Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200703136/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 maart 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/1451
JOM 2008/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703136/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Helden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 28 maart 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 2 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten] en van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2007, waar [appellanten], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door G.P.M. Boonekamp en ing. F.H. Wijnen, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bij besluit van 13 maart 2007 verleende vergunning ziet op het houden van guste en dragende zeugen, opfokzeugen, kraamzeugen, gespeende biggen en beren, verdeeld over een aantal stallen. Stal 6 en een gedeelte van stal 7 zijn uitgerust met een traditioneel stalsysteem.

2.2. [appellanten] voeren aan dat in stal 6 en in het desbetreffende gedeelte van stal 7 ten onrechte niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken zijn toegepast. Zij voeren verder aan dat aan de door [vergunninghouder] op 12 november 2007 ingediende melding tot aanpassing van deze stallen in deze procedure geen betekenis toekomt.

2.3. Het college is van mening dat het niet redelijk is om voor stal 6 en het desbetreffende gedeelte van stal 7, die reeds bestaan en waarvoor eerder een milieuvergunning is verleend, toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken te eisen. Volgens het college zou met de toepassing van de beste beschikbare technieken, zeker in verhouding tot de daarmee gemoeide investeringen, slechts een beperkt milieuvoordeel worden behaald. Verder zoekt het college aansluiting bij het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit). Hoewel het Besluit nog niet in werking is getreden, kan volgens het college worden uitgegaan van de daarin opgenomen overgangstermijnen voor bestaande stallen wat het overschakelen op emissiearme systemen betreft.

Het college acht in deze procedure van belang dat [vergunninghouder] een melding heeft ingediend tot aanpassing van de stallen 6 en 7.

2.4. Op 12 november 2007 heeft [vergunninghouder] een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer bij het college ingediend. Deze melding betreft het voornemen om stal 6 en het desbetreffende gedeelte van stal 7, zoals die bij besluit van 13 maart 2007 zijn vergund, te veranderen door daarin chemische luchtwassers toe te passen. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het college deze melding geaccepteerd. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bij besluit van 13 maart 2007 verleende vergunning kan hiermee geen rekening worden gehouden. Het accepteren van de melding leidt immers niet tot wijziging van de vergunning en de gemelde veranderingen kunnen evenmin worden geacht in de plaats te zijn getreden van de desbetreffende onderdelen van de vergunning. De vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen blijven gelden; het staat [vergunninghouder] dan ook in zoverre vrij de vergunning uit te voeren of te blijven uitvoeren.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.6. Niet in geschil is dat in stal 6 en in het desbetreffende gedeelte van stal 7, zoals die zijn aangevraagd en bij besluit van 13 maart 2007 zijn vergund, niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Gezien artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer moet de vergunning ook worden geweigerd indien in bestaande stallen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Nu verweerder dit heeft miskend, is het besluit van 13 maart 2007 in zoverre in strijd met artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond slaagt.

2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 13 maart 2007 dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Helden van 13 maart 2007, kenmerk 11-07;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Helden tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,93 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en drieënnegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Helden aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Helden aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hennekens w.g. Timmerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

431.