Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2549

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200704975/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Warmond, thans het college van burgemeester en wethouders van Teylingen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Warmond, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704975/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 05/8919 van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Teylingen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Warmond, thans het college van burgemeester en wethouders van Teylingen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Warmond, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2007, verzonden op 5 juni 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2005 vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 16 juli 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2007, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Koomen, ambtenaar bij de gemeente en [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een vrijstaand woonhuis met een aangebouwde garage. In het bouwplan zijn op de begane grond aan de linkerzijde van de woonkamer een keuken, een hal en een corridor gelegen. Deze ruimten zijn vanuit de woonkamer te bereiken. Links van de corridor bevindt zich een garage. Deze is via de corridor te bereiken. Boven de woonkamer, de keuken en de hal bevinden zich drie slaapkamers en drie badkamers. Deze zijn door middel van een trap vanuit de hal te bereiken. Onder en boven de garage en de corridor bevinden zich door middel van een trap in de garage te bereiken ruimten.

2.2. Het bouwplan is gesitueerd op grond met de nadere aanduiding (b) die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oranje Nassaulaan, na tweede wijziging" de bestemming "Woonruimten (W)" heeft.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b van de planvoorschriften mag de totale inhoud van een ééngezinshuis, inclusief bergplaats en praktijkruimte, voor zover de nadere aanduiding (b) is gegeven, niet meer dan 850 m³ bedragen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag, indien een garage aangebouwd aan een ééngezinshuis wordt gebouwd, in het geval de garage wordt aangebouwd bij een ééngezinshuis met de nadere aanduiding (b), de oppervlakte van die garage 60 m² bedragen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank de in het bouwplan onder en boven de garage gesitueerde ruimten, ten onrechte heeft aangemerkt als garage in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Hij voert daartoe aan dat deze ruimten zullen worden gebruikt als bergruimten en als zodanig moeten worden betrokken bij de berekening van de totale inhoud van de woning. Dat betekent dat de inhoud van de woning meer dan 850 m³ bedraagt en het bouwplan aldus in strijd is met artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

2.3.1. De ruimte op de begane grond zal worden gebruikt als stalling voor auto's en motorfietsen. De hieronder en hierboven gelegen ruimten zullen worden gebruikt als opslag van auto-onderdelen en gereedschappen ten behoeve van die auto's en motorfietsen. Beide ruimten zijn uitsluitend via een trap vanaf de begane grond bereikbaar. Deze ruimten moeten dan ook worden beschouwd als behorend tot de garage. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden overwogen dat deze ruimten moeten worden beschouwd als garage in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder, in geval zijn hiervoor bedoelde betoog faalt, dat de rechtbank het oordeel dat de oppervlakte van de garage meer dan 60 m² bedraagt op onjuiste wijze heeft gemotiveerd. Hij voert daartoe aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voor de bepaling van de omvang van de garage niet alleen het gedeelte van de garage dat de grootste grondoppervlakte omvat, zijnde de onder de grond gelegen ruimte, van belang is, maar dat de oppervlaktes van de drie bouwlagen bij elkaar moeten worden opgeteld.

2.4.1. Aangezien artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, anders dan de bepalingen met betrekking tot de maximale omvang van de ééngezinswoning, slechts een oppervlaktemaat en geen inhoudsmaat bevat, brengt een redelijke uitleg van die bepaling, in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 1996 in zaak nr. R03.93.2220 (BR 1996, p. 562), waarnaar de rechtbank heeft verwezen, met zich mee dat moet worden uitgegaan van de oppervlakte die de garage op het perceel inneemt en, anders dan [appellant] betoogt, niet van de gezamenlijke oppervlakte van de bouwlagen, althans voor zover die boven elkaar zijn gelegen. Uit het bouwplan blijkt dat dit voorziet in een ondergronds bouwdeel met een oppervlakte van meer dan 60 m² en dat dit deel, vergeleken met de andere delen, de grootste oppervlakte heeft. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008

164-502.