Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200703217/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Putten (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 mei 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703217/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], en anderen,

2. de vereniging Vereniging Milieu Offensief, gevestigd te Wageningen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Putten (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 mei 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen bij brief van 4 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2007, en de vereniging Vereniging Milieu Offensief bij brief van 14 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellante sub 1] en anderen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2007, waar [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, de Vereniging Milieu Offensief, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door drs. K. van der Woud, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door ing. B.H. Wopereis, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De Vereniging Milieu Offensief betoogt dat het college een woning aan de [locatie] ten onrechte als onderdeel van de inrichting heeft beschouwd en daarom ten onrechte de bij die woning veroorzaakte geurbelasting niet heeft beoordeeld.

Deze beroepsgrond faalt. In de aanvraag om vergunning is de woning als bedrijfswoning opgenomen. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de woning onderdeel is van de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd.

2.2. De Vereniging Milieu Offensief betoogt verder dat vergunningvoorschrift 4.2.2 een hogere geluidbelasting toestaat dan nodig is voor het in werking zijn van de inrichting.

2.2.1. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting de "Nota industrielawaai gemeente Putten" (hierna: de nota) tot uitgangspunt genomen. Er is geen grond voor het oordeel dat dit in strijd met het recht is. De in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden zijn in overeenstemming met de nota. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen concluderen dat deze grenswaarden toereikend zijn ter beperking van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting. Dat, zoals de Vereniging Milieu Offensief betoogt, het toegestane geluidniveau niet op alle momenten zal worden bereikt, maakt dat niet anders.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het college bij toetsing aan de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) ten onrechte een naast de inrichting staand bedrijfsgebouw (hierna: de loods) en het bijbehorende buitenterrein niet heeft aangemerkt als voor stankgevoelige objecten categorie IV. Zij wijzen ter ondersteuning hiervan op het door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak uitgebrachte deskundigenbericht in het bij de Afdeling aanhangige geding in zaak no. 200608145/1. Volgens hen wordt niet aan de ingevolge de Wet stankemissie minimaal aan te houden afstand tot het gebouw en het terrein voldaan, zodat de vergunning ten onrechte is verleend.

2.3.1. Ingevolge artikel 1, tweede lid, onder d, van de Wet stankemissie wordt onder voor stankgevoelig object categorie IV verstaan: een woning, behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning aanwezig mogen zijn , en verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

2.3.2. Bij de naast de inrichting gelegen vestiging van [appellante sub 1] worden gereedschappen, bouwmaterialen, keukens en sanitair verkocht. De vestiging bestaat uit, kort weergegeven, een showroom/winkel, een bedrijfswoning, een kantine, een kantoor, een buitenterrein waarop diverse bouwmaterialen zijn opgeslagen en de naast dit terrein staande loods.

Met uitzondering van de loods heeft het college alle gebouwen aangemerkt als categorie IV-object. Vast staat dat wanneer, zoals [appellante sub 1] en anderen betogen, ook de loods en het buitenterrein als stankgevoelig object categorie IV moeten worden aangemerkt, de vergunning ten onrechte is verleend. In dat geval wordt niet voldaan aan de ingevolge de Wet stankemissie samen met de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden aan te houden afstand.

2.3.3. Gezien artikel 1, tweede lid, onder d, van de Wet stankemissie kunnen uitsluitend gebouwen een stankgevoelig object categorie IV zijn. Reeds hierom kan het buitenterrein, anders dan [appellante sub 1] en anderen betogen, niet als een dergelijk object worden aangemerkt.

2.3.4. Wat de loods betreft overweegt de Afdeling als volgt.

Uitsluitend bebouwing die wordt bewoond of waarin met wonen gelijk te stellen verblijf plaatsvindt kan als 'verspreid liggende niet-agrarische bebouwing' in de zin van artikel 1, tweede lid, onder d, van de Wet stankemissie worden aangemerkt.

Het college heeft erop gewezen dat de loods aan één zijde grotendeels open is. Er worden volumineuze bouwmaterialen in opgeslagen. Klanten kunnen met auto's de loods inrijden om de bouwmaterialen in te laden. De Afdeling acht dit, mede gezien de fotobijlagen bij het door [appellante sub 1] aangehaalde deskundigenbericht, een juiste weergave van de situatie. Het college heeft ervan kunnen uitgaan dat het gebouw gezien de aard ervan - in feite is het hoofdzakelijk een overkapte stelling met te verkopen volumineuze bouwmaterialen - niet kan worden aangemerkt als een gebouw waar zodanig intensief en langdurig verblijf van mensen plaatsvindt, dat het een categorie IV-object in de zin van de Wet stankemissie is.

2.3.5. Gezien het voorgaande heeft het college terecht de loods noch het buitenterrein aangemerkt als categorie IV-object in de zin van de Wet stankemissie. De beroepsgrond faalt.

2.4. De beroepen zijn ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008

262-491.