Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200703743/1 en 200703777/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan de Stichting Trudo ontheffing verleend ten behoeve van het wijzigen van het gebruik van het pand Dommelstraat 9 te Eindhoven (hierna: het pand) als kantoor in gebruik als kantoor en wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703743/1 en 200703777/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de vereniging Horecavereniging Dommelstraat, gevestigd te Eindhoven, [appellant sub 1A], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam Bodega d'n Engel, en de vereniging Vereniging van Appartementseigenaren De Tram, gevestigd te Eindhoven,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraken in de zaken nrs. 07/687 en 07/446 van de

rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 april 2007 in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

 

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan de Stichting Trudo ontheffing verleend ten behoeve van het wijzigen van het gebruik van het pand Dommelstraat 9 te Eindhoven (hierna: het pand) als kantoor in gebruik als kantoor en wonen.

Tegen dat besluit hebben appellanten sub 1 (hierna tezamen in enkelvoud: de Horecavereniging Dommelstraat) en appellant sub 2 afzonderlijk bezwaar gemaakt, welke bezwaren door het college ter behandeling als beroep zijn doorgezonden naar de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank).

Bij afzonderlijke uitspraken van 20 april 2007, verzonden op 24 april 2007, heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben de Horecavereniging Dommelstraat bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2007, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 25 juni 2007. De Horecavereniging Dommelstraat heeft de gronden van haar beroep aangevuld bij brief van 26 juni 2007.

Bij brief van 30 juli 2007 heeft het college in beide hoger beroepen van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [appellant sub 2]. Dit is aan het college en de Stichting Trudo toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2007, waar de Horecavereniging Dommelstraat, vertegenwoordigd door mr. M. Brüll, advocaat te Helmond, [appellant sub 2] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de Stichting Trudo, vertegenwoordigd door ir. M.G.M. van Cleef, bijgestaan door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 2] heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat de versnelde procedure bij de rechtbank ten aanzien van het door hem ingestelde beroep niet zorgvuldig is doorlopen, ingetrokken. Deze beroepsgrond blijft dan ook buiten behandeling.

2.2. De Horecavereniging Dommelstraat betoogt tevergeefs dat de rechtbank in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, door een in opdracht van het college opgesteld nader advies van de Milieudienst in de procedure toe te laten, hoewel dit stuk binnen de termijn van tien dagen voorafgaand aan de zitting, neergelegd in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan haar ter kennis is gebracht.

Het advies moet worden aangemerkt als een nadere onderbouwing van een reeds door het college ingenomen standpunt. Het sluit aan op het eerdere advies en is niet van zodanige inhoud of omvang dat de Horecavereniging Dommelstraat gezien de dagen die nog resteerden het niet afdoende in de voorbereiding van de zitting heeft kunnen betrekken. Derhalve is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de Horecavereniging Dommelstraat door de overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb neergelegde termijn met één dag niet onevenredig in haar procesvoering is bemoeilijkt.

2.3. De Stichting Trudo wenst in het pand een zogeheten domushuis te vestigen waarin ten behoeve van ten hoogste 25 personen met een verleden als dakloze, soms in combinatie met een verslaving, de mogelijkheid wordt geboden tot zelfstandig wonen onder begeleiding en toezicht. De exploitatie zal geschieden door het Leger des Heils.

2.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Leefmilieuverordening Eindhoven 2003 (hierna: de LMV), voor zover thans van belang, wordt onder bedrijf verstaan elk gebouw of gedeelte van een gebouw alsmede de daarbijbehorende gronden of gedeelten daarvan waarbinnen een activiteit wordt ontwikkeld, welke genoemd wordt in de bijlage I (staat van bedrijfsactiviteiten).

Ingevolge artikel 4 van de LMV is het verboden binnen het op de bij de verordening behorende kaart aangeduide toepassingsgebied het gebruik van gronden en gebouwen te wijzigen in een gebruik anders dan voor wonen.

Ingevolge artikel 6 van de LMV kunnen burgemeester en wethouders voor bedrijven en daarbij behorende bedrijfsgronden gelegen binnen het toepassingsgebied van het in artikel 4 genoemde verbod, die ten tijde van het van kracht worden van deze verordening reeds als zodanig in gebruik waren, ontheffing verlenen voor een wijziging van het gebruik, mits:

a. het betreft een bedrijf dat genoemd wordt in bijlage I onder de categorieën 1, 2, of 3 of, voorzover daarin niet genoemd, een met deze categorieën naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijf;

b. de activiteiten geen onevenredige hinder voor het woonmilieu opleveren;

c. (…);

d. (…).

2.5. De Horecavereniging Dommelstraat en [appellant sub 2] richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat is voldaan aan het bepaalde in de aanhef van artikel 6 van de LMV. Daartoe voeren ze aan dat niet is gebleken van een overeenkomstig gebruik door de Stichting Trudo op het moment van het van kracht worden van die verordening.

2.5.1. Artikel 6 behelst een overgangsrechtelijke bepaling. Daarin is niet vereist dat ten tijde van het van kracht worden van de LMV de Stichting Trudo reeds in het pand was gevestigd, maar slechts dat het pand ten tijde van het van kracht worden van de LMV reeds als bedrijfspand werd gebruikt. De rechtbank heeft dan ook met juistheid vastgesteld dat het woord 'bedrijf' ziet op een gebouw waarbinnen een bedrijfsmatige activiteit plaatsvindt en niet om een bedrijf als een bepaalde organisatorische eenheid. Nu het pand ten tijde van het van kracht worden van de LMV in gebruik was als kantoor, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat is voldaan aan het bepaalde in de aanhef van artikel 6 van de LMV.

Anders dan [appellant sub 2] aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat de tekst van de aanhef van artikel 6 van de LMV niet duidelijk is.

2.6. De Horecavereniging Dommelstraat en [appellant sub 2] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 6, onder a, van de LMV. Naar hun mening kunnen de in het pand voorziene activiteiten niet gelijk worden gesteld met persoonlijke dienstverlening als bedoeld in de staat van bedrijfsactiviteiten. Zij wijzen erop dat het hier gaat om de vestiging van een Regionale Instelling Beschermd Wonen.

2.6.1. Het bepaalde in artikel 6, onder a, van de LMV heeft uitsluitend betrekking op de milieubelasting van de in het pand voorziene activiteiten en niet, zoals de Horecavereniging Dommelstraat en [appellant sub 2] ter ondersteuning van hun betoog aanvoeren, op de uitstraling van het domushuis in al zijn facetten, vergeleken met de uitstraling van andere, in de staat van bedrijfsactiviteiten genoemde activiteiten. In het nadere advies van 20 maart 2007 van de Milieudienst is voor de beoordeling van die milieubelasting aansluiting gezocht bij het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer en de nota van toelichting daarop. Bij de in het pand voorziene activiteiten gaat het in hoofdzaak om potentiële geluidhinder. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het domushuis aldus ten onrechte onder milieucategorie I is gebracht. De rechtbank heeft dan ook met juistheid vastgesteld dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 6, onder a, van de LMV.

2.7. Onder verwijzing naar ervaringen uit het verleden voeren de Horecavereniging Dommelstraat en [appellant sub 2] ten slotte aan dat de rechtbank heeft miskend dat de voorziene activiteiten onevenredige hinder voor het woonmilieu ter plaatse van de omgeving Stationsplein/Dommelstraat zullen opleveren en dat daarom niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6, onder b, van de LMV.

2.7.1. Dit betoog faalt eveneens. De permanente aanwezigheid van de betrokken 25 hulpvragers zal van invloed zijn op het woonmilieu van de omgeving. De om die reden getroffen organisatorische voorzieningen zijn door het college en de stichting Trudo ter zitting nader toegelicht. De hulpvragers zullen onder begeleiding komen te staan en de begeleiders zullen, als zich ongewenste situaties voordoen, de noodzakelijke maatregelen nemen. Ter plaatse van het pand is camerabewaking voorzien en in het pand zal een portier aanwezig zijn. Door het Leger des Heils zal met de buurtbewoners overleg worden gevoerd in het kader van de zogenoemde kwaliteitskring Dommelkwartier en de gemeente Eindhoven, de Stichting Trudo, het Leger des Heils en de politie zijn gebonden aan een tussen hen gesloten beheersconvenant. Voorts is van belang dat de in het verleden aanwezige opvang voor zwervers en verslaafden niet gelijk is te stellen met de onderhavige voorziening.

Onderzoek naar alternatieve locaties, zoals door de Horecavereniging Dommelstraat bepleit, is niet aan de orde omdat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend.

In aanmerking genomen de beoordelingsvrijheid die, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, het college bij de beoordeling of sprake zal zijn van onevenredige hinder voor het woonmilieu beoordelingsruimte toekomt, ziet de Afdeling evenmin als de rechtbank grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van onevenredige hinder.

2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008

328-530.