Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200702826/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) het verzoek van de stichting Stichting tot Behoud van Ons Erfgoed Geertruidenberg (hierna: de stichting) tot aanwijzing van de spoorbrug over de Donge te Geertruidenberg (hierna: de spoorbrug) als beschermd monument, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702826/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting tot Behoud van Ons Erfgoed Geertruidenberg, gevestigd te Geertruidenberg,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2550 van de rechtbank Breda van 13 maart 2007 in het geding tussen:

de stichting Stichting tot Behoud van Ons Erfgoed Geertruidenberg

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (thans: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) het verzoek van de stichting Stichting tot Behoud van Ons Erfgoed Geertruidenberg (hierna: de stichting) tot aanwijzing van de spoorbrug over de Donge te Geertruidenberg (hierna: de spoorbrug) als beschermd monument, afgewezen.

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door de stichting gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 5 augustus 2004 herroepen, het verzoek van de stichting wederom afgewezen en het besluit van 30 maart 2006 voor het besluit van 5 augustus 2004 in de plaats gesteld.

Bij uitspraak van 13 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 maart 2006 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2007.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2007, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.R.M.M. Serraris, advocaat te Raamsdonksveer, vergezeld door haar voorzitter en haar secretaris, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.H. Visser, werkzaam bij de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, ten eerste, van de Monumentenwet 1988 wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder monumenten: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 kan de minister, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, vraagt de minister, voordat hij ter zake een beschikking geeft, advies aan de raad van de gemeente waarin het monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tevens aan gedeputeerde staten waarin het monument is gelegen.

Ingevolge het zesde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, beslist de minister, de Raad voor cultuur gehoord, binnen tien maanden na ontvangst van het verzoek om aanwijzing.

De uitvoering van de aanwijzingsbevoegdheid was ten tijde hier van belang opgedragen aan de staatssecretaris en berust thans bij de minister.

2.2. De spoorbrug over de Donge te Geertruidenberg dateert van 1883 en maakt deel uit van het Langstraatspoortraject, de zogenoemde Halve Zolenlijn, tussen 's-Hertogenbosch en Lage Zwaluwe. Op dit traject zijn in totaal zes spoorbruggen gelegen.

2.3. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 30 maart 2006 in stand heeft gelaten. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de monumentale waarde van de spoorbrug heeft kunnen beoordelen in het licht van het landelijke bestand aan reeds als beschermd monument aangewezen (spoor)bruggen. Volgens de stichting heeft de rechtbank daarmee miskend dat de staatssecretaris de monumentale waarde van de spoorbrug heeft beoordeeld buiten de context van het Langstraatspoortraject. De stichting wijst er op dat de staatssecretaris wel de vijf andere spoorbruggen die op dit traject zijn gelegen, onder verwijzing naar hun zogenoemde ensemblewaarden, heeft aangewezen als beschermd rijksmonument. Volgens haar kon de staatssecretaris dan ook niet afwijken van de ten behoeve van de aanwijzing door de gemeente Geertruidenberg en gedeputeerde staten van Noord-Brabant uitgebrachte positieve adviezen. De rechtbank is volgens de stichting derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de spoorbrug van onvoldoende monumentale waarde is om aanwijzing als beschermd rijksmonument te rechtvaardigen.

2.3.1. De staatssecretaris heeft het besluit van 30 maart 2006 genomen in overeenstemming met artikel 3, van de Monumentenwet 1988, zoals die bepaling destijds luidde, nadat hij advies had ingewonnen bij de gemeenteraad van Geertruidenberg, gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant en de Raad voor cultuur. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 april 2005 in zaak nr. 200407753/1; www.raadvanstate.nl), is het blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Monumentenwet 1988 de bedoelding van de wetgever geweest dat grote betekenis wordt toegekend aan het advies van de gemeenteraad en het college van gedeputeerde staten, maar dient de staatssecretaris (thans: de minister) zich bij de uitoefening van zijn aanwijzingsbevoegdheid een eigen oordeel te vormen en daarbij een eigen afweging te maken, waarvan niet alleen het advies van de gemeenteraad en het college van gedeputeerde staten, maar ook dat van de Raad voor cultuur onderdeel dient uit te maken. In dit geval hebben de gemeenteraad en gedeputeerde staten positief, en de Raad voor cultuur negatief geadviseerd ten aanzien van de aanwijzing. Nu deze adviezen tegenstrijdig zijn, kon de staatssecretaris, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 augustus 2007 in zaak nr. 200701522/1; www.raadvanstate.nl), niet volstaan met verwijzing naar een van de adviezen, maar diende hij zijn besluit uitdrukkelijk te motiveren.

2.3.2. De staatssecretaris heeft aan zijn besluit van 30 maart 2006 ten grondslag gelegd dat de spoorbrug zeker een bepaald cultuurhistorisch belang heeft als onderdeel van de gedeeltelijk nog bestaande Langstraatspoorlijn, maar dat deze, zoals de Raad voor cultuur ook heeft geadviseerd, afgezet tegen de reeds beschermde bruggen niet van landelijk belang is. Daartoe heeft hij overwogen dat met de eerdere aanwijzing van de Moerputtenbrug het grootste en belangrijkste onderdeel van de Langstraatspoorlijn reeds is beschermd. Afgezet tegen die brug en de meer dan 500 andere beschermde bruggen in Nederland, is de onderhavige spoorbrug volgens de staatssecretaris wat betreft type en constructie niet zo bijzonder dat aanwijzing als monument gerechtvaardigd is. Nu aan het besluit van 30 maart 2006 deze eigen afweging van de monumentale waarde van de spoorburg ten grondslag ligt, faalt het betoog van de stichting dat de staatssecretaris niet aan de positieve adviezen van de gemeenteraad en gedeputeerde staten voorbij heeft mogen gaan.

2.3.3. Voor het overige bestaat geen grond voor het oordeel dat de taatssecretaris bij de beoordeling van de monumentale waarde van de spoorbrug, gegeven de beoordelingsvrijheid die hem hierbij toekomt, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Van de zijde van de staatssecretaris is toegelicht dat de Langstraatspoorlijn niet in haar geheel als complex is aangewezen als beschermd rijksmonument, maar dat de vijf wel aangewezen bruggen op het traject ieder afzonderlijk op hun monumentale waarde beoordeeld zijn. Om voor bescherming als rijksmonument in aanmerking te kunnen komen, diende derhalve ook de spoorbrug zelfstandig wegens haar schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde van algemeen belang te zijn, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, ten eerste, van de Monumentenwet 1988. Zoals de rechtbank op goede gronden heeft overwogen, kon de staatssecretaris de nationale monumentale waarde van de spoorbrug beoordelen in het licht van het landelijke bestand aan reeds beschermde bruggen. De rechtbank is eveneens met juistheid tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uniciteit van de spoorbrug ten opzichte van de reeds beschermde bruggen onvoldoende is om bescherming als rijksmonument te rechtvaardigen. Voor zover de ensemblewaarde van de vijf andere bruggen op het Langstraatspoortraject voor hun aanwijzing redengevend is geweest, komt daaraan geen betekenis toe in het kader van de beoordeling van de monumentale waarde van deze spoorbrug. Zoals de staatssecretaris afdoende heeft toegelicht is ensemblewaarde een toegevoegde waarde die eerst aan orde is wanneer een object over voldoende zelfstandige monumentale waarde beschikt.

2.3.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank de rechtgevolgen van het vernietigde besluit van 30 maart 2006 terecht in stand gelaten.

2.4. Voorts betoogt de stichting tevergeefs dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die zij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Zoals ter zitting is komen vast te staan, heeft zij bij de rechtbank niet met gebruikmaking van een proceskostenformulier een verzoek daartoe ingediend. Verder bestond voor de rechtbank geen reden om uit eigen beweging een vergoeding toe te kennen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtbijstand, nu daarvan in beroep niet is gebleken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

164-496.