Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
200707214/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / beleid / geldboete

Vast staat dat de vreemdeling ter zake van het plegen van een misdrijf op 9 januari 2003 een transactieaanbod heeft aanvaard van € 50,00 en vanwege een misdrijf door de politierechter bij vonnis van 17 februari 2005 is veroordeeld tot € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1 is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat aldus sprake is van een geval dat onder de in paragraaf B1/2.2.4.4, onderdeel ad c, tweede gedachtestreepje, van de Vc 2000 genoemde categorie valt en de vreemdeling derhalve een gevaar vormt voor de openbare orde. In hetgeen de vreemdeling overigens in beroep heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister de vreemdeling niet in redelijkheid ongewenst heeft kunnen verklaren. Het inleidende beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707214/1.

Datum uitspraak: 21 januari 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/12237 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 12 september 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 september 2007, verzonden op 17 september 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l.

2.2. Volgens paragraaf B1/2.2.4.4, onderdeel ad c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze luidde ten tijde van belang, vallen ten aanzien van voormelde grond de volgende categorieën gevallen te onderscheiden:

"- Gevallen waarin (…);

- Gevallen waarin de vreemdeling bij herhaling is veroordeeld tot een (korte) gevangenisstraf of hem een taakstraf ter zake van een misdrijf is opgelegd, dan wel hij een transactieaanbod ter zake van een misdrijf heeft aanvaard. Door het herhaald plegen van strafbare feiten veroorzaakt deze categorie dusdanige overlast dat ook de niet onherroepelijk opgelegde vrijheidstraf of maatregel in aanmerking wordt genomen;

- Gevallen waarin (…)."

2.3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de rechtbank door te oordelen dat voor de toepasselijkheid van de in voormeld onderdeel van paragraaf B1/2.2.4.4 onder het tweede gedachtestreepje van de Vc 2000 opgenomen beleidsregel, de veroordeling van de vreemdeling bij vonnis van 17 februari 2005 tot een geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis wegens overtreding van de artikelen 310 en 311, eerste lid, aanhef en onder sub 4, van het Wetboek van Strafrecht geen rol kan spelen, niet heeft onderkend dat in het licht van de bij laatstbedoelde categorie uitdrukkelijk genoemde gevallen en het oogmerk van die beleidsregel het niet meetellen van veroordelingen tot betaling van geldboetes ter zake van misdrijven een onlogische uitleg van het beleid inhoudt, zodat duidelijk is dat het niet noemen van een zodanige veroordeling op een omissie berust. Aan de ongegrondverklaring van het door de vreemdeling gemaakte bezwaar is derhalve terecht ten grondslag gelegd dat zij door het herhaald plegen van strafbare feiten, dusdanige overlast veroorzaakt dat zij wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid op grond waarvan zij terecht ongewenst is verklaard, aldus de staatssecretaris.

2.3.1. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 20 september 2007 in zaak nr. 200702206/1; www.raadvanstate.nl) beantwoord. De overwegingen van die uitspraak zijn ook in dit geval van toepassing, zodat de grief reeds hierom slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.5. Vast staat dat de vreemdeling ter zake van het plegen van een misdrijf op 9 januari 2003 een transactieaanbod heeft aanvaard van € 50,00 en vanwege een misdrijf door de politierechter bij vonnis van 17 februari 2005 is veroordeeld tot € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1 is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat aldus sprake is van een geval dat onder de in paragraaf B1/2.2.4.4, onderdeel ad c, tweede gedachtestreepje, van de Vc 2000 genoemde categorie valt en de vreemdeling derhalve een gevaar vormt voor de openbare orde. In hetgeen de vreemdeling overigens in beroep heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister de vreemdeling niet in redelijkheid ongewenst heeft kunnen verklaren.

Het inleidende beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 12 september 2007 in zaak nr. 06/12237, voor zover deze strekt tot gegrondverklaring van het beroep gericht tegen het besluit op het bezwaar tegen de ongewenstverklaring;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit op het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.N.H. Nguyen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Nguyen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2008

421.

Verzonden: 21 januari 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak