Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200702792/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 19 juli 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Bussum (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met woonruimte op het perceel [locatie] te Bussum (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702792/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Bussum,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/709 en 06/5440 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bussum.

1. Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 19 juli 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Bussum (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met woonruimte op het perceel [locatie] te Bussum (hierna: het perceel).

Bij besluit, verzonden op 9 oktober 2006, heeft het college het daartegen door 10 met name genoemde appellanten gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het bezwaar van de overige 48 appellanten niet-ontvankelijk verklaard en het besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 29 maart 2007, verzonden op 30 maart 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief die 20 april 2007 bij de Raad van State is ingekomen, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 21 juni 2007 heeft [vergunninghoudster a] als rechtsopvolger van [vergunninghoudster] een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2007, waar [een van de appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren NH, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.E. Creijghton-Sluijk en ing. D.J. van Es, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. L. Buiter, advocaat te Utrecht, en [directeur].

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen met succes dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college ten onrechte het bezwaar van 48 appellanten niet-ontvankelijk heeft verklaard. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat van de andere appellanten dan de tien met name genoemde personen die vanaf hun perceel zicht hebben op het bouwplan, gesteld noch gebleken is dat sprake is van andere specifieke omstandigheden die leiden tot de conclusie dat zij alsnog kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. De voorzieningenrechter heeft aldus onvoldoende gewicht toegekend aan het feit, dat verschillende appellanten die geen zicht hebben in de directe nabijheid van het bouwplan woonachtig zijn. De door appellanten gestelde effecten van het te realiseren bouwplan hebben daarbij betrekking op meer dan alleen zicht, nu appellanten hebben gesteld dat de parkeer- en verkeersituatie in de buurt en met name in de aan de achterzijde van het pand gelegen [locatie] na realisering van het bouwplan zal kunnen verslechteren. De conclusie is dat een groot aantal van de appellanten die geen zicht hebben, maar wel in directe omgeving van het bouwplan woonachtig zijn, voldoet aan de vereisten van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.2. Het bouwplan is voorzien op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Prins Hendrikkwartier" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemmingen "Woondoeleinden en kantoren" met de nadere aanwijzing "omcirkelde 3", "Woondoeleinden en kantoren" met de nadere aanwijzing "(zh) geen hoofdgebouwen toegestaan" en "Tuin" rusten. Het bouwplan is met het bestemmingsplan in strijd. Het college heeft blijkens de beslissing op bezwaar de volgende vrijstellingen verleend:

- ingevolge artikel 9, zesde lid, van de planvoorschriften, voor het gebruik als kantoor van de begane grond en de eerste verdieping;

- ingevolge artikel 6, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften, voor de breedte van het hoofdgebouw (0,4 m);

- ingevolge artikel 6, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften, voor de goothoogte (0,8 m);

- ingevolge artikel 3, achtste lid, van de planvoorschriften, voor de overschrijding van de goothoogte door middel van platte dakvlakken.

2.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de bouwgrenzen in afwijking van de kaart en hoofdstuk II van de planvoorschriften uitsluitend worden overschreden door:

a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappenhuizen, galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 1.50 m bedraagt en - in geval van erkers, serres en veranda's - bovendien niet meer bedraagt dan 50% van de diepte van gronden met de bestemming "Tuin";

b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1.00 m bedraagt.

Ingevolge het tweede lid kan het college vrijstelling verlenen van het eerste lid, aanhef en onder a, mits de overschrijding niet meer dan 3.00 m bedraagt.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften kan het college vrijstelling verlenen van de bepalingen van het plan voor:

[…];

d. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 15%;

e. overschrijding van de bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch of esthetisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3.00 m bedragen en geen vergroting van bestemmingsvlakken inhouden anders dan bedoeld onder d.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Woondoeleinden en kantoren" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de huisvesting van personen;

b. de uitoefening van een vrij beroep aan huis;

c. kantoren uitsluitend ter plaatse van gronden met de nadere aanwijzingen "•" of "omcirkelde •", met dien verstande dat op de gronden met de nadere aanwijzing "omcirkelde •" kantoren niet zijn toegestaan op de verdiepingen;

alsmede voor het behoud en/of versterking van de karakteristiek van het pand en het plangebied.

Ingevolge het tweede lid mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd:

a. kantoorruimten;

b. woningen:

c. aanbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het zesde lid kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder c, teneinde kantoren toe te staan op gronden zonder de nadere aanwijzing "•" of "omcirkelde •", met dien verstande dat:

a. het verlenen van vrijstelling niet mag leiden tot aantasting van de karakteristiek van het pand of het plangebied;

[…];

e. ter plaatse van de nadere aanwijzing "omcirkelde 3" vrijstelling mag worden verleend voor het gebruik van het hele pand voor kantoren.

Ingevolge het zevende lid wordt de in het zesde lid bedoelde vrijstelling geacht te zijn verleend voor de bestaande panden die op de plankaart zijn voorzien van een nadere aanduiding overeenkomstig de in het zesde lid onder a t/m e opgenomen nadere aanduidingen waarmee tevens de maximaal toelaatbaar gestelde omvang wordt aangegeven.

2.4. Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college geen gebruik had mogen maken van de vrijstellingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 9, zesde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Zij voeren hiertoe aan dat deze bepaling ziet op gebruik en niet op bouwen. Nu de gronden niet, zoals vermeld in het eerste lid, sub c, de nadere aanwijzing "•" of "omcirkelde •" hebben, is de bouw van een kantoorpand niet toegestaan, aldus appellanten. Zij wijzen in dit verband op de plantoelichting waarin is vermeld dat voor nieuwbouw ten behoeve van kantoren geen vrijstelling kan worden verleend. Omdat het een kantoor betreft, tast het bouwplan tast voorts de gewenste karakteristiek aan, aldus appellanten.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. De gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd, zijn op de plankaart niet voorzien van de nadere aanwijzingen "•" of "omcirkelde •", maar slechts van de nadere aanwijzing "omcirkelde 3". Ingevolge artikel 9, zesde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften kan het college op dergelijke gronden vrijstelling verlenen voor het gebruik van het hele pand voor kantoren. De bouw van kantoorruimten is op gronden met de bestemming "Woondoeleinden en kantoren" toegestaan ingevolge artikel 9, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften.

De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat artikel 9, zesde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften geen onderscheid maakt tussen bestaande en nieuwe panden. Dat in de plantoelichting wordt vermeld dat voor nieuwbouw van kantoren geen vrijstelling wordt verleend, kan, nu dit uit de planvoorschriften niet blijkt, niet tot het door appellanten beoogde doel leiden.

2.5. Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de vrijstellingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, niet mag worden gebruikt om een bestemming te veranderen door de bouw van een kantoor met woonruimte op gronden waar niet de bestemming "Woondoeleinden en kantoren" met de nadere aanwijzing "omcirkelde 3" geldt.

2.5.1. Dit betoog slaagt. Het bouwplan overschrijdt de breedte van het bouwvlak met 40 cm. Voor een deel vindt die overschrijding plaats op gronden met de bestemming "Woondoeleinden en kantoren" met de nadere aanwijzing "(zh)" en voor een deel op gronden met de bestemming "Tuin". Er is derhalve ook sprake van een overschrijding van de bestemmingsgrenzen, waarvoor ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, aparte vereisten gelden. Reeds daarom kon het college geen vrijstelling verlenen krachtens artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Appellanten voeren tevergeefs aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college geen vrijstelling mag verlenen voor een overschrijding van de bouwgrenzen, omdat dit niet wordt genoemd in de limitatieve opsomming van artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat dit artikel slechts bepaalt welke overschrijdingen zijn toegestaan zonder dat het college een vrijstelling daarvoor geeft. Hieruit kan niet worden afgeleid dat geen mogelijkheden voor het verlenen van vrijstelling bestaan voor andere overschrijdingen. Het tweede lid voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid. Voorts kan ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften vrijstelling worden verleend van de in artikel 5, eerste lid, vermelde maten.

2.7. Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat geen vrijstelling had mogen worden verleend, omdat het college geen rekening heeft gehouden met een vermindering van hun woongenot doordat de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse zal verslechteren na realisering van het bouwplan. Zij betogen tevens dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de afweging of medewerking wordt verleend aan vrijstellingen van het bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan een beleidskader geeft waaraan het college zich moet houden.

2.7.1. Dit betoog slaagt niet. Een vrijstelling is bedoeld voor gevallen waarin wordt afgeweken van voorschriften van een bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat het college bij de afweging of het daaraan medewerking wil verlenen een ruime beleidsvrijheid toekomt.

In de beslissing op bezwaar heeft het college erop gewezen dat volgens de geldende parkeernormen voor het kantoor met een bruto-vloeroppervlak van 327 m² 5,5 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd en voor de woonruimte 1,5 parkeerplaats. Voorts gaan de eigenaren van het kantoor, die daar beiden ook werkzaam zijn, in de woonruimte boven het kantoor wonen, zodat feitelijk minder dan 7 parkeerplaatsen nodig zijn. In totaal voorziet het bouwplan in 8 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat thans niet aan de orde is dat in de toekomst mogelijk meer personen in het gebouw kunnen werken. De vrijstelling voor kantoorruimte strekt zich uit over de begane grond en de eerste verdieping. Het college heeft er tevens op gewezen dat, gezien de aard van de in het kantoor te verrichten werkzaamheden, ervan mag worden uitgegaan dat per dag minder cliënten het kantoor zullen bezoeken dan het geval was bij het voorheen op de percelen gevestigde advocatenkantoor, dat ook meer medewerkers had.

Onder deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter terecht niet aannemelijk geacht dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare toename van de parkeer- en verkeersdruk en terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen.

2.8. Het betoog van appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat door middel van de door hen overgelegde zienswijze van architect en stedenbouwkundige ir. H.A. van Steenis van 15 maart 2006, de aanvullingen daarop van 21 maart 2006 en de nadere onderbouwing daarvan van 24 maart 2006, voldoende is aangetoond dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, slaagt niet. Dit betoog is een herhaling van hetgeen appellanten in beroep hebben aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het advies van 24 maart 2006 weliswaar een aanwijzing vormt dat het bouwplan uit welstandsoogpunt mogelijk niet optimaal is, maar dat dit niet wil zeggen dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat het college op het positieve advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit - waarop het college zijn oordeel dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, heeft gebaseerd - heeft mogen afgaan, nu er onvoldoende argumenten zijn om te concluderen dat dit advies ondeugdelijk was.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2006 van het college alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en met artikel 44 van de Woningwet. Het college dient een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding daarin de door appellanten in verband met de adviezen van ir. H.A. van Steenis gemaakte en gedeclareerde kosten te betrekken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2007 in zaak nrs. AWB 07/709 en 06/5440;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bussum van 9 oktober 2006, kenmerk RIB/u/0603276;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bussum tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.337,46 (zegge: dertienhonderdzevenendertig euro en zesenveertig cent), waarvan een gedeelte groot € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bussum aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bussum tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bussum aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Bussum aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 (zegge: driehonderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

270-488.