Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3037

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200703189/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2005 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellante sub 2 vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het uitbreiden van een atelierruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703189/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Castricum,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1428 van de rechtbank Alkmaar van 29 maart 2007 in het geding tussen:

[wederpartijen],

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2005 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan appellante sub 2 vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het uitbreiden van een atelierruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 27 maart 2006 heeft het college de door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2007, verzonden op 2 april 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college, bij brief van 4 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellante sub 2, bij brief van 10 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 1 juni 2007. Appellante sub 2 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 6 juni 2007.

[wederpartijen] zijn in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Elleman, advocaat te Amsterdam, en appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. D. Elmhassani, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts is [wederpartij] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Castricum 1936". Teneinde realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college ten tijde van het besluit op bezwaar van 27 maart 2006 niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen, omdat de door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: het college van GS) op 19 juli 2005 vastgestelde lijst van categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend ten tijde van dat besluit niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. De rechtbank heeft het besluit van 27 maart 2006 derhalve terecht vernietigd. Appellanten betogen in hoger beroep dat de rechtbank de gevolgen van dat besluit in stand had moeten laten.

2.3. Appellante sub 2 en het college voeren daartoe aan dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil is getreden door te beoordelen of het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.12 van de gemeentelijke bouwverordening, zonder dat hieraan in het beroepschrift een daartoe strekkende grond ten grondslag heeft gelegen.

2.3.1. Dit betoog slaagt. [wederpartijen] hebben in hun beroepschrift geen gronden aangevoerd die betrekking hebben op de bouwverordening. Of een bouwplan in overeenstemming is met de bouwverordening behoort evenmin ambtshalve te worden getoetst, aangezien dit aspect niet kan worden aangemerkt als van openbare orde. De rechtbank is derhalve in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb getreden buiten de grens van het aan haar voorgelegde geschil.

2.4. Gelet op het vorenoverwogene zijn de hoger beroepen van het college en appellante sub 2 gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

2.5. [wederpartijen] hebben betoogd dat de ruimtelijke onderbouwing, die wordt gevormd door de notitie "Uitbreiding […]" van 3 oktober 2005 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing), niet voldoet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld.

2.5.1. Dit betoog slaagt niet. Gelet op de ruime bebouwingsmogelijkheden die het ter plaatse geldende bestemmingsplan reeds biedt, maakt het bouwplan een geringe inbreuk op het bestaande planologische regime. In hetgeen [wederpartijen] hebben aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

2.6. [wederpartijen] hebben verder betoogd dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhaving van de vrijstelling heeft kunnen besluiten. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet zal leiden tot een toename van geluids- en milieuoverlast.

2.6.1. Dit betoog slaagt evenmin. Het college heeft zich blijkens het besluit op bezwaar en de ruimtelijke onderbouwing op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet zal leiden tot een toename van geluids- en milieuoverlast. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat een reeds op het perceel aanwezige vrijstaande schuur wordt vervangen door een aangebouwde, grotere atelierruimte. Gezien de beperkte uitbreiding van de bedrijfsruimte die het bouwplan tot gevolg heeft, is het college van mening dat de uitbreiding niet zal leiden tot een toename van de productie van het bedrijf. Voorts heeft het college van belang geacht dat het laden en lossen na verwezenlijking van het bouwplan tussen de reeds aanwezige boerderij en de daaraan te bouwen nieuwe bedrijfsruimte kan plaatsvinden, waardoor de kans op eventuele geluidsoverlast verminderd wordt. Niet valt in te zien dat dit standpunt onjuist is. Gelet op het vorenstaande heeft het college in redelijkheid ten behoeve van het bouwplan vrijstelling kunnen verlenen.

2.7. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 2.2. is overwogen, zal de Afdeling het door [wederpartijen] tegen het besluit van 27 maart 2006 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Nu de door het college van GS vastgestelde lijst van categorieën van gevallen op 2 augustus 2006 op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd en hetgeen door [wederpartijen] is aangevoerd geen doel treft, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 maart 2006 in stand blijven.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.9. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door appellante sub 2 betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan haar wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de door het college en appellante sub 2 ingestelde hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 maart 2007 in zaak nr. 06/1428;

III. verklaart het bij de rechtbank door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 27 maart 2006;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

VI. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan appellante sub 2 het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Krol, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Krol

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

494.