aangehaalde maximale bebouwingspercentage van 50 wordt weliswaar in de visie "Ontwikkeling Krimp en omgeving" vermeld, maar dat stuk komt niet voor in de provinciale lijst als plan waarmee een project in overeenstemming moet zijn, wil het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het geldende bestemmingsplan kunnen verlenen. [appellant] e.a. hebben ter zitting verklaard dat zij de berekeningen waarop hun betoog dat het maximaal toegestane bebouwingspercentage bij realisering van het bouwplan wordt overschreden steunt, hebben gebaseerd op metingen ter plaatse. Echter slechts het bebouwingpercentage zoals dat aan de hand van de bij de bouwvergunning behorende tekeningen valt vast te stellen is van belang, aangezien dáárvoor vrijstelling en bouwvergunning wordt verleend. Die tekeningen geven - naar niet in geschil is - geen aanleiding voor het oordeel dat het in het voorontwerpbestemmingsplan vermelde maximale bebouwingspercentage wordt overschreden. [appellant] e.a. hebben aldus niet aannemelijk gemaakt dat het in het voorontwerpbestemmingsplan vermelde maximaal toegestane bebouwingspercentage van 70 bij realisering van het bouwplan wordt overschreden. Het betoog slaagt niet.

2.6. [appellant] e.a. betogen voorts dat zij in hun belangen zijn geschaad, doordat het college vrijstelling krachtens het tweede lid van artikel 19 van de WRO heeft verleend, terwijl het eerst van plan was dit te doen krachtens het eerste lid.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 januari 2004 in zaak nr. 200303592/1), behoort, indien krachtens artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, geen vrijstelling krachtens het eerste lid te worden verleend. Het stond het college derhalve niet vrij met toepassing van die bepaling vrijstelling ten behoeve van het bouwplan te verlenen, zodat het betoog reeds om die reden faalt.

2.7. Het betoog van [appellant] e.a. dat geen bouwvergunning mocht worden verleend, omdat voor het bouwplan een positief welstandsadvies ontbreekt, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu de bouwtekening is voorzien van een stempel van de welstandscommissie van 10 mei 2005.

2.8. [appellant] e.a. betogen voorts dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003 en artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek.

2.8.1. Dit betoog slaagt evenmin. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 december 2006 in zaken nrs. 200604465/1 en 200604465/2), is voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer op voorhand duidelijk is dat die belemmering aan realisering van het bouwplan in de weg staat. Daarvan is in dit geval niet gebleken, nu een situatie, als bedoeld in artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zich hier niet voordoet. Openbaar groen is geen naburig erf, als bedoeld in die bepaling. Evenmin is in hetgeen [appellant] e.a. hebben aangevoerd grond te vinden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003.

2.9. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 tot en met 2.8.1 is overwogen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Niet aannemelijk is dat de belangen van [appellant] daardoor worden geschaad, nu het college na vernietiging van het besluit op bezwaar eenzelfde besluit kan nemen en geen grond bestaat om aan te nemen dat het dat niet zal doen.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 april 2007 in zaak nr. 06/6213, doch slechts voor zover het beroep van [appellant] e.a., gericht tegen het besluit van 17 mei 2006 daarbij ongegrond is verklaard;

III. bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV. vernietigt het besluit van 17 mei 2006;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. gelast dat de gemeente Zaanstad aan [appellant] e.a. het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Huijben

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

313-488.