Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC3023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
200703287/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft de raad van de gemeente Het Bildt (hierna: de raad) het middelste deel van de Wassenaarstraat te Sint Annaparochie (over een lengte van 75 meter) onttrokken aan het openbaar verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703287/1.

Datum uitspraak: 30 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], wonend, respectievelijk gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], allen gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/774, 06/786 en 06/787 van de rechtbank Leeuwarden van 16 april 2007 in het geding tussen:

1. appellanten

2. [wederpartij sub 2], wonende te [woonplaats]

en

de raad van de gemeente Het Bildt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft de raad van de gemeente Het Bildt (hierna: de raad) het middelste deel van de Wassenaarstraat te Sint Annaparochie (over een lengte van 75 meter) onttrokken aan het openbaar verkeer.

Bij uitspraak van 16 april 2007, verzonden op 17 april 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de daartegen door [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij brief van 9 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2007, en [appellanten sub 2] bij brief van 21 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 juli 2007 heeft de raad van antwoord gediend.

[appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] alsmede de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2007, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door drs. ing. M.T. te Wierik, werkzaam bij Mobycon te Zwolle, en [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door K. Tuinstra, en de raad, vertegenwoordigd door P. Woudstra, werkzaam bij Buro Vijn te Oenkerk, S. de Schiffart en W. Terpstra, beiden ambtenaren in dienst van de gemeente Het Bildt, zijn verschenen. Voorts zijn Wonen Noordwest Friesland en Zorggroep Noorderbreedte, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet, voor zover thans van belang, kan een weg aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van de raad van de gemeente waarin de weg is gelegen.

2.2. De raad heeft zich in het besluit van 26 januari 2006 op het standpunt gesteld dat de onttrekking van de Wassenaarstraat aan het openbaar verkeer verband houdt met het herinrichtingsplan van het centrumgebied in Sint Annaparochie. Het herinrichtingsplan voorziet in de versterking van de regionale centrumfunctie van het dorp. De raad heeft gesteld dat de onttrekking nodig is om de bouw van een woonzorgcomplex, dat deel uitmaakt van de plannen, mogelijk te maken. Voor het doorgaande verkeer van de Wassenaarstraat geldt de Cingel - een weg die op een afstand van 30 tot 35 meter parallel loopt aan de Wassenaarstraat - als alternatief. De Cingel wordt verbreed tot zes meter en daarnaast omgevormd van een eenrichtingsweg tot een weg waar in twee richtingen verkeer mogelijk is.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende compensatie wordt geboden voor het verdwijnen van de mogelijkheid om door de Wassenaarstraat te rijden. De rechtbank is van oordeel dat de doorstroming van het verkeer ter plaatse voldoende gewaarborgd is. Voor zover de onttrekking zou leiden tot enige problemen, acht de rechtbank deze niet zodanig groot dat zij zouden opwegen tegen het algemeen belang van de onttrekking.

2.4. [appellanten sub 1] betoogt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het betoog dat onjuiste toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, daar geen sprake is geweest van een aaneengesloten termijn van zes weken voor het indienen van zienswijzen.

Dit betoog leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Nu vaststaat dat [appellanten sub 1] tijdig zienswijzen tegen het ontwerp van het besluit naar voren heeft gebracht, is hij niet in zijn belangen geschaad door de niet aaneengesloten terinzagelegging daarvan.

2.5. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de doorstroming van het verkeer ter plaatse voldoende gewaarborgd is en voor zover sprake zou zijn van enige problemen deze niet zodanig groot zijn dat zij zouden opwegen tegen het algemeen belang van de onttrekking.

[appellanten sub 1] voert aan dat het algemeen belang is gediend bij het handhaven van de openbaarheid van de Wassenaarstraat. [appellanten sub 1] betoogt dat de onttrekking zal leiden tot congestie en verkeersonveilige situaties en het centrumgebied is gebaat bij een optimale ontsluiting. Daartoe betoogt hij dat aan het verkeersonderzoek dat de raad heeft laten verrichten - het rapport van 30 mei 2006 "Verkeerstoets ontwikkelingen Sint Annaparochie" - geen representatieve tellingen ten grondslag liggen en dat het rapport daarom onbetrouwbaar is. Hij voert voorts aan dat de norm voor woonstraten, van maximaal 3000 motorvoertuigen per dag, fors wordt overschreden en in het rapport geen rekening wordt gehouden met het zorgcentrum en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de verkeersveiligheid en parkeergelegenheid. Voorts wijst [appellanten sub 1] op de conclusie van het bedrijfsadvies van de Eigen Vervoerders Organisatie van 30 maart 2006 dat op de Cingel onvoldoende ruimte is voor een tweerichtingsweg.

[appellanten sub 2] voert aan dat de rechtbank de compensatie voor het onttrekken van de Wassenaarstraat als onvoldoende toereikend had moeten kwalificeren, omdat de aangepaste uitweg Cingel niet gelijkwaardig is aan de Wassenaarstraat. [appellanten sub 2] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de achteruitgang van de verkeersafwikkeling en de parkeervoorzieningen van het winkelgebied.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 mei 2007, zaak no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200608465/1&verdict_id=17198">200608465/1</a> is de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid van discretionaire aard. Aan het bevoegd gezag komt daarbij een ruime mate van beleidsvrijheid toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of sprake is geweest van strijd met wettelijke voorschriften dan wel van zodanige onevenwichtigheid bij de afweging van de betrokken belangen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan.

Anders dan [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen verzet het algemeen belang zich niet tegen de onttrekking van het betreffende gedeelte van de Wassenaarstraat. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het winkelcentrum goed bereikbaar blijft door de aanwezigheid van alternatieve routes, onder meer over de aan de Wassenaarstraat parallel lopende Cingel en door de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen in de omgeving. Zoals de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld heeft het onttrokken deel van de Wassenaarstraat sinds 1996 de bestemming "Wooncentrum". Feitelijk wordt deze bestemming thans gerealiseerd. Uit het onderzoek van het onderzoeksbureau DHV van mei 2006 blijkt niet dat het herinrichtingsplan van de raad voor de verkeersafwikkeling en parkeervoorzieningen onacceptabele problemen zal opleveren. Voor het oordeel dat de resultaten van dit onderzoek niet representatief of onbetrouwbaar zouden zijn bestaat geen grond. De door onderzoeksbureau DHV gehanteerde tellingen hebben op verschillende momenten plaats gevonden, deze tellingen zijn omgerekend naar etmaalintensiteiten en een seizoenscorrectie is toegepast.

Ten aanzien van de norm voor woonstraten wordt overwogen dat de Cingel niet als woonstraat, maar als winkelstraat dient te worden aangemerkt en in het kader van de winkelfunctie een hogere verkeersintensiteit acceptabel is. Voorts is de Cingel verbreed en in twee richtingen te berijden, doordat bij de inmiddels gerealiseerde herinrichting de afscheidingsranden van de naast de bochten liggende parkeervakken overrijdbaar zijn gemaakt. Tevens bevinden zich parkeerplaatsen aan beide uiteinden van de Cingel en heeft de raad ter zitting toegelicht dat door uitbreiding van het aantal parkeervoorzieningen in de omgeving ook het personeel en de bezoekers van de zorgunits en de bewoners en bezoekers van de aanleunwoningen voldoende parkeergelegenheid wordt geboden. De berekende maximale verkeersintensiteit op de Cingel betreft 11 motorvoertuigen per minuut vanuit beide richtingen. Het onderzoeksbureau DHV heeft aangegeven dat dergelijke aantallen geen congestie en verkeersonveiligheid opleveren, ook niet op het moment dat er op de rijbaan een vrachtwagen wordt geladen of gelost. Aannemelijk is dat het verkeer elkaar bij het passeren van ladende en lossende vrachtwagens zal afwisselen, zodat geen lange rijen met wachtende auto's zullen ontstaan. Van onafgebroken laden en lossen is voorts geen sprake, nu deze activiteiten naar verwachting grotendeels in de ochtenduren zullen plaatsvinden. De Afdeling is niet gebleken van nadelige gevolgen van de in geding zijnde wegonttrekking, anders dan de door [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] gestelde gevolgen voor de verkeersveiligheid en parkeergelegenheid, welke door de raad gemotiveerd zijn weersproken. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat voldoende compensatie wordt geboden voor het verdwijnen van de mogelijkheid om door de Wassenaarstraat te rijden.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit van 26 januari 2006 heeft kunnen komen of dat besluit om andere redenen niet in stand kan blijven.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008

312-440.