Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200701012/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Nederlandse Erts- en Mineraalbewerking (hierna: de NEM) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het bewerken van ferro alloys, ertsen, mineralen en (gevaarlijke) afvalstoffen aan de Schiedamsedijk 106 te Vlaardingen. Dit besluit is op 29 december 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/515
JAF 2008/5 met annotatie van Van der Meijden
Milieurecht Totaal 2008/2104
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/1093
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701012/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cimcool Industrial Products B.V., gevestigd te Vlaardingen,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Nederlandse Erts- en Mineraalbewerking (hierna: de NEM) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor het bewerken van ferro alloys, ertsen, mineralen en (gevaarlijke) afvalstoffen aan de Schiedamsedijk 106 te Vlaardingen. Dit besluit is op 29 december 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cimcool Industrial Products B.V. (hierna: Cimcool) bij brief van 6 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2007, en [appellante sub 2] bij brief van 7 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2007, beroep ingesteld. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 13 februari 2007.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 juni 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2007, waar Cimcool, vertegenwoordigd door mr. R.W. van Harmelen, advocaat te Rotterdam, en vergezeld door haar [operation manager] en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en vergezeld door haar [directeur] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.E. in 't Veld, ir. F.R. de Jong en ir. J.H.H. van den Elshout, allen in dienst van DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

Tevens is als partij gehoord de NEM, vertegenwoordigd door P.E.J.G.M. van der Ven en ir. M.H. van de Pavoordt.

2. Overwegingen

Inleiding

2.1. Op 14 maart 2003 heeft het college aan de NEM een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het op- en overslaan en het bewerken (malen) van ferro alloys, ertsen, mineralen en (gevaarlijke) afvalstoffen. Sindsdien heeft noch bewerking van deze stoffen plaatsgevonden noch is de inrichting geschikt gemaakt voor bewerking. Ingevolge artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht. Dientengevolge is de vergunning voor zover zij betrekking heeft op het bewerken van vermelde stoffen, van rechtswege vervallen. In het thans bestreden besluit wordt opnieuw vergunning verleend voor het bewerken van ferro alloys, ertsen en mineralen en voor het verwerken van afvalstoffen. Volgens het college is de vergunning van 14 maart 2003 niet vervallen voor zover het betreft het op- en overslaan van de vermelde stoffen, omdat de inrichting in zoverre wel is voltooid en in werking gebracht.

Toezending besluit

2.2. Voor zover door [appellante sub 2] wordt aangevoerd dat het bestreden besluit en de bekendmaking hiervan niet rechtstreeks zijn toegezonden aan haar gemachtigde, overweegt de Afdeling dat, wat hiervan ook zij, het hierbij zou gaan om een onregelmatigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dergelijke onregelmatigheden kunnen de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze beroepsgrond faalt.

Vervallen van vergunning

2.3. [appellante sub 2] bestrijdt dat de inrichting deels is voltooid en in werking gebracht en dat de vergunning slechts gedeeltelijk is vervallen. Volgens haar vormen de voorschriften die aan de vergunning van 14 maart 2003 zijn verbonden één geheel.

2.3.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de bedrijfshal, die bedoeld en geschikt is voor de vergunde op- en overslagwerkzaamheden, volledig in gebruik is, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vergunning van 14 maart 2003 in zoverre niet is vervallen. Dat deze vergunning tevens is verleend voor andere activiteiten dan op- en overslag, maakt niet dat de vergunning daarom in haar geheel is vervallen, omdat niet gebleken is dat de op- en overslag van stoffen niet zelfstandig kan plaatsvinden. Nu bij de milieuhygiënische toetsing van de gevraagde veranderingen voldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen het bestaande en het nieuwe (thans vergunde) gedeelte van de inrichting, heeft het college in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat hij geen revisievergunning heeft behoeven te verlangen. Deze beroepsgrond faalt.

Onduidelijke vergunningsituatie

2.4. [appellante sub 2] betoogt dat het besluit een onduidelijke vergunningsituatie creëert.

2.4.1. Niet kan worden geoordeeld dat de op de inrichting van toepassing zijnde voorschriften in verband met het bestand van vigerende vergunningen zodanig onoverzichtelijk zijn geworden, dat de kenbaarheid en de handhaafbaarheid daarvan in het gedrang kunnen komen.

Wat betreft de uiteenlopende geldigheidsduur van de revisievergunning en de veranderingsvergunning ten aanzien van afvalstoffen, overweegt de Afdeling als volgt. Omdat het verwerken van afvalstoffen een duidelijk van de andere activiteiten in de inrichting te onderscheiden activiteit betreft, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat door het op een later tijdstip vervallen van de voorschriften voor deze activiteit dan de overige voorschriften inzake afvalstoffen, een ondoorzichtige vergunningsituatie ontstaat. Voor zover [appellante sub 2] in dit verband aanvoert dat het college, door het verwerken van afvalstoffen te vergunnen voor een periode van 10 jaar, meer heeft vergund dan is aangevraagd, overweegt de Afdeling dat uit de aanvraag blijkt dat de NEM het college heeft verzocht om verlenging van de in artikel 8.18, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer vermelde termijn voor het voltooien en in werking brengen van de inrichting en wat het bewerken van afvalstoffen betreft niet heeft verzocht om een geldigheidsduur van de vergunning voor deze activiteit van zes jaar.

Over het bezwaar van [appellante sub 2] dat in het bestreden besluit, in tegenstelling tot in de revisievergunning van 2003, de te bewerken afvalstoffen niet worden benoemd, overweegt de Afdeling dat in de aanvraag, die deel uitmaakt van de onderhavige vergunning, is gesteld dat in de soort afvalstoffen die mogen worden geaccepteerd geen verandering optreedt ten opzichte van de in 2003 vergunde situatie. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het college hierin aanleiding had moeten zien om de gevraagde vergunning te weigeren dan wel om nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden.

Het bezwaar dat het besluit een onduidelijke vergunningsituatie creëert, faalt derhalve.

Algemeen toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor vermelde bepalingen komt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Tweede jettliner

2.6. [appellante sub 2] stelt voorts dat in voorschrift 2.8 van de vergunning ten onrechte is bepaald dat voordat een tweede jettliner gebouwd en in bedrijf kan worden genomen een melding als bedoeld in

artikel 8.19 van de Wet milieubeheer dient te zijn gedaan. Volgens [appellante sub 2] is voor het opstellen van een tweede jettliner een veranderings- of revisievergunning vereist, omdat bij het in werking zijn van een tweede jettliner nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten.

2.6.1. De Afdeling stelt vast dat het college bij het bestreden besluit een tweede jettliner heeft geweigerd. Voorschrift 2.8 regelt de procedure die gevolgd dient te worden ingeval de NEM een tweede jettliner in gebruik wil nemen. Welke procedure in die situatie moet worden gevolgd, is echter geregeld in de Wet milieubeheer. Door deze procedure in een voorschrift vast te leggen, heeft het college gehandeld in strijd met het stelsel van deze wet. Het beroep van [appellante sub 2] is in zoverre gegrond.

Stofhinder

2.7. Cimcool vreest voor stofhinder, omdat haar inrichting en die van de NEM aan elkaar grenzen, waardoor volgens haar stof vanuit de inrichting van de NEM haar inrichting zou kunnen binnenkomen. Zij acht de aanvulling op het aan de revisievergunning verbonden voorschrift 3.12 niet toereikend, omdat haars inziens hierin ten onrechte niet is bepaald dat de NEM met dichte deuren moet werken en een stofdichte sluis dient aan te brengen voor de transportbewegingen.

[appellante sub 2] stelt dat de opgenomen voorschriften ter beperking van stofuitworp, in het bijzonder diffuse stofuitworp, ontoereikend zijn, omdat deze onvoldoende concreet zijn.

2.7.1. Het college heeft ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting onder meer de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

Ingevolge voorschrift 3.2 mag de emissieconcentratie van stof naar de lucht, afkomstig uit een emissiepunt van een afzuiginstallatie van een maalinstallatie, te allen tijde per emissiepunt niet meer bedragen dan

5 mg/m3.

Ingevolge voorschrift 3.5 van de revisievergunning, die bij het bestreden besluit van toepassing is verklaard, dient vergunninghoudster door middel van, vooraf opgestelde, schriftelijke instructies voor de maalinstallaties en voor het om-, her- en inpakken er zorg voor te dragen dat diffuse stofuitstoot zoveel mogelijk geminimaliseerd wordt.

Ingevolge voorschrift 3.11 van de revisievergunning mag buiten de inrichting geen visueel waarneembare stofverspreiding naar de atmosfeer optreden.

Ingevolge voorschrift 3.12 van de revisievergunning, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit, dienen de scheidingswanden met Cimcool en [appellante sub 2] dicht te zijn, zodat geen stof- en geurhinder bij deze bedrijven kan optreden. Tijdens het malen dienen de ramen gesloten te zijn.

2.7.2. Bij de beoordeling van het aspect stofhinder heeft het college aansluiting gezocht bij paragraaf 3.2.2 van de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht (InfoMil 2006: hierna de NeR). Voor de emissie van "totaal" stof geldt volgens de NeR bij een emissievracht van 0,2 kilogram per uur of meer een grenswaarde van 5 mg/m3 en is een filtrerende voorziening noodzakelijk.

Voor de stof nikkeloxide geldt volgens paragraaf 3.2.3 van de NeR bij een emissievracht van 2,5 gram per uur of meer een emissie-eis van

0,5 mg/m3.

2.7.3. In het deskundigenbericht is gesteld dat de vergunning geen beperkingen stelt aan het malen van nikkeloxide. Uitgaande van een grenswaarde van 5 mg/m3, op grond waarvan nikkeloxide kan worden verwerkt in een grensmassastroom van meer dan 2,5 gram per uur, wordt volgens het deskundigenbericht de in paragraaf 3.2.3 van de NeR voor nikkeloxide opgenomen grenswaarde van 0,5 mg/m3, behorend bij een grensmassastroom van meer dan 2,5 gram per uur, overschreden.

Niet is gebleken dat deze bevinding onjuist is. Het college heeft in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht daarom niet deugdelijk gemotiveerd waarom vergunningvoorschrift 3.2, wat de stof nikkeloxide betreft, toereikend is. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

Voor het overige hebben Cimcool en [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vermelde voorschriften toereikend zijn om stofhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken.

2.7.4. Voor zover [appellante sub 2] opwerpt dat voorschrift 3.12 van de revisievergunning niet bij het bestreden besluit had mogen worden gewijzigd, overweegt de Afdeling dat indien een veranderingsvergunning wordt verleend, daarbij de voorschriften in de onderliggende vergunning ambtshalve kunnen worden gewijzigd of ingetrokken, voorzover dit binnen het kader van de aanvraag voortvloeit uit de verzochte verandering.

Nu de verzochte verandering ziet op het bewerken (malen) van bepaalde stoffen, moet worden geoordeeld dat deze wijziging voortvloeit uit de verzochte verandering. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om het bestreden besluit in zoverre te vernietigen.

Deze beroepsgrond faalt.

Besluit luchtkwaliteit 2005

2.8. Cimcool en [appellante sub 2] bestrijden de conclusie van het college dat aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes die in het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn opgenomen, wordt voldaan.

2.8.1. Ingevolge artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005), zoals dit luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 μg/m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, zoals dit destijds luidde en voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, onder meer de in artikel 20 vermelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) in acht.

2.8.2. Niet in geschil is dat, indien rekening wordt gehouden met het toegestane aantal overschrijdingsdagen en de zeezoutcorrectie, de grenswaarde van 50 μg/m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie overeenkomt met een jaargemiddelde waarde van 32,4 μg/m3.

Het college heeft in zijn besluit gesteld dat de jaargemiddelde concentratie ter plaatse van de voorziene maalinstallatie in 2007 29,4 ug/m3 zal bedragen. Deze waarde is bepaald aan de hand van de globale achtergrondconcentraties of Grootschalige Concentratievelden Nederland van het Milieu- en Natuurplanbureau (hierna: MNP).

Uit een verspreidingsberekening blijkt volgens het college dat de uitstoot van de inrichting in een "worstcase" scenario de jaargemiddelde concentratie doet toenemen met maximaal 2,3 ug/m3. Daarom kan worden geconcludeerd dat door het malen bij de NEM de afgeleide jaargemiddelde norm uit het Blk 2005 voor zwevende deeltjes niet wordt overschreden, aldus het college.

2.8.3. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft het college bij het bepalen van de gevolgen van het bewerken van stoffen voor de luchtkwaliteit bij de inrichting aansluiting gezocht bij de in het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit opgenomen regels. Ofschoon deze regeling, gelet op het hierin opgenomen overgangsrecht in artikel 17, niet van toepassing is op het bestreden besluit, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gesteld dat het college bij deze regeling, die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds in werking was getreden, geen aansluiting had mogen zoeken.

De Afdeling ziet in hetgeen Cimcool en [appellante sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de representativiteit van de gehanteerde achtergrondconcentratie en de berekende concentratie. Dit bezwaar faalt.

Geluid en trilling

2.9. [appellante sub 2] betoogt dat het college zijn stelling dat wat het aspect geluid betreft de zonegrenswaarde in acht is genomen en dat wat het aspect trillingen betreft aan de grenswaarden uit de SBR-richtlijnen kan worden voldaan, niet deugdelijk heeft onderbouwd.

2.9.1. Het terrein waarop de inrichting is gelegen, is gezoneerd. Het college heeft bij de beoordeling van het geluidaspect de geluidbelasting vanwege het terrein getoetst aan de zonegrenswaarde en de maximaal toelaatbare grenswaarden, die voor een aantal geluidgevoelige objecten binnen de zone zijn vastgesteld. Volgens het college worden deze waarden niet overschreden en past de aangevraagde bedrijfsvoering binnen de vastgestelde zone.

In het deskundigenbericht is gesteld dat er geen reden bestaat om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen, gelet op de redelijk grote afstand van de inrichting tot de hier van belang zijnde zone-informatiepunten. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college vermelde grenswaarden bij zijn besluitvorming niet in acht heeft genomen.

2.9.2. Uit het bij de aanvraag gevoegde rapport van Sight adviseurs voor milieu en landschap (hierna: Sight) van 14 november 2001 blijkt volgens het college dat kan worden voldaan aan de richtlijnen "Schade aan bouwwerken door trillingen" (SBR Richtlijn 1) en "Hinder voor personen in gebouwen door trillingen (SBR Richtlijn 2), die de Stichting Bouwresearch heeft gepubliceerd, mits de BT-molen op een separate (van de omgeving ontkoppelde) fundering wordt opgesteld. Hiertoe is het aan de revisievergunning verbonden voorschrift 4.3 van toepassing verklaard. In dit voorschrift is bepaald dat de BT-molen moet worden opgesteld op een afgeveerde zware fundatie zoals is uitgewerkt in het bij de aanvraag behorende rapport van Sight.

Niet kan worden geoordeeld dat het college bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van dit rapport.

2.9.3. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgrond over de hinderaspecten geluid en trilling faalt.

Externe veiligheid

2.10. Cimcool en [appellante sub 2] achten de voorschriften met betrekking tot de veiligheid ontoereikend. Cimcool en [appellante sub 2] vrezen voor stofexplosies en een daarop volgende brand en stellen dat de aanwezigheid van een veiligheidsbeheerssysteem (hierna: VBS) niet voldoende is om deze explosies te voorkomen.

Cimcool stelt in dit verband dat voor elke maalinstallatie een dubbel uitgevoerd veiligheidssysteem had moeten worden voorgeschreven, welk systeem de zuurstofconcentratie in het maalproces bewaakt.

[appellante sub 2] stelt dat het college ten onrechte geen kieptrechter heeft voorgeschreven boven de plek waar mangaan wordt opgeslagen en bewerkt. Zij voert tevens aan dat niet is voldaan aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het BEVI). Wegens het risico dat zich stofexplosies voordoen, in het bijzonder met de aanwezige toxische stoffen, ligt de risicocontour buiten de grens van de inrichting, aldus [appellante sub 2].

2.10.1. Niet in geschil is dat de inrichting vanwege de mogelijke aanwezigheid van toxische stoffen, te weten nikkeloxide, onder het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (hierna: het BRZO '99) valt en op grond daarvan dient te beschikken over een VBS. Nu op de inrichting het

BRZO '99 van toepassing is, staat, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het BEVI, voorts vast dat de inrichting ook onder het BEVI valt.

In het bestreden besluit is gesteld dat het grootste risico een stofexplosie is van toxische stoffen in de maalmachines. De effecten zullen zich, aldus het college, vrijwel uitsluitend binnen de inrichting voordoen.

Gelet op het deskundigenbericht moet worden aangenomen dat deze stelling juist is. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het BEVI in de weg staat aan vergunningverlening.

2.10.2. Ter voorkoming dan wel beperking van stofexplosies en brand heeft het college in de hoofdstukken 5 en 16 van de revisievergunning voorschriften opgenomen die bij het bestreden besluit van toepassing zijn verklaard op het bewerken van stoffen. In aanvulling hierop zijn in het bestreden besluit nog de voorschriften 5.11 tot en met 5.14 en 16.15 opgenomen.

Volgens het deskundigenbericht is de kans op explosie- en brandgevaar gezien de gestelde voorschriften tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd. Indien zich toch een calamiteit zou voordoen zal, gezien de zware uitvoering van het betonnen ketelhuis en het feit dat dit gebouw op afstand van het grote gebouwencomplex is opgesteld, het effect van deze calamiteit nauwelijks merkbaar behoeven te zijn, aldus het deskundigenbericht.

Ter zitting is voorts onweersproken gesteld dat de maalinstallatie op meerdere punten volledig automatisch wordt bewaakt en pas actief wordt vrijgegeven wanneer op alle punten de juiste waarden na twee keer meten zijn bereikt, zodat de molen in feite meervoudig beveiligd is. Over de kieptrechter heeft de NEM gesteld dat deze voorziening praktisch niet haalbaar is en het risico voor werknemers met zich brengt dat zij bedolven worden onder zand.

Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht en door de NEM is gesteld, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het naast de verplichtingen die reeds voortvloeien uit het

BRZO '99 en naast de voorschriften die ter voorkoming van explosies en brand aan de vergunning zijn verbonden, niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu nog aanvullende voorschriften te stellen.

2.10.3. De beroepsgrond van Cimcool en [appellante sub 2] inzake de externe veiligheid faalt derhalve.

Gevaarlijke afvalstoffen

2.11. [appellante sub 2] stelt dat het bewerken van maximaal 5.000 ton (gevaarlijke) afvalstoffen ten onrechte is vergund. Zij stelt dat er eerst een toereikende acceptatie- en verwerkingsprocedure alsmede een interne controle en administratieve organisatie voor die afvalstoffen had moeten worden opgezet. Het aan de vergunning verbonden voorschrift 13.13 acht zij daarom niet toereikend.

2.11.1. Ingevolge voorschrift 13.12 is het bewerken van gevaarlijke afvalstoffen niet toegestaan.

Ingevolge voorschrift 13.13, voor zover hier van belang, is voorschrift 13.12 niet van toepassing, indien vergunninghouder een beschrijving heeft ingediend, die is goedgekeurd door het bevoegd gezag, van haar acceptatie- en verwerkingsbeleid en de hieraan gekoppelde administratieve organisatie en interne controle met betrekking tot de bewerking van (gevaarlijke) afvalstoffen. De beschrijving zal getoetst worden aan het vigerende Landelijk afvalbeheersplan.

2.11.2. De Afdeling stelt vast dat het bewerken van gevaarlijke afvalstoffen pas is toegestaan, indien het college de door de NEM ingediende beschrijving van haar acceptatie- en verwerkingsbeleid en de hieraan gekoppelde administratieve organisatie en interne controle heeft goedgekeurd. De stelling van [appellante sub 2] is derhalve feitelijk onjuist. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 13.13 toereikend is ter bescherming van het milieu.

Conclusie

2.12. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van Cimcool en van [appellante sub 2] deels gegrond zijn. Het bestreden besluit dient, voor zover dit voorschrift 2.8 betreft en voor zover een grenswaarde van 5 mg/m3 voor nikkeloxide is begrepen in voorschrift 3.2, te worden vernietigd.

Proceskostenveroordeling

2.13. Verweerder dient ten aanzien van Cimcool en [appellante sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van Cimcool Industrial Products B.V. en van [appellante sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 15 december 2006, kenmerk 20224217 415334, voor zover het betreft vergunningvoorschrift 2.8 en voor zover een grenswaarde van 5 mg/m3 voor nikkeloxide is begrepen in voorschrift 3.2;

III. verklaart de beroepen van Cimcool Industrial Products B.V. en van [appellante sub 2] voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij Cimcool Industrial Products B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro); het dient door de provincie Zuid-Holland aan Cimcool Industrial Products B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 655,65 (zegge: zeshonderdvijfenvijftig euro en vijfenzestig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan [appellante sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan Cimcool Industrial Products B.V. en [appellante sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor Cimcool Industrial Products B.V. en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor [appellante sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

255.