Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200703508/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de recreatiewoning op het perceel [locatie sub 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703508/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/950 van de rechtbank Breda van 11 april 2007 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) geweigerd aan [appellant sub 1] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van de recreatiewoning op het perceel [locatie sub 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 21 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 juni 2007.

Bij brief van 12 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2008, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. F.A. Bijlenga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 16 september 2004 heeft het college aan [appellant sub 1] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een veranda aan de recreatiewoning op het perceel. De recreatiewoning is gelegen in het recreatiepark Groenendries.

2.2. Het - inmiddels gerealiseerde - bouwplan dat thans ter beoordeling voorligt, voorziet in het vergroten van de recreatiewoning door het dichtmaken van de bestaande veranda door middel van puien.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat, door het niet tijdig beslissen op de bouwaanvraag, van rechtswege een bouwvergunning is verleend.

2.3.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een lichte bouwvergunning binnen zes weken na de ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Ingevolge het vierde lid is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Recreatiecentra". Ingevolge artikel 1.12, lid B, onder I, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen de als zodanig bestemde gronden worden bebouwd met gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend ten dienste van deze bestemming. Voor recreatiewoningen die zijn gelegen in het recreatiepark Groenendries geldt een maximale oppervlakte van 45 m². Daarnaast mag bij elk vakantiehuisje maximaal één aangebouwde bergplaats met een maximale oppervlakte van 6 m² en een maximale hoogte van 2,5 m worden gebouwd.

Ingevolge artikel 0.7, onderdeel A, eerste lid, van de planvoorschriften mag, voor zover de afwijking van het plan niet wordt vergroot, bebouwing die afwijkt van het plan en die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, eenmalig worden vergroot met ten hoogste 10% van de oppervlakte en ten hoogste 15% van de inhoud van de bebouwing, zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan. Ingevolge artikel 0.7, onderdeel A, tweede lid, van de planvoorschriften wordt bebouwing, opgericht dan wel op te richten na de terinzagelegging van het ontwerpplan, krachtens een bouwvergunning, verleend of aangevraagd vóór dat tijdstip, voor de toepassing van dit artikel geacht op dat tijdstip te bestaan.

2.3.2. De oppervlakte van de recreatiewoning bedraagt na verwezenlijking van het bouwplan meer dan 45 m². Verder is van belang dat, nog daargelaten de vraag of de recreatiewoning bestond of geacht werd te bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, het in artikel 0.7, onderdeel A, van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht niet van toepassing is, omdat het bouwplan, naar niet in geschil is, voorziet in een veel grotere uitbreiding van de oppervlakte van de recreatiewoning dan op grond van het overgangsrecht is toegestaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft gelet daarop dan ook terecht geoordeeld dat ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet de beslistermijnen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van die wet niet van toepassing zijn omdat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Nu dat het geval is, is geen bouwvergunning van rechtswege ontstaan, zodat het betoog van appellanten niet slaagt.

2.4. Appellanten betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college door te weigeren vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen, heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij wijzen daartoe op de bouwvergunning die op 10 januari 2005 is verleend voor het aanbouwen van een serre aan de woning op het perceel [locatie sub 2]. Voorts wijzen zij op de bouwvergunning die is verleend voor de bouw van vier recreatiewoningen op de percelen [locaties sub 3].

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de bouwvergunning die is verleend voor de aanbouw aan de woning op het perceel [locatie sub 2] niet vergelijkbaar is met de situatie van appellanten, reeds omdat de voor de woning op het perceel [locatie sub 1] verleende bouwvergunning is verleend op basis van het in artikel 0.7, onderdeel A, van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht en, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.3.2 is overwogen, dat overgangsrecht ten aanzien van het bouwplan van appellanten niet van toepassing is. De bouwvergunning die is verleend voor de bouw van vier recreatiewoningen op de [locaties sub 3], is evenmin vergelijkbaar met de situatie van appellanten, reeds omdat, naar ter zitting van de Afdeling is gebleken, dit geen bouwplan betreft dat naar aard en omvang vergelijkbaar is met het thans ter beoordeling voorliggende bouwplan.

2.5. Het betoog van appellanten inzake het vertrouwensbeginsel is voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is, waarom appellanten dit betoog niet reeds voor de rechtbank hadden kunnen aanvoeren en appellanten dit gelet op de functie van het hoger beroep hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Krol, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Krol

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

494.