Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200702943/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6436, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2005 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) een verzoek van [appellante] om de titel doctorandus (afgekort tot drs.) te mogen voeren, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702943/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 06-402 van de rechtbank Haarlem van 22 maart 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2005 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) een verzoek van [appellante] om de titel doctorandus (afgekort tot drs.) te mogen voeren, afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2005 heeft de hoofddirectie het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2007, verzonden op 28 maart 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 juni 2007 heeft de hoofddirectie van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2007, waar [appellante], vertegenwoordigd door [appellante], en de hoofddirectie, vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7.23, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) is degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan de Informatie Beheer Groep aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van de Informatie Beheer Groep ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

2.2. Ter invulling van de beoordelingsvrijheid die de hoofddirectie op grond van voormeld artikel toekomt, heeft zij de beleidsregel 'Verzoeken tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een buitenlandse opleiding' (Stcrt. 5 augustus 2005, nr. 150, p. 9; hierna: de beleidsregel) vastgesteld. Blijkens de toelichting op deze beleidsregel wordt de gelijkwaardigheid van een opleiding aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs vastgesteld aan de hand van het eindniveau van de opleiding, met als weegfactoren de vooropleidingsvereisten, de nominale studieduur en de nominale studieomvang. Of sprake is van een overeenkomstige opleiding, wordt beantwoord aan de hand van de vraag of voor de buitenlandse opleiding een soortgelijke Nederlandse opleiding bestaat, blijkend uit de bestudeerde vakken, de aanwezigheid van een stage- en/of thesisverplichting, het opleidingskarakter en de opleidingsdoelstelling.

2.3. [appellante] heeft de hoofddirectie verzocht om haar op grond van haar aan de Universidad San Martin de Porres genoten opleiding in de richting tandheelkunde en de door haar behaalde graad van Bachiller en Odontologia en beroepskwalificatie Cirujano Dentista met de daaraan verbonden graad Pregrado toestemming te verlenen de titel doctorandus te voeren. Bij besluit van 13 september 2005 heeft de hoofddirectie dit verzoek afgewezen, omdat de door haar gevolgde opleiding naar het oordeel van de hoofddirectie niet ten minste gelijkwaardig is aan de overeenkomstige Nederlandse opleiding Tandheelkunde. De hoofddirectie heeft zich op basis van een waardering van de opleiding van de Nuffic van 5 september 2005 op het standpunt gesteld dat de door [appellante] gevolgde opleiding moet worden vergleken met ten hoogste drieëneenhalf jaar wetenschappelijk onderwijs in de richting tandheelkunde.

2.4. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank de overwegingen uit de eerdere onherroepelijk geworden uitspraak van 16 juni 2005 in het geding tussen haar en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met betrekking de duur van de opleiding bij haar oordeel had moeten betrekken, kan niet slagen. Deze uitspraak is gewezen in een geding waarbij de hoofddirectie niet was betrokken en het daarin gegeven oordeel over de duur van de gevolgde opleiding bindt partijen, noch de rechtbank in dit geding. De rechtbank had in deze zaak het besluit van de hoofddirectie en in verband hiermee de adviezen van de Nuffic ter zake te toetsen. Dat zij daarbij tot een ander oordeel komt dan het oordeel in de vermelde uitspraak over de duur van de door [appellante] gevolgde opleiding behoefde zij niet nader te motiveren.

2.5. [appellante] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat de hoofddirectie niet de juiste criteria heeft aangelegd bij het beoordelen van de gelijkwaardigheid van haar opleiding. De hoofddirectie heeft de afwijzing ook niet mogen baseren op het advies van de Nuffic, nu deze teveel gewicht heeft toegekend aan de door haar gevolgde middelbare opleiding en is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de door haar gevolgde universitaire opleiding.

2.5.1. Blijkens het door de hoofddirectie gevoerde beleid wordt de gelijkwaardigheid van de gevolgde opleiding aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding vastgesteld aan de hand van het eindniveau van de opleiding. Anders dan [appellante] betoogt betekent dit evenwel niet dat de hoofddirectie geen groot belang mag hechten aan het aanvangsniveau van de gevolgde opleiding. In het beleid zijn de vooropleidingsvereisten als weegfactor bij het bepalen van het eindniveau vermeld. Deze vooropleidingsvereisten zien op het aanvangsniveau van de opleiding. De hoofddirectie mag aan deze weegfactor gewicht toekennen, omdat het aanvangsniveau medebepalend is voor het eindniveau dat binnen de nominale studieduur kan worden behaald. Nu het aanvangsniveau van een opleiding is gerelateerd aan het eindniveau van de middelbare opleiding die tot toelating tot die opleiding leidt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het advies van de Nuffic, waarin onder meer het eindniveau van de middelbare opleiding is betrokken, is gebaseerd op onjuiste criteria.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoofddirectie zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door haar genoten opleiding overeenkomt met vier jaar wetenschappelijk onderwijs, waarvan drie jaar in de tandheelkunde. Daartoe voert zij onder meer aan dat moet worden uitgegaan van de wetgeving en het onderwijssysteem van het land waar de opleiding is genoten. Daaruit vloeit volgens [appellante] voort dat de hoofddirectie bij de beoordeling van het onderhavige verzoek de behaalde graad Pregrado had moeten betrekken als onderdeel van de gevolgde opleiding. Voorts voert zij aan dat bij het bepalen van het aanvangsniveau van de opleiding ten onrechte de door haar voorafgaand aan de universitaire opleiding gevolgde ciclo de preparatión niet is betrokken.

2.6.1. Het betoog dat moet worden uitgegaan van de wetgeving en het onderwijssysteem van het land waar de opleiding is genoten, kan niet worden aanvaard. De WHW vereist dat de opleiding die heeft geleid tot de graad die is verleend op grond waarvan wordt verzocht de titel doctorandus te mogen voeren, naar het oordeel van de hoofddirectie ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding. De hoofddirectie dient derhalve de gelijkwaardigheid van de genoten opleiding te vergelijken met de overeenkomstige Nederlandse opleiding naar Nederlandse maatstaven.

Blijkens de door [appellante] overgelegde stukken heeft zij van augustus 1992 tot mei 1997 de opleiding Bachiller en Odontologia gevolgd. In 1999 heeft ze de beroepskwalificatie Cirujano Dentista met de daarbij behorende graad Pregrado behaald door het schrijven van de tesis de pregrado. De Nuffic heeft op 5 september 2005 advies uitgebracht aan de hoofddirectie inzake het verzoek van [appellante]. Uit dat advies blijkt dat de Nuffic de opleiding van [appellante] tot Bachiller en Odontologia alsmede tot de beroepskwalificatie Cirujano Dentista of Pregrado tezamen heeft gewaardeerd op nominaal vijf en een half jaar onderwijs. De Nuffic komt in haar advies onder meer op grond van de lagere studiebelasting per jaar in vergelijking met de Nederlandse opleiding tot de conclusie dat de totale opleiding van nominaal vijf en een half jaar moet worden gewaardeerd op ongeveer vier jaren wetenschappelijk onderwijs, waarvan drie en een half in de tandheelkunde, vergeleken met de nominaal vijf jaar durende opleiding Tandheelkunde. De Nuffic heeft ter onderbouwing van die conclusie verder gesteld dat het niveau van het middelbaar onderwijs dat toegang biedt tot het universitaire onderwijs, en daarmee het aanvangsniveau, moet worden gewaardeerd op Havo-niveau, waardoor ook het eindniveau van de opleiding lager ligt.

2.6.2. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aanvangsniveau van de opleiding hoger moet worden gewaardeerd dan Havo-niveau. De door [appellante] gevolgde ciclo de preparation noopt niet tot die conclusie. Het gaat immers niet om de vraag wat het opleidingsniveau was van [appellante] bij aanvang van haar universitaire opleiding, maar om de vraag wat het niveau is van de middelbare opleiding die toegang biedt tot de universitaire opleiding, omdat het antwoord op die laatste vraag medebepalend is voor de waardering van het aanvangsniveau van de universitaire opleiding. In dit verband heeft de hoofddirectie betoogd dat het niveau van het middelbaar onderwijs in Peru weliswaar gemiddeld gelijk is aan Havo-niveau, maar dat dit niet voor alle middelbare scholen geldt en de universiteiten om die reden een toelatingsexamen of een voorbereidingscursus als voorwaarde stellen teneinde de studenten die voldoende niveau hebben te kunnen selecteren. Dit standpunt wijkt niet af van hetgeen [appellante] onder meer in haar bezwaarschrift heeft betoogd. Het middelbaar onderwijs geeft toegang tot het universitaire onderwijs. Met het toelatingsexamen wordt getoetst of de middelbare scholier het aanvangniveau van de universiteit aankan. Een ciclo de preparation kan, mits met goede resultaten afgelegd, vrijstelling van het toelatingsexamen opleveren, aldus [appellante]. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat studenten slechts aan een universitaire opleiding mogen beginnen nadat zij een ciclo de preparation hebben gevolgd. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de hoofddirectie zich niet in navolging van de Nuffic op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aanvangsniveau van de universitaire opleiding op Havo-niveau ligt.

2.6.3. De hoofddirectie heeft de Pregrado niet betrokken bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de door [appellante] genoten opleiding, omdat naar het oordeel van de hoofddirectie een beroepskwalificatie niet behoort tot de universitaire opleiding. Niet in geschil is dat de door [appellante] genoten opleiding inclusief Pregrado feitelijk zes jaar en twee maanden heeft geduurd. De hoofddirectie heeft de duur van de opleiding Bachiller en Odontologia zonder Pregrado gewaardeerd op nominaal vijf en een half jaar studie en heeft het niveau van die opleiding, vanwege het lagere aanvangsniveau gewaardeerd op vier jaren wetenschappelijk onderwijs, waarvan drie en een half jaar in de richting tandheelkunde. De nominale studieduur van de tesis de pregrado is door de Nuffic gewaardeerd op zes maanden. Ook als het standpunt van de hoofddirectie dat de Pregrado geen onderdeel uitmaakt van de opleiding onjuist zou zijn, dan nog kan niet worden gekomen tot een opleidingsduur van meer dan vier en een half jaar wetenschappelijk onderwijs, waarvan vier in de richting tandheelkunde. Zelfs indien het standpunt van [appellante] dat de tesis de pregrado gewaardeerd moet worden op acht maanden juist zou zijn, wordt niet toegekomen aan een opleidingsduur van vijf jaar. Het wetenschappelijk onderwijs genoten in de tandheelkunde blijft ook dan vier jaar.

2.6.4. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Nuffic onjuist is, of onzorgvuldig tot stand is gekomen. De hoofddirectie heeft zich mogen baseren op dat advies. Niet is gebleken dat de hoofddirectie in het nadeel van [appellante] van het advies is afgeweken. De rechtbank is gelet op het vorenoverwogene terecht tot het oordeel gekomen dat de hoofddirectie zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de door [appellante] genoten opleiding niet ten minste gelijkwaardig is aan de Nederlandse opleiding tandheelkunde.

Gelet hierop slaagt het onder 2.6 weergegeven betoog niet.

2.7. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank haar belang bij het mogen voeren van de titel doctorandus onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van haar beroep. Gelet op artikel 7.23, derde lid, van de WHW kan het belang van [appellante] bij het mogen voeren van de titel doctorandus niet bij de besluitvorming worden betrokken indien de door [appellante] gevolgde opleiding naar het oordeel van de hoofddirectie niet ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

2.8. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op alle door haar aangevoerde beroepsgronden kan niet leiden tot gegrondbevinding van het hoger beroep, faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

362.