Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200703705/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het dagelijks bestuur) de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Unitel Holding B.V. en anderen (hierna: Unitel Holding) verleende investeringspremie vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703705/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband Noord-Nederland,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 06/170 van de rechtbank Groningen van 12 april 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Unitel Holding B.V. en anderen, gevestigd te Alteveer,

gemeente De Wolden,

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het dagelijks bestuur) de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Unitel Holding B.V. en anderen (hierna: Unitel Holding) verleende investeringspremie vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 16 december 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door Unitel Holding gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2007, verzonden op 18 april 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door Unitel Holding ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 december 2005 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen per fax op 29 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Unitel Holding heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2007, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.E. van der Heijden en drs. C. van Rosendal, beiden werkzaam bij het samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het SNN), en Unitel Holding, vertegenwoordigd door mr. E. Hardenberg, advocaat te Groningen, vergezeld door haar [directeur], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Unitel Holding heeft in haar verweerschrift betoogd dat uit de machtiging tot het instellen van hoger beroep niet blijkt dat mr. S.E. van der Heijden bevoegd is namens het dagelijks bestuur hoger beroep in te stellen.

2.1.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging SNN, voor zover thans van belang, wordt aan de directeur SNN volmacht en machtiging verleend tot het namens het dagelijks bestuur verrichten van (rechts)handelingen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de directeur SNN ten behoeve van de uitoefening van een krachtens artikel 2 verleende bevoegdheid schriftelijk volmacht en machtiging verlenen aan medewerkers van de uitvoerorganisatie SNN. Uit deze bepalingen volgt dat de directeur SNN bevoegd is een machtiging aan mr. S.E. van der Heijden, werkzaam bij het SSN, te verlenen. De machtiging dateert van 24 juli 2006. Deze is namens het dagelijks bestuur verleend door de directeur SNN en machtigt, voor zover thans van belang, mr. S.E. van der Heijden om namens het SNN in rechte op te treden. De machtiging houdt tevens in dat mr. S.E. van der Heijden bevoegd is namens het dagelijks bestuur bij de Afdeling het woord te voeren. Gelet op de bewoordingen van de machtiging, in onderlinge samenhang gelezen, moet het er in dit geval voor worden gehouden dat deze ziet op zowel het namens het dagelijks bestuur indienen van een hoger beroepschrift als het namens het dagelijks bestuur bij de Afdeling voeren van het woord. Het betoog van Unitel Holding faalt.

2.2. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000 (hierna: de IPR 2000), voor zover thans van belang, wordt een premie ten behoeve van een uitbreidingsproject geweigerd indien de premiabele kosten minder dan € 453.780,00 bedragen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, voor zover thans van belang, kan een besluit tot premieverlening worden ingetrokken of ten nadele van de premieontvanger worden gewijzigd, indien de premieontvanger niet voldoet aan de voorschriften van deze regeling.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, wordt de premie vastgesteld op basis van de ten behoeve van de uitvoering van het project gemaakte en betaalde kosten die op eenduidige wijze uit de administratie van de ondernemer zijn af te leiden.

Ingevolge het tweede lid is het vastgestelde premiebedrag niet hoger dan het bedrag, bedoeld in artikel 18, of dan het bedrag dat op grond van de door de Europese Commissie vastgestelde maximale premiepercentages mag worden verleend.

2.3. De op grond van de IPR 2000 verleende investeringspremie had betrekking op de aankoop, verbouw en inrichting van een bedrijfspand voor de verdere groei van Unitel Holding. De investeringspremie is door het dagelijks bestuur bij besluit van 6 juli 2005 op nihil vastgesteld omdat na het uitvoeren van correcties de premiabele kosten onder de grens, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de IPR 2000, zijn komen te liggen.

2.4. Het dagelijks bestuur betoogt allereerst dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te overwegen dat het dagelijks bestuur bij de bepaling van de premiabele kosten ten onrechte is uitgegaan van de getaxeerde waarde van het bedrijfspand.

2.4.1. Dit betoog faalt. Uit de brief van 16 februari 2006, waarin Unitel Holding de gronden van het beroep heeft uiteengezet, blijkt dat Unitel Holding zich in het bijzonder niet kan vinden in het standpunt van het dagelijks bestuur dat bij de bepaling van de premiabele kosten moet worden uitgegaan van de getaxeerde waarde van het bedrijfspand.

2.5. Voorts betoogt het dagelijks bestuur, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur bij het bepalen van de premiabele kosten ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de (feitelijke) koopsom. Bij het bepalen van de premiabele kosten dient volgens het dagelijks bestuur te worden uitgegaan van de waarde vermeld in het bij de aanvraag overgelegde taxatierapport.

2.5.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat bij het bepalen van de premiabele kosten moet worden uitgegaan van de vooraf getaxeerde verkoopwaarde geen steun vindt in de IPR 2000. De regeling gaat uit van de waarde van bedrijfsgebouwen in het economisch verkeer. Onder de waarde in het economisch verkeer moet in dit geval worden verstaan de feitelijke koopsom tenzij op grond van bijzondere omstandigheden moet worden aangenomen dat de koopsom geenszins de waarde in het economisch verkeer weerspiegelt. Indien derhalve blijkt dat de koopsom een andere is dan de aanvankelijk getaxeerde waarde, zal laatstgenoemde waarde vervangen moeten worden door de door middel van de koop werkelijk gebleken waarde van het object in het economisch verkeer, zulks uiteraard binnen de grenzen van artikel 25, tweede lid, van de IPR 2000. De rechtbank is, zij het deels op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat de premiabele kosten onder de grens als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de IPR 2000, zijn komen te liggen, op een onjuiste grondslag is gebaseerd en het beroep terecht gegrond verklaard.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.7. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband Noord-Nederland tot vergoeding van bij Unitel Holding in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 687,93 (zegge: zeshonderdzevenentachtig euro en drieënnegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het samenwerkingsverband Noord-Nederland aan Unitel Holding onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. bepaalt dat van het samenwerkingsverband Noord-Nederland een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008

85.