Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200706432/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Griekenland / Dublinverordening / interstatelijk vertrouwensbeginsel / concrete aanwijzingen / beroep op Britse uitspraak

De vreemdeling heeft voorts gewezen op een uitspraak van het Britse High Court of Justice van 2 juli 2007 in zaak nr. CO/8303/2005 en betoogt dat de rechter in die uitspraak wijst op de eigen verantwoordelijkheid van de Britse autoriteiten die uit artikel 3 EVRM voortvloeit. Die verantwoordelijkheid rust ook op de Nederlandse autoriteiten. Daarom kan bij overdracht in het kader van de Verordening niet worden volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus de vreemdeling. Anders dan waar de vreemdeling kennelijk vanuit gaat, heeft de staatssecretaris blijkens het besluit van 16 mei 2007, bij beantwoording van de vraag of de vreemdeling in het kader van de Verordening kan worden overgedragen aan Griekenland, niet slechts volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar beoordeeld of er concrete aanwijzingen bestaan dat dat land na overdracht van de vreemdeling zijn verplichtingen voortvloeiend uit onder meer het EVRM jegens hem niet zal nakomen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat er geen grond is voor het oordeel dat de staatssecretaris bij die beoordeling tekort is geschoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706432/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/21125 en 07/21127 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 augustus 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Voor zover de staatssecretaris in de enige grief heeft betoogd dat hij zich niet gehouden acht toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), nu de vreemdeling, reeds omdat hij de asielprocedure nog niet heeft doorlopen, niet aan de hand van concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland zijn internationale verplichtingen jegens hem niet zal nakomen, wordt verwezen naar hetgeen ter zake is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2007 in zaak nr. 200704404/1 (www.raadvanstate.nl). Uit die overwegingen vloeit voort dat de grief in zoverre faalt.

2.2. De in de grief in verband met het rapport "UNHCR Position on Important Aspects of Refugee protection in Greece" van de United Nations High Commissioner for Refugees van november 2004 (hierna: het UNHCR-rapport) opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (uitspraak van 13 september 2007 in zaak nr. 200703323/1, www.raadvanstate.nl) beantwoord. De desbetreffende overwegingen van die uitspraak zijn ook in dit geval van toepassing, zodat de grief in zoverre slaagt.

2.3. De in de grief opgeworpen rechtsvraag betreffende de op 27 juni 2007 door de Europese Commissie genomen beslissing om op grond van artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ten aanzien van Griekenland een inbreukprocedure met betrekking tot de uitvoering van de Verordening te starten, heeft de Afdeling eerder (uitspraak van 7 november 2007 in zaak nr. 200706021/1, www.raadvanstate.nl) beantwoord. De desbetreffende overwegingen van die uitspraak zijn ook in dit geval van toepassing, zodat de grief ook in zoverre slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 mei 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor en in de voormelde uitspraken van

13 september 2007 en 7 november 2007 is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.5. De vreemdeling heeft betoogd dat Griekenland zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet naleeft. In dat kader heeft hij verwezen naar een aantal stukken, te weten:

- het UNHCR-rapport;

- het rapport "Amnesty International’s concerns at the 56th session of the Executive Committee of the United Nations High Commissioner for Refugees" van Amnesty International van 1 oktober 2005;

- het rapport "Greece, Out of the spotlight - the rights of foreigners and minorities are still a grey area" van Amnesty International van oktober 2005;

- het "Report on the application of the Dublin II regulation in Europe" van de European Council on Refugees and Exiles (hierna: de ECRE) van maart 2006;

- een artikel "Refugees: without home, without hope" van Joanna Sotirhou;

- een brief van Amnesty International aan de staatssecretaris van 1 juni 2007;

- een brief van Vluchtelingenwerk Nederland aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 3 augustus 2005;

- een note van de UNHCR "The return to Greece of asylum-seekers with "interrupted" claims" van juli 2007 en de begeleidende brief van 26 juli 2007.

2.5.1. Voor zover de vreemdeling zijn betoog heeft toegelicht met het UNHCR-rapport, de rapporten van Amnesty International, het rapport van de ECRE en het artikel van Joanna Sotirhou wordt verwezen naar hetgeen ter zake is overwogen in de onder 2.2. vermelde uitspraak. De note van de UNHCR van juli 2007 heeft betrekking op de toepassing van de zogeheten “interruption-procedure”. Die procedure is in het geval van de vreemdeling evenwel niet aan de orde, omdat hij in Griekenland geen asielaanvraag heeft ingediend. De overige in 2.5. vermelde stukken bevatten met betrekking tot een overdrachtssituatie als hier aan de orde evenmin concrete gegevens dat Griekenland zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens de vreemdeling niet zal nakomen.

2.6. De vreemdeling heeft voorts gewezen op een uitspraak van het Britse High Court of Justice van 2 juli 2007 in zaak nr. CO/8303/2005 en betoogt dat de rechter in die uitspraak wijst op de eigen verantwoordelijkheid van de Britse autoriteiten die uit artikel 3 EVRM voortvloeit. Die verantwoordelijkheid rust ook op de Nederlandse autoriteiten. Daarom kan bij overdracht in het kader van de Verordening niet worden volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus de vreemdeling.

2.6.1. Anders dan waar de vreemdeling kennelijk vanuit gaat, heeft de staatssecretaris blijkens het besluit van 16 mei 2007, bij beantwoording van de vraag of de vreemdeling in het kader van de Verordening kan worden overgedragen aan Griekenland, niet slechts volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar beoordeeld of er concrete aanwijzingen bestaan dat dat land na overdracht van de vreemdeling zijn verplichtingen voortvloeiend uit onder meer het EVRM jegens hem niet zal nakomen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat er geen grond is voor het oordeel dat de staatssecretaris bij die beoordeling tekort is geschoten.

2.7. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 augustus 2007 in zaak nr. 07/21125;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2008

345.

Verzonden: 21 januari 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak