Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3039

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200607148/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Maasdriel het bestemmingsplan "Rondweg Hedel" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/32 met annotatie van Van Velsen
JOM 2008/180
M en R 2008, 24K
Milieurecht Totaal 2008/1585
Module Ruimtelijke ordening 2008/3745
ABkort 2008/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607148/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

4. [appellant sub 4], gevestigd te [plaats], gemeente Maasdriel,

5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel, naar zij stelt handelend namens de vereniging "Veilig Verkeer Nederland", gevestigd te Huizen,

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

10. [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

13. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats], gemeente 's-Hertogenbosch,

14. [appellant sub 14], gevestigd te [plaats], gemeente Maasdriel,

15. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

16. de vereniging "Vereniging de Kampen Hedel" (verder: vereniging De Kampen), gevestigd te Hedel, gemeente Maasdriel,

17. [appellant sub 17], gevestigd te [plaats], gemeente Maasdriel, en anderen,

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel, en anderen,

19. de vereniging "De Baronie c.s.", gevestigd te Hedel, gemeente Maasdriel, en anderen (verder: De Baronie en anderen),

20. [appellant sub 20], wonend te [woonplaats], gemeente Maasdriel,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Maasdriel het bestemmingsplan "Rondweg Hedel" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 augustus 2006, kenmerk 2006-006636, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 28 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2006, appellanten sub 2 bij brief van 10 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2006, appellant sub 3 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2006, appellante sub 4 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2006, appellanten sub 5 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2006, appellante sub 6 bij faxbericht van 24 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellant sub 7 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellant sub 8 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellant sub 9 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellant sub 10 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellant sub 11 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellant sub 12 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellant sub 13 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellante sub 14 bij faxbericht van 25 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellant sub 15 bij faxbericht van 25 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellante sub 16 bij brief van 25 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2006, appellanten sub 17 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellant sub 18 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, appellante sub 19 bij brief van 24 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, en appellant sub 20 bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, beroep ingesteld.

Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 25 oktober 2006. Appellanten sub 5 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 20 november 2006. Appellante sub 6 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 22 november 2006.

Bij brief van 29 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 april 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2007, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. A. van Beek, advocaat te Tilburg, appellant sub 3, in persoon, appellante sub 4, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellanten sub 5, in persoon, appellante sub 6, vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman, gemachtigde, appellant sub 10, in persoon, appellant sub 11, in persoon, appellante sub 14, vertegenwoordigd door mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden, appellant sub 15, vertegenwoordigd door mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden, appellante sub 16, vertegenwoordigd door mr. dr. L. Bier, advocaat te Vught, appellanten sub 19, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe, advocaat te Enschede, ing. J.H. Windau, ambtenaar van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, ir. S.D. Teeuwisse, en ing. P.H.M. Eijssen, beiden werkzaam bij ingenieursbureau DHV, ing. E.T.M. Vermeulen en drs. E.J.M.W. Waterval, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Hedel, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe, advocaat te Enschede, en A.P.M. Aarts, ambtenaar van de gemeente.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 2 oktober 2007 heeft de Afdeling aan partijen medegedeeld dat zij het onderzoek heeft heropend. Daarbij zijn stukken aan partijen toegezonden en is aan hen de gelegenheid geboden op deze stukken te reageren.

Bij brieven van 5 oktober 2007, 11 oktober 2007, 14 oktober 2007 en 16 oktober 2007 hebben appellanten sub 19, sub 5, sub 16 respectievelijk sub 6, van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Verweerder heeft bij brief van 10 oktober 2007 gereageerd.

Er is met toestemming van partijen afgezien van een nadere zitting.

2. Overwegingen

De ontvankelijkheid

2.1. In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling, kan de Afdeling krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.1. Bij brief van 24 oktober 2006 heeft [appellant sub 6] verklaard dat door haar beroep wordt ingesteld voor Veilig Verkeer Nederland (hierna: VVN). Daarbij heeft zij geen machtiging of andere stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt.

[appellant sub 6] is bij aangetekende brief van 25 oktober 2006 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen door middel van een verklaring waarin staat dat [appellant sub 6] gemachtigd is, welke verklaring moet zijn ondertekend door de daartoe bevoegde personen. Zij is tot en met 22 november 2006 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

2.1.2. Binnen de gestelde termijn heeft [appellant sub 6] een uittreksel van het handelsregister van de Kamers van Koophandel ingebracht, alsmede een brief waarin staat dat [directeur] haar machtigt om in rechte voor VVN op te treden.

In het door [appellant sub 6] toegezonden uittreksel van het handelsregister van de Kamers van Koophandel staat dat [directeur] directeur is van VVN en dat hij een beperkte volmacht heeft om de vereniging in rechte te vertegenwoordigen. Uit de statuten van VVN blijkt niet waartoe deze volmacht strekt. Aan [appellant sub 6] is door de Afdeling gelegenheid geboden aan te tonen dat een verklaring van [directeur] voldoende is om vertegenwoordiging door haar aan te nemen, hetzij een verklaring in te brengen van andere daartoe bevoegde bestuursleden, waaruit die vertegenwoordiging blijkt. [appellant sub 6] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Gelet hierop is de verklaring van [directeur] onvoldoende om de door [appellant sub 6] gestelde vertegenwoordiging aan te nemen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het beroep, ingediend door [appellant sub 6], is niet-ontvankelijk.

Het plan

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in de rondweg N831 ten noorden van de kern Hedel.

De voorziene rondweg begint ten noordwesten van de kern Hedel en kruist de Veldweg door middel van een in het plan voorziene rotonde. Vervolgens voorziet het plan in de herinrichting van de Baronieweg, waarna de Oude Rijksweg door middel van een in het plan voorziene rotonde wordt gekruist. Dit deel van de weg wordt ook aangeduid als het westelijk deel van de rondweg.

Ten oosten van de Oude Rijksweg (ook: het oostelijk deel van de rondweg) voorziet het plan in een nieuw aan te leggen weg met een onderdoorgang onder de spoorlijn Den Bosch-Utrecht en vervolgens in de verbinding met de bestaande Drielseweg.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Procedurele aspecten

Toezending ontwerpplan

2.4. [appellant sub 14] en [appellant sub 15] betogen dat het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte niet voorafgaand aan de terinzagelegging daarvan aan hen is toegezonden. Volgens hen is hiermee in strijd met artikel 3:13 van de Awb gehandeld.

2.4.1. Ingevolge artikel 3:13 van de Awb zendt, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Vast staat dat het onderhavige bestemmingsplan niet een besluit is dat tot een of meer belanghebbenden is gericht. Reeds hierom faalt het betoog van [appellant sub 14] en [appellant sub 15], dat door het niet toezenden van het ontwerpbesluit in strijd is gehandeld met artikel 3:13 van de Awb.

Toezending bestreden besluit

2.5. [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18] en [appellant sub 20] hebben aangevoerd dat het bestreden besluit ten onrechte niet aan hen is toegezonden, wat volgens hen in strijd is met artikel 28, vijfde lid, van de WRO.

Appellante vereniging De Kampen stelt dat verschillende onderzoeksrapporten ten onrechte niet bij het bestreden besluit ter inzage hebben gelegen.

De Afdeling overweegt dat bovengenoemde bezwaren betrekking hebben op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Onderzoeksrapporten

2.6. [appellanten sub 5] en vereniging De Kampen stellen dat verschillende bij het plan behorende stukken ten onrechte niet bij het ontwerpplan, respectievelijk het vastgestelde plan, ter inzage zijn gelegd. Zij wijzen daarbij op verschillende stukken die door onderzoeksbureau Megaborn zijn opgesteld.

2.6.1. Bij het raadsbesluit is als bijlage een notitie van Megaborn Traffic Development B.V. (verder: Megaborn) gevoegd, gedateerd 13 december 2005. Bij de plantoelichting is als bijlage gevoegd een notitie van Megaborn gedateerd 15 december 2005 (verder: de notities Megaborn).

De Afdeling stelt vast dat beide notities dateren van na afloop van de termijn van terinzagelegging van het ontwerpplan, die liep van 13 oktober 2005 tot en met 24 november 2005. Reeds om die reden konden zij niet met het ontwerpplan ter inzage worden gelegd en bestaat in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat in strijd met artikel 3:11 van de Awb is gehandeld.

Voor zover appellanten betogen dat beide voornoemde notities Megaborn ten onrechte niet met het vastgestelde plan ter inzage zijn gelegd, overweegt de Afdeling dat deze notities bij het raadsbesluit en de plantoelichting behoren en als bijlage aan die stukken zijn gehecht. Nu niet in geschil is dat de plantoelichting en het raadsbesluit ter inzage hebben gelegen, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de beide notities niet met het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen.

2.7. [appellanten sub 5] en vereniging De Kampen betogen dat zij voorafgaand aan het bestreden besluit ten onrechte niet in kennis zijn gesteld van verschillende in het kader van het bestreden besluit opgestelde onderzoeksrapporten, althans dat zij onvoldoende gelegenheid hebben gehad om voorafgaand aan de besluitvorming van verweerder op die rapporten te reageren.

2.7.1. In opdracht van verweerder is een rapport opgesteld genaamd "Onderzoek vrachtwagenbewegingen op de Baronieweg te Hedel" (verder: het rapport Megaborn) en gedateerd 5 april 2006. Vast staat dat het rapport Megaborn is uitgebracht nadat het vastgestelde plan ter inzage heeft gelegen en dat het rapport voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit aan verweerder bekend is geworden. Niet in geschil is dat het rapport Megaborn niet voorafgaand aan het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van het plan door verweerder aan de indieners van bedenkingen, waaronder appellanten, is toegestuurd.

De Afdeling stelt voorop dat uit de WRO, noch enig andere bepaling volgt dat verweerder gehouden is de indieners van bedenkingen, door toezending dan wel terinzagelegging, in kennis te stellen van stukken met betrekking tot het plan die na de terinzagelegging van het vastgestelde plan aan hem bekend worden. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit omtrent goedkeuring aanleiding bestaan de indieners van bedenkingen in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en aan hen de gelegenheid te bieden hierop te reageren.

Wat betreft onder meer de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid ter plaatse van het westelijk deel van de rondweg, heeft verweerder het bestreden besluit uitdrukkelijk gemotiveerd onder verwijzing naar het rapport Megaborn. In het rapport Megaborn zijn de resultaten neergelegd van een onderzoek naar de aantallen vrachtwagenbewegingen op de Baronieweg, de bijzondere parkeermanoeuvres van die vrachtwagens en de gevolgen daarvan voor de doorstroming en verkeersveiligheid op die weg. Het rapport Megaborn is blijkens het bestreden besluit dragend en doorslaggevend geweest voor de beslissing van verweerder omtrent de door appellanten ingebrachte bedenkingen aangaande verkeersveiligheid.

Verweerder heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat het rapport Megaborn slechts een aanvulling vormt op eerdere onderzoeken en dat het in zoverre geen nieuwe feiten of conclusies bevat. De Afdeling overweegt hierover dat verweerder het rapport Megaborn weliswaar gebruikt ter motivering van het reeds eerder ingenomen standpunt dat het plan niet tot een onaanvaardbare stagnatie of verkeersonveiligheid leidt, maar dat in het rapport Megaborn specifiek wordt ingegaan op de concrete situatie op de Baronieweg, met name wat betreft de vrachtwagenbewegingen. In de eerdere verkeersrapporten, waaronder de notities Megaborn, zijn dergelijke gegevens niet opgenomen.

Gelet op het voorgaande lag het naar het oordeel van de Afdeling in de rede het rapport Megaborn ter inzage te leggen dan wel aan appellanten toe te zenden en hun in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Nu verweerder een en ander heeft nagelaten, is het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op het westelijk deel van de rondweg, niet genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog van appellanten slaagt.

2.7.2. In opdracht van verweerder is opgesteld het rapport "Actualisatie luchtberekening Omlegging N831, herberekening luchtberekening voor het VKA met CAR II versie 5.0" (verder: de Actualisatie luchtkwaliteit), gedateerd 27 juni 2006.

Met betrekking tot de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit heeft verweerder het bestreden besluit gemotiveerd onder verwijzing naar de Actualisatie luchtkwaliteit. De uitgangspunten, resultaten en conclusies van de Actualisatie luchtkwaliteit wijken af van de uitgangspunten, resultaten en conclusies van luchtkwaliteitsonderzoeken die eerder in het kader van het plan zijn uitgevoerd. Onder meer wordt in de Actualisatie luchtkwaliteit geconcludeerd dat geen overschrijding van de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 genoemde grenswaarden plaatsvindt, waar in eerdere onderzoeken een overschrijding was berekend.

Verweerder heeft de Actualisatie luchtkwaliteit voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit aan appellanten toegezonden, waarbij hij hun een termijn van twee weken heeft gegeven om op het rapport te reageren. Met betrekking tot de stelling van appellanten dat de door verweerder gestelde termijn te kort is om adequaat op de Actualisatie luchtkwaliteit te kunnen reageren, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat appellanten hun argumenten tegen de Actualisatie luchtkwaliteit niet binnen de genoemde termijn naar voren hadden kunnen brengen. Daarbij is van belang dat nadere stukken ter toelichting en onderbouwing van die argumenten, zoals bijvoorbeeld een rapport van een luchtkwaliteitsdeskundige, niet reeds tijdens de voor het indienen van een reactie gestelde termijn behoeven te worden ingebracht. Onder deze omstandigheden geeft het aangevoerde geen aanleiding de handelwijze van verweerder wat betreft de Actualisatie luchtkwaliteit onzorgvuldig te achten.

2.7.3. Op 25 januari 2006 is het rapport "Rondweg Hedel, Visie landschappelijke inpassing" (verder: de Landschapsvisie) uitgebracht. Verweerder heeft in de overwegingen van het bestreden besluit verwezen naar de Landschapsvisie. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de landschappelijke inpassing van de weg voldoende gewaarborgd is door het opnemen van de in de in artikel 4.3.2. van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen, waarin staat dat de voorziene rondweg landschappelijk goed in de omgeving ingepast dient te worden. Ingevolge dat planvoorschrift dient de basis voor deze landschappelijke inpassing een aan de uitvoering van de werkzaamheden voorafgaand opgesteld landschapsplan te zijn.

Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de Landschapsvisie niet zozeer is aan te merken als een rapport dat dragend is voor de motivering van het bestreden besluit, als wel als een rapport ter uitvoering van de in het planvoorschriften neergelegde vereisten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, de indieners van bedenkingen de gelegenheid had moeten bieden op de Landschapsvisie te reageren.

Persoonlijke kennisgeving van de artikel 13 WRO-aanwijzing

2.8. Appellante vereniging De Kampen stelt dat ten onrechte geen persoonlijke kennisgeving is gedaan van de artikel 13 WRO-aanwijzing aan de kadastrale rechthebbenden van percelen waarop de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" rust.

2.8.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de WRO, kunnen bij een bestemmingsplan, voor zover het gronden betreft, waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen, ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht.

Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de WRO, geschiedt van de aanwijzing van gronden als bedoeld in artikel 13, eerste lid, afzonderlijke kennisgeving aan degenen die in de kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van die gronden of rechthebbende op een beperkt recht waaraan die gronden onderworpen zijn.

2.8.2. Op het westelijk deel van het plangebied, vanaf de westelijke grens van het plangebied tot en met de rotonde ter plaatse van de Oude Rijksweg, hebben de plandelen met de bestemmingen "Infrastructurele doeleinden" en "Water" tevens de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is".

Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften worden de als zodanig op de plankaart aangeduide gronden in de naaste toekomst voor de verwerkelijking van het plan nodig geacht, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de WRO.

2.8.3. Verweerder en de gemeenteraad stellen dat namens het college van burgemeester en wethouders aan alle kadastraal rechthebbenden met betrekking tot de gronden waarop in het plan de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" rust, een brief is gestuurd ter persoonlijke kennisgeving als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de WRO. Verweerder en de gemeenteraad hebben daarbij gewezen op een lijst van kadastraal rechthebbenden, waarop tevens de adressen van die rechthebbenden zijn vermeld. Verder wijzen zij op kopieën van brieven, gedateerd 7 oktober 2005 en gericht aan de rechthebbenden die op voornoemde lijst staan, waarin mededeling wordt gedaan van de artikel 13 WRO-aanwijzing. De Afdeling acht gelet op deze stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat aan de kadastraal rechthebbenden van percelen waarop de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" rust, een persoonlijke kennisgeving is gedaan.

Ruimtebeslag westelijk deel van de rondweg

2.9. [appellant sub 3], [appellant sub 4] en De Baronie en anderen voeren aan dat het plan ten onrechte betrekking heeft op delen van aan de Baronieweg gelegen bedrijfs- en woonpercelen. Volgens hen staat vast dat deze gronden, of althans een deel ervan, niet voor de verwezenlijking van het plan zullen worden gebruikt. In dat verband betogen zij verder dat delen van de gronden met de bestemming "Infrastructurele doeleinden" ter plaatse van de Baronieweg, waaronder een deel van hun perceel, ten onrechte de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" hebben gekregen. Volgens hen zijn deze gronden niet in de naaste toekomst voor de verwerkelijking van het plan nodig.

2.9.1. Zoals in 2.2. overwogen voorziet het plan onder meer in de herinrichting van de Baronieweg. Het plan omvat, naast de gronden ter plaatse van de huidige Baronieweg, stroken grond grenzend aan beide zijden van die bestaande weg. Blijkens de plankaart en het deskundigenbericht omvat het plan delen van de bedrijfs- en woonpercelen van onder meer [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 1], [appellant sub 20], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18] en de Baronie en anderen.

2.9.2. In het deskundigenbericht staat dat delen van de gronden met de bestemming "Infrastructurele doeleinden" en de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" ter plaatse van de Baronieweg niet zullen worden gebruikt voor de verwezenlijking van het plan. Ter zitting hebben verweerder en de gemeenteraad desgevraagd bevestigd dat de gronden van [appellant sub 3] ter plaatse van het perceel [locatie sub 3] niet voor de verwezenlijking van het plan zullen worden gebruikt en verklaard dat dit reeds voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit aan verweerder bekend was. Ter zitting is verder gebleken dat de reden dat de gronden van [appellant sub 3] niet langer nodig zijn, is dat is besloten ten behoeve van de herinrichting minder gronden ten zuiden van de Baronieweg te gebruiken dan oorspronkelijk werd beoogd.

Nu vast staat dat de bestemming "Infrastructurele doeleinden" op de gronden ter plaatse van het perceel [locatie sub 3] niet zal worden verwezenlijkt, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Infrastructurele doeleinden" op het deel van het perceel [locatie sub 3] van [appellant sub 3] dat in het plan is opgenomen, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot het standpunt van verweerder, dat de bestemming "Infrastructurele doeleinden" ter plaatse reeds is verwezenlijkt omdat de gronden in gebruik zijn als tuin en dit onder de functie "groenvoorzieningen" valt die in de doeleindenomschrijving van die bestemming is opgenomen, overweegt de Afdeling dat het leggen van de bestemming "Infrastructurele doeleinden" op de gronden van appellant [appellant sub 3], gelet op artikel 4 van de planvoorschriften, een wijziging of beperking van zijn gebruiks- en bouwmogelijkheden kan inhouden die niet door zwaarwegende belangen wordt gerechtvaardigd, nu de herinrichting van de Baronieweg niet tot het leggen van die bestemming noopt.

Uit de omstandigheid dat vast staat dat de bestemming "Infrastructurele doeleinden" op de in het plan opgenomen gronden ter plaatse van het perceel [locatie sub 3] niet zal worden verwezenlijkt, volgt voorts dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" op deze gronden niet in strijd is met artikel 13 van de WRO.

2.9.3. Wat betreft het betoog van appellanten met betrekking tot de overige gronden van appellanten die aan de Baronieweg liggen, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op de door verweerder genoemde reden voor het ontvallen van de noodzaak aan het gebruik van de gronden van [appellant sub 3] voor de herinrichting van de Baronieweg, namelijk dat minder gronden ten zuiden van de Baronieweg voor de herinrichting worden aangewend, acht de Afdeling voorts niet uitgesloten dat ook delen van andere bedrijfs- en woonpercelen aan de Baronieweg niet voor de verwezenlijking van het plan gebruikt zullen worden en dat de in het plan opgenomen bestemmingen voor die gronden derhalve niet zullen worden verwezenlijkt. Verweerder heeft in dit verband onvoldoende inzichtelijk gemaakt of, en in hoeverre de door het gemeentebestuur en verweerder voorgestane herinrichting van de Baronieweg meebrengt dat delen van aan de Baronieweg liggende percelen zullen worden aangewend om de bestemming "Infrastructurele doeleinden" te verwezenlijken. Gelet hierop heeft verweerder voorts onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke gronden de voorgestane herinrichting noopt tot het opnemen van de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is".

Strategische milieubeoordeling

2.10. Appellante vereniging De Kampen stelt dat voor het bestemmingsplan ten onrechte geen milieubeoordeling is uitgevoerd als bedoeld in Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG L 197) (verder: de SMB-richtlijn).

2.10.1. Op grond van het in artikel 13, derde lid, van de SMB-richtlijn neergelegde overgangsrecht is deze richtlijn van toepassing op plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na 21 juli 2004, dan wel plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan vierentwintig maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving. Nu het voorontwerp-bestemmingsplan met ingang van 24 juni 2004 ter inzage is gelegd en het plan op 9 februari 2006 is vastgesteld, valt het onderhavige bestemmingsplan onder het in artikel 13, derde lid, van de SMB-richtlijn neergelegde overgangsrecht. De SMB-richtlijn is derhalve niet op het plan van toepassing, zodat op grond hiervan geen verplichting bestond een milieubeoordeling voor het plan uit te voeren.

2.11. Voor zover appellante vereniging De Kampen betoogt dat het bestemmingsplan is gebaseerd op het streekplan Gelderland 2005 en dat voor het streekplan een milieubeoordeling als bedoeld in de SMB-richtlijn had moeten worden opgesteld, overweegt de Afdeling dat artikel 4a, eerste lid, van de WRO, noch een andere wettelijke bepaling verplicht tot het vaststellen van een streekplan. Voorts doet zich in het onderhavige geval niet de situatie voor dat de plicht een streekplan vast te stellen voortvloeit uit een andere bestuursrechtelijke regeling, bijvoorbeeld een hoger ruimtelijk plan. Het streekplan Gelderland 2005 is, gelet op het vorenstaande, niet aan te merken als een plan of programma dat door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen is voorgeschreven. Ingevolge artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn, valt dit streekplan derhalve niet onder de werking van de SMB-richtlijn. Reeds om die reden faalt het betoog van appellante.

2.12. Volgens appellante vereniging De Kampen vloeit uit de SMB-richtlijn voort dat de rondweg niet in een bestemmingsplan zou moeten worden geregeld, maar in een besluit dat op regionaal of provinciaal niveau wordt genomen.

2.12.1. De Afdeling stelt vast dat de SMB-richtlijn blijkens artikel 1 ervan tot doel heeft te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma's, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling, door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma's die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben, overeenkomstig deze richtlijn aan een milieubeoordeling worden onderworpen. De bepalingen van de SMB-richtlijn strekken er derhalve toe aan bepaalde plannen of programma's de plicht te koppelen een milieubeoordeling op te stellen, omdat dat plan of programma bepaalde milieugevolgen kan hebben. Nog daargelaten de werking van de SMB-richtlijn, stelt de Afdeling vast dat uit de SMB-richtlijn geen verplichtingen voortvloeien om plannen, die bepaalde milieugevolgen hebben, op een bepaald bestuurlijk niveau vast te stellen. Het betoog van appellante faalt.

Streekplan

2.13. [appellanten sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20] en De Baronie en anderen betogen dat het plan in strijd is met het streekplan. Volgens hen is ten onrechte geen herziening van het streekplan opgesteld.

[appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren aan dat de mogelijkheden voor inspraak in de fase van totstandkoming van het Streekplan Gelderland 1996 op oneigenlijke wijze zijn beperkt.

2.13.1. Eerder was het tracé voor het oostelijke deel van de rondweg als concrete beleidsbeslissing (verder: cbb) in de "Partiële herziening inzake omlegging N831 Hedel (oostelijk deel)" van het Streekplan Gelderland 1996 vastgelegd. Bij uitspraak van 3 november 2004 (zaaknr. 200308644/1) heeft de Afdeling het tegen deze cbb ingestelde beroep gegrond verklaard en deze cbb vernietigd.

Op 20 september 2005 is het streekplan Gelderland 2005 in werking getreden, waarin geen cbb's zijn opgenomen. Zoals in overweging 2.2. vermeld, is de rondweg thans in het in geding zijnde bestemmingsplan geregeld.

De Afdeling overweegt dat geen rechtsregel is aan te wijzen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat het onderhavige plan ziet op een provinciale weg, op zichzelf meebrengt dat het gemeentebestuur niet bevoegd is een bestemmingsplan vast te stellen.

Voor zover appellanten stellen dat het plan moet worden getoetst aan het streekplan Gelderland 1996, overweegt de Afdeling dat verweerder bij het nemen van het besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan rekening dient te houden met de relevante feiten en omstandigheden ten tijde van dat besluit, waaronder de geldende wet- en regelgeving en het ter zake geldend beleid. Verweerder heeft terecht getoetst aan het streekplan Gelderland 2005. Hieruit volgt tevens dat de bezwaren van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] over de wijze waarop het Streekplan Gelderland 1996 tot stand is gekomen, in het kader van dit plan niet aan de orde kunnen komen.

2.13.2. Wat betreft de door appellanten gestelde strijdigheid van het plan met het streekplan, stelt de Afdeling vast dat in het streekplan Gelderland 2005 slechts staat dat een voorbereidingstraject is gestart voor onder meer de aanleg van de rondweg Hedel. In het streekplan Gelderland 2005 staat voorts dat is besloten deze weg planologisch vast te leggen in een bestemmingsplan. Niet is gebleken dat het bestemmingsplan in strijd is met het streekplan Gelderland 2005.

Milieueffectrapportage

Eerste ruimtelijke plan

2.14. [appellant sub 14] en [appellant sub 15] voeren aan dat niet het bestemmingsplan, maar het streekplan Gelderland 1996, respectievelijk het streekplan Gelderland 2005, moet worden aangemerkt als het eerste ruimtelijke plan dat in de aanleg van de rondweg Hedel voorziet. Volgens hen had in het kader van het streekplan een milieueffectrapport (verder: MER) moeten worden opgesteld.

2.14.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (verder: de Wm), in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (verder: Besluit m.e.r. 1994), beide zoals deze tot 28 september 2006 golden, worden als activiteiten bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge onderdeel C, categorie 1.2, van het Besluit m.e.r. 1994, zoals dit tot 28 september 2006 gold, is de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste voorziet in de aanleg van een autosnelweg of autoweg, niet zijnde een hoofdweg, m.e.r.-plichtig. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan voorziet in deze activiteit.

2.14.2. Zoals in overweging 2.13.1. is vermeld, was in de "Partiële herziening inzake omlegging N831 Hedel (oostelijk deel)" van het Streekplan Gelderland 1996, het tracé voor het oostelijke deel van de omlegging van de N831 als cbb vastgelegd en heeft de Afdeling bij uitspraak van 3 november 2004 (zaaknr. 200308644/1) het tegen deze cbb ingestelde beroep gegrond verklaard en deze cbb vernietigd.

De rechtsgevolgen van de vernietiging van de in de partiële herziening neergelegde cbb brengen mee dat deze partiële herziening van het streekplan reeds daarom niet kan worden aangemerkt als eerste ruimtelijke plan dat voorziet in de rondweg.

2.14.3. Het streekplan Gelderland 2005, dat van kracht was ten tijde van de voorbereiding en vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan, vormt een integrale herziening van het Streekplan Gelderland 1996 en de daaropvolgende partiële herzieningen. Het streekplan Gelderland 2005 bevat met betrekking tot de aanleg van de rondweg geen besluiten als bedoeld in artikel 4a, gelezen in samenhang met artikel 1, van de WRO. De vaststelling van het bestemmingsplan moet derhalve worden beschouwd als het besluit dat als eerste in de aanleg van de rondweg Hedel voorziet. Dit bestemmingsplan is derhalve terecht aangemerkt als het eerste ruimtelijke plan dat in de activiteit, waarvoor het opstellen van een MER verplicht is, voorziet.

Verkorte m.e.r.-procedure

2.15. [appellanten sub 1], [appellanten sub 5] en vereniging De Kampen betogen dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de verkorte m.e.r.-procedure als bedoeld in artikel 7.16 van de Wm.

2.15.1. Als wordt beschikt over een MER waarin de activiteit waarop het plan betrekking heeft reeds is beschreven, en dat MER voorts is opgesteld overeenkomstig de voor een MER geldende procedurele en inhoudelijke eisen van de Wm, kan bij de voorbereiding van het milieueffectrapport dat dient te worden opgesteld in het kader van het eerste ruimtelijk plan dat de m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk maakt, desgewenst in beginsel toepassing worden gegeven aan de zogeheten verkorte m.e.r.-procedure van artikel 7.16 van de Wm.

2.15.2. In juni 2001 is door DHV het rapport "Milieueffectrapport, Omlegging N831 te Hedel" (verder: het MER 2001) uitgebracht. Het MER 2001 is oorspronkelijk opgesteld ten behoeve van de vaststelling van de "Partiële herziening inzake omlegging N831 Hedel (oostelijk deel)" van het streekplan Gelderland 1996. Het MER 2001 is opgesteld teneinde een afweging te kunnen maken inzake de oplossing van de doorgaand verkeersproblematiek in de kern Hedel ten gevolge van de voorziene afsluiting van de aansluiting Hedel-de Lucht op de A2. In het MER 2001 zijn, naast het nulalternatief, een nulplusalternatief, een meest milieuvriendelijk alternatief en een omleggingsalternatief met verscheidene varianten beschreven en vergeleken. De rondweg Hedel zoals in het onderhavige bestemmingsplan voorzien, is in het MER 2001 beschreven als een variant van het omleidingsalternatief, namelijk de variant die ter plaatse van het westelijk deel loopt over de Baronieweg en waarbij het oostelijke deel de spoorlijn Utrecht-'s-Hertogenbosch middels een tunnel kruist.

In het kader van de planvaststelling is door DHV voorts opgesteld het rapport "Omlegging N831 te Hedel, Aanvulling op het MER" (verder: de Oplegnotitie), gedateerd 14 juni 2005. Met betrekking tot de Oplegnotitie is toepassing gegeven aan artikel 7.16 van de Wm. In de Oplegnotitie zijn de gegevens uit het MER 2001 geactualiseerd en aangevuld.

Het MER 2001 en de Oplegnotitie vormen samen het MER dat voor het onderhavige plan is opgesteld.

2.16. Anders dan appellante vereniging De Kampen betoogt, staat de omstandigheid dat de Afdeling in de uitspraak van 3 november 2004 over de in overweging 2.13.1. genoemde partiële herziening van het streekplan geen onherroepelijk oordeel heeft gegeven over de procedure die het MER 2001 heeft doorlopen of de inhoud van het MER 2001, niet in de weg aan de toepassing van de verkorte m.e.r.-procedure.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante dit argument heeft aangevoerd omdat zij vreest voor een beperking van haar beroepsmogelijkheden. De Afdeling overweegt daaromtrent dat het oorspronkelijke MER 2001 aan de orde kan worden gesteld in het kader van het besluit ter voorbereiding waarvan toepassing is gegeven aan artikel 7.16 van de Wm. Dit brengt mee dat de procedurele en inhoudelijk bezwaren van appellanten met betrekking tot dit MER 2001 in het kader van de onderhavige procedure ten volle aan de orde kunnen komen en zullen worden beoordeeld.

2.17. [appellanten sub 5] en vereniging De Kampen betogen dat de omstandigheid dat de procedurevereisten van 7.12 tot en met 7.15 van de Wm bij de verkorte m.e.r.-procedure niet worden toegepast, tot gevolg heeft dat ten onrechte niet in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de milieubesluitvormingsprocedures zijn geboden voordat het m.e.r.-plichtige besluit wordt genomen, zoals artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn vereist.

2.17.1. In artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn staat dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de milieubesluitvormingsprocedures dient te krijgen. Het betrokken publiek heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen.

2.17.2. Bij de toepassing van artikel 7.16 van de Wm is bepalend dat wordt beschikt over een MER waarin de activiteit waarop het plan betrekking heeft reeds is beschreven, welk MER voorts moet voldoen aan de voor het opstellen van een MER geldende eisen met betrekking tot onder meer de totstandkoming daarvan. Tot de eisen die worden gesteld aan de totstandkoming van een MER behoren onder meer artikel 7.12 tot en met 7.15 van de Wm. Deze wetsartikelen strekken ertoe te verzekeren dat betrokkenen in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak krijgen, voordat het besluit over de m.e.r.-plichtige activiteit wordt genomen.

In het onderhavige geval wordt bij de toepassing van artikel 7.16 van de Wm verwezen naar het MER 2001, waarin de aanleg van de rondweg Hedel is onderzocht. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit MER 2001 niet volgens de in de Wm neergelegde procedurevoorschriften van artikel 7.12 tot en met 7.15 van de Wm tot stand is gekomen. Daaruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat wat betreft de onderzochte m.e.r.-plichtige activiteit aan betrokkenen in een vroeg stadium, waarin alle opties open waren, reële mogelijkheden tot inspraak zijn geboden.

2.18. [appellanten sub 1], [appellanten sub 5] en vereniging De Kampen voeren aan dat het MER 2001 niet ziet op dezelfde activiteit als waarop het bestemmingsplan en de Oplegnotitie zien.

2.18.1. In de in overweging 2.13.1. genoemde partiële herziening van het streekplan Gelderland 1996, ten behoeve waarvan het MER 2001 is opgesteld, was enkel het tracé van het oostelijk deel van de rondweg als cbb opgenomen. In het MER 2001 staat echter dat de m.e.r.-plichtige activiteit de aanleg van een rondweg betreft en wordt de gehele activiteit, waaronder de herinrichting van de Baronieweg als westelijk deel van de rondweg, onderzocht. Gelet hierop mist de stelling van [appellanten sub 1], dat het MER 2001 slechts ziet op het oostelijk deel van de rondweg en derhalve niet op de gehele m.e.r.-plichtige activiteit zoals die in het bestemmingsplan is voorzien, feitelijke grondslag.

Bij brief van 20 december 2001 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (verder: de Commissie m.e.r.) een toetsingsadvies als bedoeld in artikel 7.26 van de Wm uitgebracht over het MER 2001. Uit de omstandigheid dat het MER 2001 ziet op de gehele m.e.r.-plichtige activiteit, namelijk zowel het oostelijk als het westelijk deel van de rondweg, volgt reeds dat de Commissie m.e.r. zich, anders dan appellanten stellen, in het toetsingsadvies over het MER 2001 over de gehele rondweg heeft kunnen uitlaten. Daarbij merkt de Afdeling op dat ook uit het toetsingsadvies zelf blijkt dat de gehele m.e.r.-plichtige activiteit aan de orde is gekomen, nu in het toetsingsadvies onder meer de herinrichting van de Baronieweg wordt besproken.

Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. over de Oplegnotitie ten onrechte slechts op het oostelijk deel van de rondweg ziet, stelt de Afdeling vast dat ook de Oplegnotitie betrekking heeft op zowel het oostelijk als het westelijk deel van de omleidingsweg. De Commissie m.e.r. heeft op 26 augustus 2005 een toetsingsadvies over de Oplegnotitie uitgebracht, waarin op zowel het oostelijk als het westelijk deel van de rondweg wordt ingegaan.

2.18.2. In onder meer de plantoelichting en het MER 2001 staat dat de voorziene verbreding van de A2 de aanleiding vormt voor het plan. In het onherroepelijke Tracébesluit waarin deze verbreding is geregeld, is neergelegd dat de aansluiting Hedel-de Lucht (afrit 18), ten noorden van de kern Hedel, zal komen te vervallen. Volgens de plantoelichting en het deskundigenbericht heeft dit tot gevolg dat meer verkeer gebruik zal maken van de aansluiting Kerkdriel (afrit 19), ten oosten van de kern Hedel, en de wegen die op die afrit aansluiten. Niet in geschil is dat dit onder meer meebrengt dat de verkeersdruk op de N831 tussen de A2 en de kern Hedel toeneemt.

2.18.3. Het betoog van appellante vereniging De Kampen dat de doelstellingen van het MER 2001 op essentiële punten afwijken van de doelstellingen van het onderhavige plan en dat derhalve niet wordt voldaan aan de criteria voor toepassing van de verkorte m.e.r.-procedure, faalt. De Afdeling stelt vast dat in het MER 2001, de Oplegnotitie en het bestemmingsplan dezelfde probleem- en doelstellingen van de voorgenomen activiteit worden genoemd. In alle genoemde stukken staat dat de opheffing van de aansluiting Hedel-de Lucht op de rijksweg A2, die in een Tracébesluit is voorzien, meebrengt dat de hoeveelheid doorgaand verkeer in de kern Hedel toeneemt. Blijkens het MER 2001, de Oplegnotitie en de plantoelichting wordt getracht een duurzame oplossing te ontwikkelen voor de verkeersproblematiek en de leefbaarheidsproblemen in de kern van Hedel, die door deze afsluiting worden veroorzaakt. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat desondanks sprake is van verschillende doelstellingen.

2.19. [appellanten sub 5] en vereniging De Kampen stellen dat in het kader van de bestemmingsplanprocedure geen gebruik mocht worden gemaakt van het MER dat in 2001 is opgesteld ten behoeve van de partiële herziening van het streekplan Gelderland 1996, omdat dit MER 2001, opgesteld ten behoeve van een provinciaal besluit, volgens hen niet past bij het besluitniveau waarop het bestemmingsplan wordt genomen.

2.19.1. Ingevolge artikel 7.16 van de Wm is voor de vraag of de verkorte m.e.r.-procedure mag worden toegepast van belang dat wordt beschikt over een MER waarin de activiteit waarop het plan betrekking heeft reeds is beschreven. Daarbij wordt niet de eis gesteld dat de verkorte m.e.r.-procedure slechts mag worden toegepast indien het oorspronkelijk MER en de aanvulling daarop op hetzelfde besluitniveau zijn voorbereid en opgesteld. Dit laat echter onverlet dat het oorspronkelijk MER dient te voldoen aan de eisen die op het niveau van het m.e.r.-plichtige besluit aan het MER worden gesteld.

De Afdeling overweegt dat, gelet op het detailniveau en de mate van concreetheid van het MER 2001, op grond van dat MER 2001 afwegingen kunnen plaatsvinden die passen bij een gedetailleerd, concreet besluit ten aanzien van de m.e.r.-plichtige activiteit, zoals door artikel 7.10, vijfde lid, van de Wm wordt vereist. Gelet hierop wordt in de omstandigheid dat het MER 2001 ten behoeve van een provinciaal besluit is opgesteld, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het MER 2001 kan worden betrokken bij de besluitvorming op bestemmingsplanniveau. Ook in de omstandigheid dat de initiatiefnemer van het MER 2001 een andere is dan de initiatiefnemer van de Oplegnotitie en het plan, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat artikel 7.16 van de Wm niet kan worden toegepast.

2.19.2. Op grond van het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in het kader van het plan toepassing kon worden gegeven aan de verkorte m.e.r.-procedure als bedoeld in artikel 7.16 van de Wm.

Studiegebied

2.20. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en vereniging De Kampen betogen dat de in het MER 2001 en de Oplegnotitie opgenomen alternatieven ten onrechte zijn beperkt tot het territoir van de gemeente Maasdriel. Volgens hen is sprake van een bovenlokaal probleem en had daarom een groter, regionaal studiegebied gehanteerd moeten worden.

2.20.1. Volgens het MER 2001 is de weg N831, waarvan de rondweg deel uit gaat maken, een belangrijke oost-westverbinding in de Bommelerwaard. De N831 vindt in het oosten aansluiting op de A2 en loopt in de huidige situatie door de kern Hedel.

Met het plan wordt volgens de plantoelichting en het MER 2001 beoogd een duurzame oplossing te bieden voor de verkeersproblematiek op de N831 in de kern van Hedel en de leefbaarheidsproblemen die het gevolg daarvan zijn. Deze verkeers- en leefbaarheidsproblemen worden veroorzaakt door een verkeerstoename op de N831 die het gevolg is van de afsluiting van de aansluiting Hedel-de Lucht op de A2. Het standpunt van verweerder, dat de problemen die worden veroorzaakt door een toename van verkeer op de N831 en de gevolgen daarvan voor de leefbaarheid in de kern Hedel, voornamelijk een lokaal karakter hebben, wordt door de Afdeling niet onredelijk geacht. De omstandigheid dat de rondweg deel gaat uitmaken van een regionale verbinding doet hieraan niet af, omdat juist het gebruik van de N831 door Hedel door regionaal verkeer tot deze lokale problematiek leidt.

De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het gemeentebestuur eerst tot een oplossing voor dit lokale probleem mocht overgaan, nadat meer duidelijkheid bestond over de mogelijke oplossingen voor de regionale verkeersproblematiek. Blijkens de toetsingsadviezen van de Commissie m.e.r. over het MER 2001 en de Oplegnotitie, uitgebracht op 20 december 2001 respectievelijk 26 augustus 2005, heeft de Commissie m.e.r. in de begrenzing van het gehanteerde studiegebied geen aanleiding gezien opmerkingen te maken of te oordelen dat het MER 2001 en de Oplegnotitie onvoldoende informatie bevat. Mede gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van een rondweg rond Hedel en de eventuele besluiten in het kader van de regionale verkeersproblematiek zodanig met elkaar samenhangen, dat zij niet los van elkaar kunnen worden bezien.

Voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een passend studiegebied is gehanteerd.

Onderzochte alternatieven

2.21. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen betogen dat in het MER ten onrechte niet alle redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven zijn bezien, waarbij zij wijzen op een meer noordelijke variant van het oostelijk deel van de rondweg.

2.21.1. De door appellanten genoemde variant van het oostelijk deel van het tracé ligt ten noorden van het in het plan neergelegde tracé. De door hen genoemde variant zou aansluiten op de Kampenvariant, een alternatief voor het westelijk deel van het tracé dat in het plan ter plaatse van de Baronieweg is voorzien.

De door appellanten genoemde meer noordelijke variant van het oostelijk deel van de rondweg is niet in het MER 2001 en de Oplegnotitie onderzocht.

2.21.2. In het MER 2001 staat dat een meer noordelijke variant van het oostelijk deel van het tracé, ter plaatse van de omlegging van de Drielseweg, om verscheidene redenen niet wenselijk is. Onder meer zijn de kosten voor een dergelijk tracé hoger, vindt meer doorsnijding van het kavelpatroon plaats en is het tracé uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk. Omdat de gevolgen van dit tracé voor de doorstroming van verkeer volgens het MER 2001 voorts niet of nauwelijks verschillen van de gevolgen van het meer zuidelijke tracé van de Drielseweg, zoals dit in het MER 2001 is onderzocht en in het plan is neergelegd, is dit alternatief in het MER 2001 en de Oplegnotitie buiten beschouwing gelaten. In het in overweging 2.20.1. genoemde toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. over het MER 2001 heeft de Commissie m.e.r. geoordeeld dat de essentiële informatie in het MER 2001 aanwezig is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. In het toetsingsadvies over de Oplegnotitie staat dat de in de Oplegnotitie neergelegde aanvulling samen met het oorspronkelijke MER 2001 in voldoende mate voorziet in actuele informatie en dat het detailniveau in voldoende informatie aansluit bij het te nemen besluit over het bestemmingsplan. Blijkens deze toetsingsadviezen heeft de Commissie m.e.r. het buiten beschouwing laten van een meer noordelijke variant van het oostelijk deel van het tracé, ter plaatse van de omlegging van de Drielseweg, niet als een leemte in kennis en informatie beschouwd.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat alle redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven in het MER 2001 en de Oplegnotitie zijn bezien.

De Kampenvariant

2.22. Volgens [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen is de zogenoemde Kampenvariant op onjuiste gronden afgewezen. In dat verband betogen zij dat de omstandigheden die bij het MER 2001 als uitgangspunt werden genomen inmiddels zijn veranderd.

2.22.1. De zogenoemde Kampenvariant is gelegen ten noorden van het bedrijventerrein De Kampen, dat ten noorden van de Baronieweg ligt. Zoals in overweging 2.21.1. weergegeven, betreft deze variant een alternatief voor het westelijk deel van het tracé dat in het plan ter plaatse van de Baronieweg is voorzien.

2.22.2. De Afdeling stelt vast dat zowel in het MER 2001 als in de Oplegnotitie staat dat het bedrijventerrein De Kampen in de toekomst in noordelijke richting zal uitbreiden. Gelet hierop mist de stelling van appellanten, dat bij de keuze voor het tracé van de rondweg ten onrechte geen rekening is gehouden met de uitbreiding van het bedrijventerrein De Kampen, feitelijke grondslag.

2.22.3. In het MER 2001 staat dat van de variant Baronieweg minder negatieve milieueffecten te verwachten zijn dan van de Kampenvariant. Volgens het MER 2001 is een belangrijke reden hiervoor gelegen in de omstandigheid dat het tracé van de Kampenvariant het open landschap doorsnijdt.

Appellanten stellen in dat kader dat de Kampenvariant in de toekomstige situatie geen doorsnijding van het open landschap inhoudt, maar langs het in noordelijke richting uitgebreide bedrijventerrein De Kampen zou liggen. Volgens hen is in deze omstandigheid ten onrechte geen aanleiding gezien alsnog voor de Kampenvariant te kiezen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat slechts een beperkte uitbreiding van De Kampen is voorzien op gronden ten noorden van het bestaande bedrijventerrein en grenzend aan de Oude Rijksweg. Vanaf de Oude Rijksweg zou de Kampenvariant in westelijke richting langs deze uitbreiding liggen, maar vervolgens verscheidene agrarische percelen en open landschap moeten doorsnijden teneinde ten westen van het bedrijventerrein aan te kunnen sluiten op de Baronieweg. Anders dan appellanten betogen leidt de voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein De Kampen er derhalve niet toe dat het open landschap niet zal worden doorsneden. Deze wijze van doorsnijding leidt volgens het MER 2001 voorts tot ongewenste secundaire effecten, doordat het aantrekkelijker wordt om de thans onbebouwde ruimte tussen het bedrijventerrein en de Kampenvariant te bebouwen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat, naast de doorsnijding van open landschap, ook kostenfactoren aanleiding zijn geweest om niet voor de Kampenvariant te kiezen. Anders dan appellanten betogen rust op verweerder niet de verplichting om in het kader van die afweging alle met beide varianten gemoeide kosten te inventariseren en inzichtelijk te maken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel het standpunt van verweerder, dat de aanleg van een nieuwe weg ter plaatse van de Kampenvariant aanmerkelijk meer kosten meebrengt dan de herinrichting van een reeds bestaande weg, onredelijk te achten.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder bij het nemen van zijn besluit niet van de juistheid van de in het MER 2001 en de Oplegnotitie opgenomen gegevens met betrekking tot de keuze van het tracé voor de rondweg rond Hedel heeft mogen uitgaan. De Afdeling neemt daarbij voorts in aanmerking het positieve toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. over het MER 2001 en de Oplegnotitie.

De kosten van de alternatieven

2.22.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen dat de met de alternatieven gemoeide kosten in het MER 2001 en de Oplegnotitie hadden moeten worden opgenomen, overweegt de Afdeling dat een MER ertoe dient de milieueffecten van een activiteit in kaart te brengen. Kostenaspecten van de activiteit vallen hierbuiten. Gelet hierop vat de Afdeling het betoog van appellanten aldus op, dat zij betogen dat in het kader van de afweging die aan de keuze voor het in het plan opgenomen alternatief ten grondslag ligt, volledig inzicht in de met de verscheidene alternatieven gemoeide kosten moet bestaan.

De Afdeling overweegt dat in het kader van de keuze voor een alternatief door het gemeentebestuur gewicht moet worden toegekend aan de verschillende met de alternatieven gemoeide belangen, waaronder het kostenaspect. Anders dan appellanten betogen, brengt de omstandigheid dat geen volledig inzicht wordt gegeven in alle met de alternatieven gemoeide kosten, echter niet reeds mee dat het kostenaspect op onjuiste wijze in de afweging met betrekking tot de keuze voor een bepaald alternatief is betrokken. In het MER 2001, waarin een globale kostenraming van de verschillende alternatieven is opgenomen, staat dat alternatieven die de aanleg van een geheel nieuw westelijk deel van de rondweg inhouden, aanmerkelijk duurder zijn dan alternatieven die uitgaan van de herinrichting van een reeds bestaande weg. Daargelaten de exacte juistheid van de in het MER 2001 genoemde bedragen, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van een geheel nieuwe weg meer kosten meebrengt dan de herinrichting van een reeds bestaande weg.

Landschappelijke inpassing

2.23. Appellante vereniging De Kampen voert aan dat de landschappelijke inpassing van de voorziene weg onvoldoende is onderzocht en gewaarborgd.

2.23.1. In het MER 2001 is met betrekking tot het westelijk deel van het in het plan voorziene alternatief vermeld dat dit deel van de weg slechts een geringe aantasting van het landschap inhoudt, omdat het plan betrekking heeft op de herinrichting van een reeds bestaande weg. Wel heeft de aanleg van het westelijk deel van de rondweg tot gevolg dat het overgangsgebied van oeverwal- naar kommengebied verstedelijkt. Wat betreft het oostelijk deel van de rondweg, zoals dat in het plan is voorzien, is in het MER 2001 vermeld dat het huidige verkavelingspatroon door de aanleg van de weg schuin wordt doorsneden. De huidige landschappelijke waarde van het gebied is echter reeds thans beperkt, doordat in de omgeving verschillende infrastructurele voorzieningen aanwezig zijn.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het MER 2001 opgenomen gegevens over de effecten van de aanleg van de rondweg op het landschap, onjuist zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan een geringe aantasting van landschappelijke waarden inhoudt. In artikel 4.3.2. van de planvoorschriften is voorts onder meer bepaald dat de nieuw aan te leggen Drielseweg en de her in te richten Baronieweg landschappelijk goed in de omgeving dienen te worden ingepast. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de geringe aantasting van het landschap vanwege de rondweg, door landschappelijk inpassing niet verder kan worden beperkt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de landschappelijke inpassing van de voorziene rondweg onvoldoende is gewaarborgd.

Inrichting van de weg

2.24. [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 14], [appellant sub 15] en vereniging De Kampen betogen dat het plan onvoldoende duidelijkheid biedt over de exacte ligging van de weg, fietspaden, de berm en andere met de weg verband houdende voorzieningen.

2.24.1. Voor zover [appellant sub 3], [appellant sub 4] en vereniging De Kampen betogen dat het vastgestelde plan ten opzichte van de ontwerpplan zodanig ingrijpende wijzigingen bevat met betrekking tot de inrichting van de weg dat de zienswijzeprocedure opnieuw had moeten worden doorlopen, overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan, dient de wettelijke zienswijzeprocedure opnieuw te worden doorlopen.

Vast staat dat de gemeenteraad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. De Afdeling overweegt daartoe dat het tracé van de voorziene rondweg zoals dat in het vastgestelde plan is neergelegd, gelijk is aan het tracé van de weg zoals dit in het ontwerpplan was opgenomen. Wat betreft het betoog van de vereniging De Kampen over de notities Megaborn merkt de Afdeling nog op dat deze bij het vastgestelde plan gevoegde notities geen deel uitmaken van de planvoorschriften en in zoverre ook geen wijziging van het vaststelde plan ten opzichte van het ontwerp kunnen inhouden.

2.24.2. [appellant sub 14], [appellant sub 15] en vereniging De Kampen voeren in verband met het in overweging 2.24. vermelde betoog aan dat ten onrechte een wegprofiel voor de voorziene rondweg ontbreekt.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder: het Bro 1985) geeft het bestemmingsplan, voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder zulks vereist, aan de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel dan wel het aantal rijstroken daarvan.

Nu in artikel 4.2 van de planvoorschriften is bepaald dat de N831 ter plaatse van het nieuwe tracé niet meer mag omvatten dan 2x1 rijstrook, een middenberm en in- en uitvoegstroken, alsmede vrijliggende fietspaden aan weerszijden, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de uit het Bro 1985 voortvloeiende eisen betreffende de aanduiding van de inrichting van de weg.

2.24.3. De Afdeling acht, gelet op de beperkte oppervlakte en de ligging van het plandeel met de bestemming "Infrastructurele voorzieningen" zoals dat op de plankaart is aangeduid, in samenhang met de in artikel 4 van de planvoorschriften opgenomen eisen voor de inrichting van de weg, waaruit onder meer voortvloeit dat de wegas slechts ter plaatse van de aanduiding 'wegas' mag worden gelegd, niet aannemelijk gemaakt dat het plandeel met de bestemming "Infrastructurele doeleinden" een invulling zal krijgen die verweerder tot het oordeel had moeten brengen dat een meer gedetailleerde bestemmingsregeling niet kon worden gemist. Dat verweerder in de omstandigheid dat enige vrijheid bestaat omtrent de inrichting van de weg geen reden heeft gezien niet met het plan in te stemmen, acht de Afdeling niet onredelijk.

Verkeer

Regionale verkeersstructuur

2.25. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen betogen dat de verkeerssituatie in en rondom Hedel onvoldoende in regionaal verband is bezien. Volgens hen is in de verscheidene aan het plan ten grondslag liggende verkeersonderzoeken onvoldoende rekening gehouden met de regionale verkeersstructuur van de Bommelerwaard.

2.25.1. Bij het opstellen van de Oplegnotitie en de daarbij behorende onderzoeksrapporten is gebruik gemaakt van geactualiseerde verkeersprognoses. In de Oplegnotitie en de voornoemde onderzoeksrapporten staat dat bij de bepaling van de prognoses voor het verkeer en vervoer gebruik is gemaakt van een verkeersmodel van de provincie Gelderland (verder: het provinciale verkeersmodel).

In het rapport "Technische rapportage Verkeersmodel Hedel-Ammerzoden", opgesteld door DHV Ruimte en Mobiliteit B.V. (verder: DHV) en gedateerd 10 oktober 2005, wordt een toelichting op dit model gegeven. In dit rapport staat dat bij het opstellen van het provinciale verkeersmodel gebruik is gemaakt van het Nieuw Regionaal Model, een door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat opgesteld verkeersmodel, alsmede van een groot aantal tellingen. Volgens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting zijn tellingen uitgevoerd in februari 2005, maar is tevens gebruik gemaakt van eerdere tellingen van zowel de provincie als verscheidene gemeenten in de Bommelerwaard. In het rapport "Technische rapportage Verkeersmodel Hedel-Ammerzoden" staat dat met behulp van tellingen rondom Hedel een verdere verfijning van het model heeft plaatsgevonden.

In de provinciale notitie "Verkeersproblematiek Bommelerwaard, visie en aanpak" (verder: de provinciale verkeersnotitie) van september 2005, is voorts de verkeersstructuur van de Bommelerwaard met gebruikmaking van het provinciale verkeersmodel geanalyseerd en zijn verschillende knelpunten gesignaleerd, waaronder de situatie in Hedel.

2.25.2. Gelet op de toelichting op het provinciale verkeersmodel die in het rapport "Technische rapportage Verkeersmodel Hedel-Ammerzoden" wordt gegeven, faalt het betoog van appellanten dat de bij het verkeersmodel betrokken gegevens onvoldoende inzichtelijk zijn.

2.25.3. Gelet op het rapport "Technische rapportage Verkeersmodel Hedel-Ammerzoden" en de provinciale verkeersnotitie ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie in Hedel niet slechts op lokaal niveau, maar ook in regionaal en provinciaal verband is bezien.

Ruimtelijke ontwikkelingen

2.26. [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen stellen dat in de verschillende verkeersonderzoeken ten onrechte niet met alle relevante ruimtelijke ontwikkelingen rekening is gehouden. Daarbij wijzen zij onder meer op de uitbreiding van verscheidene bedrijventerreinen. Voorts betogen appellanten dat in de verkeersonderzoeken rekening had moeten worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling van de zogenoemde zwaar verkeersroute bij Ammerzoden.

2.26.1. Volgens het rapport "Technische rapportage Verkeersmodel Hedel-Ammerzoden" is bij het opstellen van de verkeersprognoses in en rond Hedel rekening gehouden met de verkeersgevolgen van toekomstige ontwikkelingen, waarbij de voorziene uitbreidingen van de bedrijventerreinen De Kampen en De Winkels worden genoemd.

Met betrekking tot de zwaar verkeersroute rond Ammerzoden overweegt de Afdeling dat blijkens onder meer de plantoelichting en het verhandelde ter zitting wordt beoogd een oplossing te vinden voor de overlast die in de kern Ammerzoden wordt ondervonden van doorgaand zwaar verkeer dat in de huidige situatie door die kern rijdt. In de plantoelichting staat dat in onderling overleg tussen de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel en de provincie zal worden bezien welke maatregelen getroffen kunnen worden om het doorgaand zwaar verkeer door Ammerzoden terug te dringen. Hiertoe zijn verschillende maatregelen voorgesteld, waaronder het opwaarderen van twee reeds bestaande wegen en het nemen van verscheidene verkeersbesluiten. Ook bestaat de optie een vrachtverkeersroute om de kern Ammerzoden te verwezenlijken, die aansluit op de Baronieweg. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat met betrekking tot de verwezenlijking van een nieuwe zwaar verkeerroute nog geen concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden. Gelet hierop acht de Afdeling door appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijke ontwikkeling van een zwaar verkeersroute over de Baronieweg thans zodanig concreet is dat de verkeersgevolgen daarvan bij de berekeningen van de verkeersintensiteiten op de rondweg Hedel hadden moeten worden betrokken.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de verschillende verkeersonderzoeken niet alle relevante en redelijkerwijs te voorziene ruimtelijke ontwikkelingen zijn ingevoerd die van invloed zijn op de te verwachten verkeersintensiteiten op de voorziene rondweg.

2.26.2. Voor zover appellanten betogen dat eerst een bestemmingsplan voor een weg rond Hedel had mogen worden opgesteld en goedgekeurd nadat duidelijkheid is verkregen over de wijze waarop de zwaar verkeersproblematiek rond Ammerzoden zal worden opgelost, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen in 2.20.1. is overwogen, dat met het onderhavige plan primair wordt beoogd een oplossing te bieden voor de verkeersproblematiek die in de kern Hedel zal ontstaan na afsluiting van de aansluiting Hedel-de Lucht op de A2. De Afdeling acht het niet onredelijk dat verweerder in de omstandigheid dat het gemeentebestuur niet met het vinden van een oplossing voor dit probleem heeft gewacht tot de besluitvorming over een zwaar verkeersroute gestalte heeft gekregen, geen aanleiding heeft gezien niet met het plan in te stemmen.

Verkeersgevolgen op de Baronieweg

2.27. [appellanten sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen betogen dat op de her in te richten Baronieweg, het westelijk deel van de rondweg, een verkeersonveilige situatie ontstaat. In dat kader voeren zij onder meer aan dat de weg niet voldoet aan het concept Duurzaam Veilig, omdat verscheidene bedrijfs- en woonpercelen direct op de Baronieweg ontsluiten. De herinrichting van de Baronieweg brengt volgens [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20] en De Baronie en anderen voorts een ernstige belemmering voor de bedrijfsvoering van aanliggende bedrijven mee.

2.27.1. In de plantoelichting staat dat de opbouw en inrichting van de Baronieweg zullen worden afgestemd op het beoogde en gewenste gebruik van die weg voor zowel doorgaand verkeer als bestemmingsverkeer. Bij de inrichting van de weg wordt volgens de plantoelichting, het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting, aangesloten bij het concept Duurzaam Veilig.

Volgens het concept Duurzaam Veilig moet de vormgeving van wegen eenduidig en herkenbaar zijn. Door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (verder: CROW) is in dat kader het "Handboek Wegontwerp" opgesteld, waarin richtlijnen voor de inrichting van wegen zijn gegeven. Deze richtlijnen worden, hoewel indicatief, algemeen maatgevend geacht en voor het ontwerpen van wegen in Nederland gebruikt.

De principes van Duurzaam Veilig zijn overgenomen en uitgewerkt in het "Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan 2" (verder: PVVP2), door provinciale staten van de provincie Gelderland vastgesteld op 30 juni 2004. In het PVVP2 worden, in aansluiting op Duurzaam Veilig, drie wegtypen onderscheiden: stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen.

2.27.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt voor de inrichting van de Baronieweg aangesloten bij het wegtype gebiedsontsluitingsweg uit Duurzaam Veilig. In het PVVP2 is met betrekking tot de inrichting van een gebiedsontsluitingsweg vermeld dat deze wegen gescheiden rijrichtingen vereisen, en dat het langzaam verkeer gescheiden van het gemotoriseerde verkeer wordt afgewikkeld. Gelet op artikel 4 van de planvoorschriften voldoet de voorgestane inrichting van de Baronieweg aan de inrichtingseisen van een gebiedsontsluitingsweg.

In het PVVP2 is met betrekking tot de functie van een gebiedsontsluitingsweg vermeld dat een gebiedsontsluiting is bedoeld voor zowel het doorstromen als het uitwisselen, maar dat deze functies naar plaats worden gescheiden, waarbij het uitwisselen plaatsvindt op kruispunten en het stromen op de wegvakken daartussen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is gebleken dat verscheidene aanliggende bedrijven en woningen direct op de Baronieweg ontsluiten, welke situatie na verwezenlijking van het plan zal voortduren. Het uitwisselen van vracht- en personenverkeer tussen die bedrijven en woningen en de Baronieweg zal daarmee derhalve ook buiten kruispunten plaatsvinden. De Afdeling stelt gelet op het voorgaande vast dat de functies van de Baronieweg niet op alle punten aansluiten op de functies van een gebiedsontsluitingsweg zoals in Duurzaam Veilig omschreven en dat met het plan in zoverre van het concept Duurzaam Veilig wordt afgeweken.

2.27.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel op punten van het concept Duurzaam Veilig wordt afgeweken, niettemin een verkeersveilige situatie op de Baronieweg is gewaarborgd. Ter motivering van dat standpunt heeft hij verwezen naar het rapport Megaborn, waarin de resultaten zijn neergelegd van een onderzoek naar de invloed van vrachtwagenbewegingen op het overige verkeer dat van de Baronieweg gebruik zal maken.

2.27.4. In het kader van het opstellen van het rapport Megaborn zijn vrachtwagentellingen uitgevoerd op twee dagen, op welke dagen tussen 7.00 en 19.00 uur is geteld. Daarbij zijn onder meer de herkomst en de bestemming van de vrachtwagens genoteerd, waarbij tevens is genoteerd of deze vrachtwagens bijzondere manoeuvres uitvoerden.

Appellanten hebben aangevoerd dat de door Megaborn uitgevoerde tellingen geen representatief beeld geven van de feitelijke situatie. De Afdeling acht, gelet op de omstandigheid dat langs de Baronieweg onder meer transportbedrijven, im- en exportbedrijven, een groothandel en een bakkersbedrijf zijn gevestigd, door appellanten aannemelijk gemaakt dat niet uitgesloten is dat een groot deel van de vrachtwagenbewegingen die zich bij deze bedrijven voordoen, buiten de door Megaborn gehanteerde dagperiode plaatsvinden. Voorts acht de Afdeling, gelet op de omstandigheid dat blijkens het rapport Megaborn bij een doe-het-zelfbedrijf geen enkele vrachtwagenbeweging is geconstateerd, onvoldoende inzichtelijk dat de gehanteerde telperiode toereikend is geweest om een representatief beeld te kunnen krijgen van de aantallen en de gevolgen van de bijzondere manoeuvres van vrachtwagens op de Baronieweg.

2.27.5. In het rapport Megaborn wordt bij de beoordeling van de gevolgen van de omstandigheid dat op de Baronieweg verschillende bedrijven zijn ontsloten, onder meer als uitgangspunt genomen dat vrachtwagens niet op de openbare weg zullen stilstaan, zoals thans in gevallen geschiedt, maar in plaats daarvan gebruik zullen moeten maken van de op de bedrijfspercelen aanwezige voorterreinen. Volgens het rapport Megaborn en het deskundigenbericht kan het stilstaan van vrachtwagens op de openbare weg na planverwezenlijking negatieve gevolgen meebrengen voor de doorstroming en verkeersveiligheid, mede omdat het parkeren op de vrijliggende fietspaden meebrengt dat fietsers zich op de rijbanen voor gemotoriseerd verkeer moeten begeven.

In het deskundigenbericht staat dat verscheidene bedrijven, waaronder de bedrijven van [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellant sub 12], op hun terrein niet of nauwelijks over ruimte beschikken om vrachtwagencombinaties te plaatsen en te manoeuvreren en dat vrachtwagens in de huidige situatie daarom regelmatig op de openbare weg parkeren en daar laden en lossen. Naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van verweerder gelegen om onderzoek te doen naar de concreet toegelichte stellingen van appellanten over de op de bedrijfspercelen beschikbare ruimte. Uit het rapport Megaborn noch uit andere stukken is gebleken dat door verweerder is bezien of, en in hoeverre, de bedrijfsvoering van de aan de Baronieweg gelegen bedrijven vanwege ruimtegebrek op de bedrijfspercelen noopt tot het plaatsen van vrachtwagens en het laden en lossen daarvan op de openbare weg.

De Afdeling acht door verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre het uitgangspunt van het rapport Megaborn, dat geen vrachtwagens op de openbare weg zullen stilstaan, verwezenlijkt kan worden zonder daarmee de bedrijfsvoering van de aan de Baronieweg gelegen bedrijven ernstig te belemmeren. Met betrekking tot de stelling van verweerder dat alternatieve erfontsluitingen voor de aanliggende bedrijven en woningen mogelijk zijn, overweegt de Afdeling dat dit op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt. Verweerder heeft voorts nagelaten inzichtelijk te maken op welke manier de belangen van de bedrijven in de belangenafweging in het kader van de herinrichting van de Baronieweg zijn betrokken. Uit het vorenstaande volgt tevens dat onvoldoende inzichtelijk is dat verweerder zich bij de beoordeling van de verkeersveiligheid in redelijkheid heeft mogen baseren op het uitgangspunt van het rapport Megaborn dat niet langer op de Baronieweg zal worden geparkeerd.

2.27.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op verscheidene bedrijfspercelen onvoldoende ruimte aanwezig is om met grote vrachtwagencombinaties te manoeuvreren en dat vrachtwagens vaak achteruit vanaf de Baronieweg het bedrijfsperceel oprijden. In het rapport Megaborn staat dat is bezien of deze bijzondere manoeuvres tot stagnatie van verkeer op de Baronieweg leiden. Volgens het rapport Megaborn bedraagt de achteruitrijtijd in de huidige situatie gemiddeld ongeveer 40 seconden en is de stagnatietijd beperkt. Volgens het rapport Megaborn kan ook in de situatie na planverwezenlijking van een achteruitrijtijd van 40 seconden worden uitgegaan. Gelet op de verkeerssituatie na verwezenlijking van het plan, met name de omstandigheid dat de vrachtwagens een vrijliggend fietspad moeten kruisen, had het naar het oordeel van de Afdeling in de rede gelegen inzichtelijk te maken dat ook in deze nieuwe situatie van een achteruitrijtijd van 40 seconden kan worden uitgegaan.

Gelet hierop, gelet op hetgeen in overweging 2.27.4. is vermeld, en gelet op de door het rapport Megaborn geprognosticeerde toename van verkeersintensiteiten van 7.000 motorvoertuigen per etmaal (verder: mvt/etmaal) in de huidige situatie tot ongeveer 12.000 mvt/etmaal in 2020, is de Afdeling van oordeel dat de gevolgen van het achteruitrijden van vrachtwagens op de doorstroming van verkeer op de Baronieweg onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. De Afdeling betrekt daarbij dat uit het rapport Megaborn blijkt dat de rijcurve van vrachtwagens bij het achteruit rijden in enkele gevallen zodanig groot is dat van beide rijbanen gebruik moet worden gemaakt en dat het uitvoeren van deze bijzondere manoeuvres derhalve de doorstroming van het verkeer op beide rijbanen belemmert.

Verkeersgevolgen op de Drielseweg

2.28. Appellante [appellant sub 14] stelt dat het plan tot gevolg heeft dat de bereikbaarheid van zijn bedrijfsperceel verslechtert, wat volgens hem een ernstige belemmering van zijn bedrijfsvoering meebrengt.

2.28.1. Het bedrijf van appellante, een im- en exportbedrijf en (groot)handel in groenten en fruit, is gevestigd op het perceel [locatie sub 14]. In de huidige situatie is het bedrijfsperceel aan de zuidoostelijke zijde ontsloten op de N831, ook bekend als de Drielseweg, en wordt incidenteel gebruik gemaakt van een ontsluiting op de Sint Annaweg.

2.28.2. De oostelijke grens van het plangebied ligt ten westen van het perceel van appellante. De ontsluiting op de bestaande Drielseweg aan de zuidoostelijke zijde van het perceel van appellante noch de bestaande Drielseweg ter hoogte van die ontsluiting maakt deel uit van het plan. Appellante betoogt dat het onderhavige plan tot gevolg heeft dat het verkeer op de Drielseweg ter hoogte van het bedrijf van appellante sterk toeneemt, wat ertoe leidt dat de directe ontsluiting van het bedrijf op de Drielseweg uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk wordt en zal moeten komen te vervallen. Daarmee is het afsluiten van de ontsluiting van het perceel op de Drielseweg volgens haar een gevolg van het plan, zodat het in het kader van het onderhavige plan dient te worden beoordeeld.

Onder verwijzing naar hetgeen in 2.20.1. is overwogen, stelt de Afdeling vast dat niet de aanleg van de rondweg, maar de afsluiting van de afrit Hedel-de Lucht op de A2 meebrengt dat het verkeer op de N831 ter hoogte van het bedrijfsperceel van appellante toeneemt. De afsluiting van de afrit Hedel-de Lucht is voorzien in het kader van het reeds onherroepelijk geworden Tracébesluit waarin de verbreding van de A2 is voorzien. De gevolgen van de verkeerstoename op de bestaande N831, waaronder het gedeelte van de bestaande Drielseweg ter plaatse van het bedrijfsperceel van appellante, voor de ontsluiting van het bedrijfsperceel op die Drielseweg konden derhalve in de procedure in het kader van het voornoemde Tracébesluit aan de orde komen. In het kader van het onderhavige plan staan zij niet meer ter beoordeling.

2.29. Een deel van de Sint Annaweg, ter plaatse van de zuidwestelijke grens van het bedrijfsperceel, is in het onderhavige bestemmingsplan opgenomen. Aan die gronden is de bestemming "Infrastructurele doeleinden" toegekend. Volgens de plantoelichting wordt met het plan beoogd de Sint Annaweg geschikt te maken voor de ontsluiting van het bedrijfsperceel van appellante. Ingevolge artikel 4.2.1. van de planvoorschriften mag de Sint Annaweg niet uit meer dan 2x1 rijstrook bestaan. De Afdeling acht, mede gelet op het deskundigenbericht, waarin staat dat een adequate inrichting van de ontsluitingsweg gelet op de planregeling voor en oppervlakte van de gronden niet is uitgesloten, door appellante niet aannemelijk gemaakt dat de Sint Annaweg niet geschikt is voor de ontsluiting van het bedrijfsperceel van appellante. Voor zover appellante stelt dat een ontsluiting op de Sint Annaweg meebrengt dat het bedrijfsperceel zal moeten worden heringericht teneinde die ontsluiting bereikbaar te maken, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de noodzaak tot herinrichting niet zozeer is ingegeven door de wijze van ontsluiten, maar door het ruimtebeslag op het perceel van appellante ten behoeve van de uitvoering van het Tracébesluit dat voorziet in de verbreding van de A2. Onder verwijzing naar hetgeen in 2.28.2. is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat deze gevolgen niet in het kader van het onderhavige plan aan de orde kunnen komen.

De ontsluiting van het perceel van [appellant sub 15]

2.30. [appellant sub 15] betoogt dat het plan onaanvaardbare gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van zijn perceel [locatie sub 15].

2.30.1. Op het perceel [locatie sub 15] staat de woning van appellant. Tevens is op dat perceel zijn bedrijf gevestigd, een groothandel in exotische vruchten, ten behoeve waarvan op het noordelijk deel van het perceel een loods aanwezig is. Het perceel [locatie sub 15] is thans ontsloten op de Drielseweg. De voorziene functie van de rondweg brengt volgens het gemeentebestuur en verweerder mee dat een ontsluiting van het perceel direct op de Drielseweg uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk wordt. Volgens de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is om die reden een strook grond ten noorden van het perceel opgenomen, parallel aan de Drielseweg. Deze strook sluit in het oosten aan op de Sint Annaweg. Beoogd wordt het perceel van appellant via deze parallelweg en de Sint Annaweg op de Drielseweg te ontsluiten.

Voor zover appellant betoogt dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of de loods op zijn perceel zal kunnen worden behouden nu de weg ter plaatse van die loods is voorzien, stelt de Afdeling vast dat de gronden waarop deze loods staat, niet in het plan zijn opgenomen. Het betoog van appellant mist dan ook feitelijke grondslag.

De bedoelde strook grond ten noorden van het perceel van appellant heeft de bestemming "Infrastructurele doeleinden". Volgens het deskundigenbericht heeft dit plandeel een breedte van ongeveer 8 meter en een lengte van ongeveer 300 meter. Gelet hierop en gelet op de in artikel 4 van de planvoorschriften opgenomen regeling voor de bestemming "Infrastructurele doeleinden" acht de Afdeling door appellant niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot gevolg heeft dat een afdoende ontsluiting van het perceel van appellant onmogelijk wordt. Voor zover appellant stelt dat het plan slechts voorziet in een verharde weg met een breedte van 3,5 meter, stelt de Afdeling vast dat een dergelijke breedte niet in de planvoorschriften is opgenomen en ook anderszins niet uit het plan voortvloeit.

Luchtkwaliteit

2.31. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen, [appellant sub 14], [appellant sub 15] en vereniging De Kampen stellen dat het plan in strijd is met de normen voor luchtkwaliteit.

2.31.1. Onder verwijzing naar hetgeen in 2.9.2. en 2.9.3. is overwogen, overweegt de Afdeling dat een eventuele wijziging in het ruimtebeslag van het tracé van het westelijk deel van de rondweg, ter plaatse van de Baronieweg, een wijziging in de invoergegevens van het luchtkwaliteitsonderzoek zou meebrengen, welke wijziging mogelijk van invloed zou kunnen zijn op de uitkomsten van dat onderzoek. Onder verwijzing naar hetgeen in 2.24.2. en 2.24.3. is overwogen en het verhandelde ter zitting, overweegt de Afdeling dat door het gemeentebestuur en verweerder is verklaard dat de wijziging van de door hen voorgestane herinrichting van de Baronieweg geen verschuiving van de wegas en de rijbanen meebrengt, maar enkel ziet op de inrichting van de bermen. Volgens hen zouden de uitgangspunten van een nieuw luchtkwaliteitsonderzoek dezelfde zijn als de uitgangspunten die in de reeds uitgevoerde onderzoeken zijn gehanteerd. Het in 2.9.2. en 2.9.3. overwogene heeft voorts geen betrekking op het oostelijk deel van de rondweg.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling, uit een oogpunt van de bevordering van de geschilbeslechting, aanleiding de beroepsgronden van appellanten over de luchtkwaliteit inhoudelijk te behandelen.

De luchtkwaliteitsonderzoeken

2.32. [appellanten sub 5] betogen dat de bij de verscheidene onderzoeken naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit betrokken gegevens en uitgangspunten onvoldoende inzichtelijk zijn. Onder meer is onduidelijk of bij de berekeningen rekening is gehouden met de Meetregeling luchtkwaliteit 2005. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 5] betogen verder dat bij het luchtkwaliteitonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de luchtkwaliteitgevolgen van het stelselmatig te hard rijden op de Baronieweg.

2.32.1. In het kader van het MER 2001 is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. In het kader van de Oplegnotitie is nader luchtkwaliteitsonderzoek verricht. In de Oplegnotitie staat dat bij dit laatstgenoemde onderzoek is getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit 2001.

In het van kracht worden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (verder: het Blk 2005), heeft de gemeenteraad aanleiding gezien een nader luchtkwaliteitsonderzoek te doen uitvoeren. In dat kader is door DHV opgesteld het rapport "Omlegging N831 in Hedel en het Besluit luchtkwaliteit 2005", gedateerd 22 september 2005.

In het kader van het bestreden besluit is in opdracht van verweerder nader onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de in overweging 2.7.2. genoemde Actualisatie luchtkwaliteit.

2.32.2. Voor zover appellanten aanvoeren dat door het gemeentebestuur onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit en dat verweerder om die reden goedkeuring aan het plan had moeten onthouden, overweegt de Afdeling het volgende. Indien blijkt dat een in opdracht van het gemeentebestuur verricht onderzoek gebreken vertoont mag verweerder op de desbetreffende punten aanvullend onderzoek verlangen van het gemeentebestuur, aangezien het verrichten van zorgvuldig onderzoek ingevolge artikel 9 van het Bro 1985 primair de verantwoordelijkheid is van het gemeentebestuur. De in dit geval gekozen handelwijze, waarbij in opdracht van verweerder aanvullend onderzoek is verricht, is echter niet in strijd met voormeld artikel. Dit artikel staat er niet aan in de weg dat verweerder, in het kader van zijn taak om te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht, aanvullend onderzoek laat verrichten. Het niet uitvoeren van aanvullend onderzoek door het gemeentebestuur behoefde derhalve, anders dan appellanten betogen, niet te leiden tot onthouding van goedkeuring.

2.32.3. In het MER 2001, de Oplegnotitie en de Actualisatie luchtkwaliteit zijn de invoergegevens en uitgangspunten van de verscheidene luchtkwaliteitsonderzoeken uiteengezet. Gelet hierop wordt door de Afdeling, anders dan appellanten betogen, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de aan deze rapporten ten grondslag liggende invoergegevens en uitgangspunten onvoldoende inzichtelijk zijn. Daartoe overweegt de Afdeling voorts dat ook uit het deskundigenbericht blijkt dat de berekeningen zijn na te gaan aan de hand van de in voornoemde stukken opgenomen gegevens.

Uit het MER 2001, de Oplegnotitie en de Actualisatie luchtkwaliteit blijkt dat bij de berekeningen van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit ter plaatse van de Baronieweg rekening is gehouden met het snelheidstype 'doorstromend stadsverkeer', wat volgens het deskundigenbericht een gemiddelde rijsnelheid van 26 kilometer per uur inhoudt. Dit gemiddelde is afgeleid uit onder meer de maximaal toegestane rijsnelheid van 50 km/u ter plaatse. Met betrekking tot de stelling van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 5] dat op de Baronieweg stelselmatig te hard wordt gereden, overweegt de Afdeling dat dit een handhavingsaspect betreft dat in het kader van de onderhavige procedure geen rol kan spelen. Gelet hierop wordt in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit, van het snelheidstype 'doorstromend stadsverkeer' mocht worden uitgegaan. Voor zover appellanten de juistheid van de overige parameters van het onderzoek in het kader van de Actualisatie luchtkwaliteit betwisten, overweegt de Afdeling dat, gelet op onder meer luchtfoto's van het gebied, niet aannemelijk is gemaakt dat wat betreft bebouwingsdichtheid en bomenfactor van onjuiste feiten is uitgegaan.

2.32.4. [appellant sub 14] en [appellant sub 15] voeren aan dat onvoldoende duidelijk is welke verkeersgegevens zijn gebruikt bij het onderzoek in het kader van de Actualisatie luchtkwaliteit. De Afdeling merkt hierover op dat in de Actualisatie luchtkwaliteit staat dat bij het onderzoek naar de luchtkwaliteitsgevolgen van het plan is uitgegaan van de verkeersgegevens die ook zijn gebruikt in het kader van het opstellen van de Oplegnotitie. In de Oplegnotitie staat dat gebruik is gemaakt van het provinciale verkeersmodel, welk model nader is toegelicht in het rapport "Technische rapportage Verkeersmodel Hedel-Ammerzoden". Gelet op hetgeen in 2.25.2. is overwogen, ziet de Afdeling in het betoog van appellanten geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is welke verkeersgegevens ten grondslag liggen aan de conclusies in de Actualisatie luchtkwaliteit.

2.32.5. [appellanten sub 1] stellen dat bij de luchtkwaliteitsonderzoeken gebruik is gemaakt van een onjuist rekenmodel, omdat in dat model onjuiste, niet-representatieve achtergrondconcentraties zijn gehanteerd. [appellanten sub 1] betogen in dat verband verder dat uit de verscheidene luchtkwaliteitsonderzoeken ten onrechte niet blijkt of rekening is gehouden met de Meetregeling luchtkwaliteit 2005.

2.32.5.1. Uit de Actualisatie luchtkwaliteit blijkt dat in het gehanteerde rekenmodel CAR II, versie 5.0, achtergrondconcentraties zijn betrokken die zijn berekend door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (verder: het RIVM) en het Milieu Natuur Planbureau. Deze berekeningen van achtergrondconcentraties zijn gebaseerd op metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit, dat wordt beheerd door het RIVM. In dat verband is van belang dat in artikel 6 van het Blk 2005 is bepaald dat bij ministeriële regeling voor de toepassing van het Blk 2005 regels worden gesteld aangaande de wijze van meten en berekenen en de frequentie daarvan. De in dit artikel bedoelde regeling is de Meetregeling luchtkwaliteit 2005. De Meetregeling bevat - samen met paragraaf 3 van het Besluit - bepalingen over de wijze waarop de luchtkwaliteit in agglomeraties en andere zones moet worden bepaald. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit niet voldoet aan het bepaalde in de Meetregeling luchtkwaliteit 2005, hebben zij dit niet aannemelijk gemaakt. [appellanten sub 1] hebben ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat is uitgegaan van onjuiste, niet-representatieve achtergrondconcentraties. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat uit de omstandigheid dat in een voorgaande versie van het CAR II-model een hogere achtergrondconcentratie voor zwevende deeltjes werd betrokken, moet worden afgeleid dat gebruikmaking van het model CAR II, versie 5.0, tot onbetrouwbare resultaten leidt. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd wordt ook overigens geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het gebruik van het gehanteerde CAR II-model leidt tot niet-representatieve berekeningsresultaten of dat de achtergrondconcentraties van het RIVM niet in dat model mochten worden betrokken.

Toetsing aan het Blk 2005

2.33. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20] en De Baronie en anderen stellen dat het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van de Baronieweg, hetgeen volgens hen ontoelaatbaar is.

2.33.1. In artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit de grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) in acht moeten nemen.

In artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede kunnen uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

2.33.2. Ingevolge artikel 15 gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de mens:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.33.3. In het kader van het opstellen van de Actualisatie luchtkwaliteit zijn de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit onderzocht. Daartoe zijn berekeningen uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn weergegeven in de bij de Actualisatie luchtkwaliteit gevoegde bijlagen. Op grond van deze resultaten wordt in de Actualisatie luchtkwaliteit geconcludeerd dat op geen van de onderzochte wegvakken sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.32.5.1. is overwogen, overweegt de Afdeling dat in de stellingen van appellanten geen aanleiding wordt gezien om aan de juistheid van de aan deze conclusie ten grondslag liggende gegevens te twijfelen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de toepassing van de saldomethode als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder b, van het Blk 2005, in dit geval niet aan de orde is. De bezwaren van appellanten met betrekking tot deze methode behoeven dan ook geen bespreking.

2.33.4. In de Actualisatie luchtkwaliteit staat dat in de berekeningen rekening is gehouden met de zogenoemde zeezoutcorrectie. De mogelijkheid deze correctie toe te passen vloeit voort uit artikel 5 van het Blk 2005, gelezen in samenhang met artikel 12, zesde lid, van de Meetregeling luchtkwaliteit 2005, alsmede de bijlage bij die Meetregeling. In de bijlage bij de Meetregeling is per gemeente aangegeven met welke getalswaarde de op de gebruikelijke wijze bepaalde jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes gecorrigeerd dient te worden. Verder geldt dat het voor zeezout gecorrigeerde aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m3 wordt verkregen door het op de gebruikelijke wijze bepaalde aantal overschrijdingsdagen met zes dagen te verminderen.

Uit de in de Actualisatie luchtkwaliteit weergegeven berekeningsresultaten blijkt dat de berekende concentraties voor de situatie na planverwezenlijking zodanig laag zijn, dat ook het niet betrekken van de zeezoutcorrectie in de berekeningen niet tot een overschrijding van grenswaarden zou leiden. Gelet hierop is de toepassing van de zeezoutcorrectie niet relevant voor de vraag of na planverwezenlijking aan de grenswaarden van het Blk 2005 zal worden voldaan en behoeven de bezwaren van [appellanten sub 1], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen hieromtrent geen bespreking.

Geluid

2.34. [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen, [appellant sub 14], [appellant sub 15] en vereniging De Kampen betogen dat het plan onaanvaardbare geluidgevolgen meebrengt.

2.34.1. Onder verwijzing naar hetgeen in 2.31.1 is overwogen, ziet de Afdeling, uit een oogpunt van de bevordering van de geschilbeslechting, aanleiding de beroepsgronden van appellanten over het geluid inhoudelijk te behandelen.

2.34.2. Bij besluit van 21 december 2005 heeft verweerder hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor een aantal woningen in Hedel.

Voor zover de bezwaren van appellanten moeten worden geacht te zijn gericht tegen voornoemd besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden door verweerder, stelt de Afdeling vast dat tegen het besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden aparte rechtsmiddelen hebben opengestaan en dat de Afdeling de in dat kader ingestelde beroepen bij uitspraak van 18 juli 2007 (zaaknr. 200605764/1) ongegrond heeft verklaard, waardoor het besluit onherroepelijk is geworden. Voor zover de bezwaren van appellanten zijn gericht tegen voornoemd besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden, zien deze niet op het plan en kunnen zij niet in deze procedure aan de orde komen. Het voorgaande laat echter onverlet dat verweerder in het kader van het plan diende te bezien of aan deze vastgestelde hogere grenswaarden kan worden voldaan.

Het akoestisch onderzoek

2.35. In het kader van het MER 2001 is onderzoek gedaan naar de geluidgevolgen van de aanleg van de weg. Vervolgens is dit onderzoek in het kader van de Oplegnotitie geactualiseerd en aangevuld. In de Oplegnotitie staat dat een actualisatie van het geluidonderzoek nodig is, omdat er inmiddels nieuwe verkeersgegevens beschikbaar zijn. Om die reden zijn nieuwe geluidsberekeningen uitgevoerd voor het voorkeursalternatief, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek omlegging N381 te Hedel" (verder: het akoestisch rapport), opgesteld door DHV en gedateerd augustus 2005.

2.35.1. Appellante vereniging De Kampen stelt dat bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onjuiste verkeersgegevens.

In het akoestisch rapport staat dat bij de berekeningen is uitgegaan van de verkeersgegevens zoals opgenomen in het in overweging 2.25.1. genoemde rapport "Technische rapportage verkeersmodel Hedel-Ammerzoden". Onder verwijzing naar hetgeen in 2.25.2, 2.25.3. en 2.26.1. is overwogen, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid heeft mogen baseren op de in het akoestisch onderzoek als uitgangspunt gehanteerde verkeersgegevens.

2.35.2. Volgens [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18] en [appellant sub 20] is voorts geen of onvoldoende rekening gehouden met wisselende rijsnelheden op de voorziene rondweg.

In het akoestisch rapport zijn de maximumrijsnelheden waarmee in het akoestisch onderzoek is gerekend, vermeld. Over de wijze waarop de gevolgen van rijsnelheid en afremmend en optrekkend verkeer in de geluidsberekeningen moeten worden betrokken, zijn krachtens artikel 102 van de Wet geluidhinder (verder: de Wgh) in het 'Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002' (verder: het RMV) regels gesteld. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat de geluidgevolgen van wisselende rijsnelheden op onjuiste wijze in het akoestisch onderzoek zijn betrokken.

2.35.3. [appellanten sub 1], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20] en De Baronie en anderen stellen dat de effecten van geluidsreducerend asfalt onvoldoende zeker zijn en op onjuiste wijze in de besluitvorming zijn betrokken.

Over de wijze waarop het akoestisch onderzoek moet worden verricht en de eisen waaraan het onderzoek moet voldoen, zijn ingevolge artikel 102 van de Wgh in het RMV regels gesteld. In het RMV staat onder meer dat bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een weg rekening wordt gehouden met onder meer de invloed van het wegdektype op de geluidsemissie.

In aanvulling op hetgeen in het RMV is bepaald, heeft het CROW onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre op het equivalente geluidniveau vanwege een wegdek bij de aanwezigheid van bepaalde, geluidarme, wegdektypen een wegdekcorrectie kan worden toegepast. Dit onderzoek heeft geresulteerd in Publicatie 133 van januari 1999 getiteld "Het wegdek gecorrigeerd op akoestische eigenschappen" (verder: Publicatie 133) en in aanvulling hierop in CROW-publicatie 200, getiteld "De methode Cwegdek 2002 voor wegverkeersgeluid" (verder: de Publicatie 200) van april 2004.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de parameters die de zogenoemde geluidsafstraling van de gehanteerde wegdektypen bepalen, zijn ontleend aan de CROW-publicatie 200. De geluidseffecten van ZOAB en dubbellaags-ZOAB zijn berekend volgens de in het RMV beschreven methode. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben gesteld geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toepassen van een wegdekcorrectiefactor niet leidt tot een onderschatting van de geluidsbelasting.

2.35.3.1. Wat betreft het betoog van appellante vereniging De Kampen dat in de planvoorschriften ten onrechte niet is opgenomen welk soort asfalt bij de aanleg respectievelijk herinrichting van de weg moet worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat deze keuze een kwestie van uitvoering betreft. Dat daarbij niet aan de geldende geluidgrenswaarden zal kunnen worden voldaan, zoals appellanten betogen, acht de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen in 2.35. en verder is overwogen, niet aannemelijk. De Afdeling merkt voorts op dat uit artikel 4.3.1. van de planvoorschriften volgt dat de inrichting en uitrusting van de nieuw aan te leggen Drielseweg en de her in te richten Baronieweg zodanig dienen te worden vormgegeven, dat voldaan wordt aan de milieunormen zoals vastgelegd in onder meer het akoestisch onderzoek.

Individuele bezwaren met betrekking tot geluid

2.36. [appellanten sub 1] betogen dat onvoldoende is nagegaan of de geluidsbelasting op hun woning kan worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde, bijvoorbeeld door een hoger geluidsscherm.

De afweging met betrekking tot het voorzien in geluidbeperkende maatregelen heeft plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van hogere geluidgrenswaarden. Onder verwijzing naar hetgeen in 2.34.2. is overwogen, overweegt de Afdeling dat de bezwaren van appellanten over deze afweging niet in het kader van de bestemmingsplanprocedure aan de orde kunnen komen.

2.37. [appellanten sub 2] vrezen een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat door geluidhinder en betogen dat ten onrechte niet is voorzien in een geluidsscherm tussen de weg en hun woning op het perceel Westenakker 10, ter plaatse van het westelijk deel van de rondweg. In verband daarmee stellen zij dat de groenzone tussen hun woning en de weg moet worden behouden als buffer.

In het akoestisch rapport staat dat, na uitvoering van de heringerichte Baronieweg met stil asfalt, de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de woning van appellanten niet wordt overschreden. Hieruit volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van de Wgh niet de verplichting bestaat om te bezien of een geluidsscherm nodig of wenselijk is. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet voorzien in een geluidsscherm niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daartoe wordt overwogen dat appellanten geen feiten of gegevens hebben ingebracht die hun stelling, dat het plan een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat meebrengt, staven.

2.38. [appellant sub 10] en [appellant sub 11] stellen dat het plan meebrengt dat de geluidsbelasting op hun woningen aan de [locatie sub 10] respectievelijk de [locatie sub 11] toeneemt, waardoor het geluidklimaat bij hun woningen ernstig verslechtert.

2.38.1. Nu de voorziene wijzigingen op of aan de Baronieweg, waaronder het uitvoeren van de weg met zogenoemd stil asfalt, niet leiden tot een verhoging van de geluidsbelasting vanwege de weg op de woningen van appellanten met 2 dB(A) of meer, is geen sprake van een reconstructie als bedoeld in artikel 1 van de Wgh. Gelet hierop overweegt de Afdeling voorts dat de toename van geluid ter plaatse van hun woningen ten gevolge van het plan zodanig gering is, dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit een ernstige verslechtering van het woon- en leefklimaat bij die woningen meebrengt.

2.39. Appellante [appellant sub 14] voert aan dat het plan leidt tot een ernstige belemmering van haar bedrijfsvoering. Volgens haar is in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden met de ontsluiting van haar bedrijf op de Sint Annaweg. Volgens haar veroorzaakt de in het plan voorziene ontsluiting van haar bedrijfsperceel via de Sint Annaweg ernstige geluidhinder op de gevel van de woning op het naastgelegen perceel [locatie sub 14], wat strijd met de voor haar bedrijf geldende milieunormen oplevert. Teneinde de bedrijfsactiviteiten ongewijzigd te kunnen voortzetten, moeten geluidsschermen worden opgericht. Dat is volgens appellante ten onrechte niet in het plan mogelijk gemaakt, waardoor de huidige bedrijfsactiviteiten moeten worden beperkt om aan de milieunormen te kunnen blijven voldoen.

2.39.1. Blijkens het akoestisch onderzoek geldt voor de Sint Annaweg een geluidszone en is de woning op het perceel [locatie sub 14] binnen die zone gelegen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek wat betreft de gevolgen van de herinrichting van de Sint Annaweg voor voornoemde woning zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont, dat verweerder zich er bij het nemen van het bestreden besluit niet op heeft mogen baseren. De Afdeling stelt daartoe vast dat, anders dan appellanten stellen, in het akoestisch rapport staat dat het bedrijf van appellante in de toekomst zal worden ontsloten op de Sint Annaweg en dat in het kader van het akoestisch onderzoek derhalve rekening moet worden gehouden met de geluidgevolgen van het gebruik van die weg door verkeer van en naar het bedrijf van appellante.

2.39.2. Uit het akoestisch rapport blijkt voorts dat in het kader van de milieuvergunning van het bedrijf van appellante de zogenoemde indirecte hinder in beschouwing moet worden genomen. Blijkens het akoestisch rapport brengt het geluid vanwege het bedrijf van appellante een geluidsbelasting op de woning op het perceel [locatie sub 14] mee van 56 dB(A), terwijl uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat een norm van 50 dB(A) geldt. De Afdeling overweegt dat hieruit voortvloeit dat de ontsluiting van het bedrijf, met de huidige omvang van bedrijfsactiviteiten, op de Sint Annaweg niet kan worden verwezenlijkt voordat is bewerkstelligd dat de geluidhinder op de woning op het perceel [locatie sub 14] wordt weggenomen. In dat verband is gebleken dat het perceel [locatie sub 14] door de gemeente Maasdriel is verworven, en dat het gemeentebestuur voornemens is de huidige woonbestemming van dat perceel te wijzigen in een bestemming waarbij geen bewoning is toegestaan. Ter zitting is gebleken dat daartoe een procedure tot verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO is gestart.

Onder voornoemde omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontsluiting van het bedrijfsperceel van appellante op de Sint Annaweg kan worden verwezenlijkt, zonder dat dit meebrengt dat de bedrijfsactiviteiten van appellante door die nieuwe ontsluiting zullen worden beperkt door de geluidgevolgen van die bedrijfsactiviteiten op de woning op het perceel [locatie sub 14].

Schade

2.40. [appellanten sub 2] en [appellant sub 20], stellen dat het plan een onaanvaardbare waardedaling van hun woning meebrengt.

[appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20] en De Baronie en anderen stellen dat het plan schade veroorzaakt voor hun bedrijfsvoering en dat het gemeentebestuur en verweerder in dat kader niet konden volstaan met een verwijzing naar de regeling voor planschade.

2.40.1. Gelet op hetgeen in 2.9. en verder en 2.27. en verder is overwogen, kan het door appellanten aangevoerde thans niet worden beoordeeld. Gelet hierop blijft het betoog van appellanten met betrekking tot de door hen gestelde schade buiten bespreking.

Artikel 8 van het EVRM

2.41. [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen voeren aan dat het plan in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (verder: het EVRM).

2.41.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge het tweede lid, is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.41.2. Gelet op hetgeen in 2.7.1, 2.9. en verder en 2.27. en verder is overwogen, kan het door appellanten aangevoerde thans niet worden beoordeeld. Gelet hierop blijft het betoog van appellanten met betrekking tot artikel 8 van de EVRM buiten bespreking.

Conclusie

2.42. Gelet op hetgeen in 2.9.2. is overwogen, heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Infrastructurele doeleinden" ter plaatse van het perceel [locatie sub 3] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op hetgeen in 2.9.2. is overwogen, is de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" op dat plandeel voorts vastgesteld in strijd met artikel 13 van de WRO. Door voornoemd plandeel en de aanduiding niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 13 van de WRO, respectievelijk artikel 28, tweede lid, van de WRO, in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Uit hetgeen in 2.7.1., 2.27.5 en 2.27.6. is overwogen volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Infrastructurele doeleinden" en "Water" ter plaatse van het westelijk deel van de rondweg, tussen de westelijke grens van het plan en de voorziene rotonde ter plaatse van de Oude Rijksweg, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, nu het in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Uit hetgeen in 2.27.4. en 2.9.3. is overwogen volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Infrastructurele doeleinden" en "Water" en de aanduiding "gebied waarop artikel 13 van de WRO van toepassing is" ter plaatse van het westelijk deel van de rondweg, tussen de westelijke grens van het plan en de voorziene rotonde ter plaatse van de Oude Rijksweg, in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, nu het in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

2.42.1. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen, gedeeltelijk gegrond.

2.42.2. De beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 20], De Baronie en anderen en vereniging De Kampen zijn voor het overige ongegrond, en de beroepen van [appellant sub 14] en [appellant sub 15] zijn geheel ongegrond.

2.42.3. Gelet op de samenhang tussen het westelijk deel van de rondweg en het oostelijk deel van de rondweg, ziet de Afdeling aanleiding het gehele bestreden besluit te vernietigen.

Zelf voorzien

2.42.4. Uit overwegingen 2.9.2. en 2.42. volgt dat er met betrekking tot het deel van het perceel [locatie sub 3] dat in het plan is opgenomen en de bestemming "Infrastructurele doeleinden" en de aanduiding "gebied waarop artikel 13 van de WRO van toepassing is" heeft, rechtens maar één te nemen beslissing mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Infrastructurele doeleinden" en de aanduiding "gebied waarop artikel 13 WRO van toepassing is" ter plaatse van de [locatie sub 3].

Proceskosten

2.43. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten sub 1], [appellanten sub 5] en vereniging De Kampen te worden veroordeeld.

Van proceskosten van [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 17], [appellant sub 18], De Baronie en anderen en [appellant sub 20] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Met betrekking tot de beroepen van [appellant sub 6], [appellant sub 14] en [appellant sub 15] bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ingediend door [appellant sub 6] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], vereniging De Kampen, [appellant sub 17], [appellant sub 18], De Baronie en anderen en [appellant sub 20] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 22 augustus 2006, kenmerk 2006-006636;

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Infrastructurele doeleinden" en de aanduiding "gebied waarop artikel 13 van de WRO van toepassing is" ter plaatse van het perceel [locatie sub 3];

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het bepaalde onder IV. in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], vereniging De Kampen, [appellant sub 17], [appellant sub 18], De Baronie en anderen en [appellant sub 20] voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 14] en [appellant sub 15] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellanten sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.148,29 (zegge: elfhonderdachtenveertig euro en negenentwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellanten sub 5] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij vereniging De Kampen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan vereniging De Kampen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten afzonderlijk het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 18] en [appellant sub 20], en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor [appellant sub 4], [appellant sub 17], vereniging De Kampen en De Baronie en anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E.T.Y.M. Moe Soe Let, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Moe Soe Let

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

481.