Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200705593/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten), voor zover hier van belang, aan [appellant] ontheffing verleend voor het toepassen van zinken bouwmaterialen en ontheffing geweigerd voor het plaatsen van een koperen regenpijp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 30 met annotatie van H.F.M.W. van Rijswick
Milieurecht Totaal 2008/2516
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/764
JOM 2010/574
JWA 2010/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705593/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten), voor zover hier van belang, aan [appellant] ontheffing verleend voor het toepassen van zinken bouwmaterialen en ontheffing geweigerd voor het plaatsen van een koperen regenpijp.

Bij besluit van 27 juni 2007 hebben gedeputeerde staten het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 6 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 september 2007.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.H.H.M. Roelofs, advocaat te 's-Hertogenbosch, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door D.H. de Vries, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Als door [appellant] meegebrachte deskundigen zijn gehoord [directeur] van de Stichting Duurzaam Bouwmetaal, en [technisch adviseur].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge bepaling 3A.2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van Bijlage 10, onder B, van de Provinciale milieuverordening van de provincie Noord-Brabant is het verboden in beschermingszones buiten inrichtingen schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, van die bepaling is het verboden in beschermingszones buiten inrichtingen constructies van welke aard dan ook - leidingen en installaties daaronder begrepen - tot stand te brengen, te hebben of te gebruiken met het doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem mogelijk te maken.

Ingevolge bepaling 3A.2.3, eerste lid, voor zover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de in bepaling 3A.2.1, eerste lid, onder a en b, gestelde verboden.

Ingevolge bepaling 1.2, eerste lid, wordt onder schadelijke stoffen in elk geval verstaan de stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten die voorkomen op een door gedeputeerde staten vastgestelde lijst.

2.2. [appellant] heeft gedeputeerde staten verzocht om ontheffing van de provinciale milieuverordening voor activiteiten binnen een grondwaterbeschermingsgebied. De activiteiten betreffen volgens de aanvraag om ontheffing het gebruik van zink voor de kraal van een goot en een koperen regenpijp.

Bij het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit hebben gedeputeerde staten krachtens bepaling 3A.2.3, eerste lid, van Bijlage 10 van de Provinciale milieuverordening op verzoek van [appellant] ontheffing verleend van de in bepaling 3A.2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, opgenomen verboden ten behoeve van het toepassen van zinken bouwmaterialen die zijn voorzien van een coating en daaraan onder meer het voorschrift verbonden dat de zinken (dak)goten en kraal voordat deze in gebruik worden genomen volledig dekkend dienen te zijn gecoat met Enke-coat. Voorts hebben gedeputeerde staten geweigerd krachtens bepaling 3A.2.3, eerste lid, ontheffing te verlenen van de in bepaling 3A.2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, vervatte verboden ten behoeve van een koperen regenpijp.

2.3. Zink en koper komen voor op de in bepaling 1.2, eerste lid, van Bijlage 10, onder B, van de Provinciale milieuverordening genoemde lijst van schadelijke stoffen, door gedeputeerde staten vastgesteld op 23 februari 1995. Deze stoffen vallen derhalve onder het in bepaling 3A.2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van Bijlage 10, onder B, van de Provinciale milieuverordening opgenomen verbod. Om de zinken kraal en de koperen regenpijp te kunnen plaatsen is derhalve ontheffing vereist als bedoeld in bepaling 3A.2.3, eerste lid.

2.4. [appellant] betoogt dat zink en koper niet schadelijk zijn voor het milieu, althans een verwaarloosbare invloed op de kwaliteit van het grondwater hebben, omdat deze stoffen een goede biobeschikbaarheid hebben. Hij verwijst in dit verband naar stukken die aan hem zijn overgelegd door de Stichting Duurzaam Bouwmetaal. Verder voert hij aan dat koper en zink in het kader van de op 23 oktober 2000 door het Europees Parlement en de Raad vastgestelde Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het water beleid (hierna: de Kaderrichtlijn water) niet meer als gevaarlijk of prioritair worden beschouwd. Voorts richt hij zich tegen het aan de ontheffing verbonden voorschrift dat de zinken kraal dient te zijn gecoat met Enke-coat. Volgens [appellant] is dat niet nodig, omdat de kraal van de goot bestaat uit geprepatineerd zink.

2.5. Gedeputeerde staten stellen zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om de stoffen koper en zink niet langer als schadelijke stoffen als bedoeld in de genoemde lijst van schadelijke stoffen aan te merken. Daartoe voeren zij aan dat de door [appellant] overgelegde stukken slechts betrekking hebben op het oppervlaktewater en niet op het grondwater, dat de provinciale milieuverordening beoogt te beschermen. Verder verwijzen zij in dit verband naar de Decembernota 2006 KRW/WB21: Beleidsbrief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (hierna: Decembernota). Gedeputeerde staten betogen voorts dat het voorschrift om de zinken (dak)goten en kraal te voorzien van Enke-coat aan de ontheffing is verbonden omdat door [appellant] in de aanvraag is aangegeven dat deze coating zou worden aangebracht. Ook stellen zij dat het prepatineren van zink het uitlogen ervan niet voorkomt. Daarnaast zijn volgens gedeputeerde staten geen voorzieningen getroffen om het uitlogen van koper tegen te gaan.

2.6. Vaststaat dat koper en zink (zware) metalen zijn. De door [appellant] overgelegde stukken laten zich niet uit over de invloed die deze stoffen hebben op de kwaliteit van het grondwater, dat de provinciale milieuverordening beoogt te beschermen. De stukken zien op de invloed die zink en koper op het oppervlaktewater hebben. Volgens die stukken wordt het effect die deze stoffen op het oppervlaktewater hebben overschat, waarbij de biobeschikbaarheid als norm een rol speelt. Een nadelige invloed wordt echter in die stukken niet uitgesloten. Ten aanzien van het betrekken van de biologische beschikbaarheid als norm bij de beoordeling van de schadelijke effecten van stoffen is bovendien nog geen beleid ontwikkeld. Verder is in de Decembernota opgenomen dat het mogelijk is om in het kader van preventiebeleid plaatselijk eisen te stellen aan de emissie van metalen, zoals zink en koper, die in de bouw worden toegepast. Ook is daarin vermeld dat het niet de bedoeling is dat het toetsen van de biologische beschikbaarheid van stoffen leidt tot een versoepeling van het brongerichte preventiebeleid. Voorts is de Kaderrichtlijn water er ook op gericht, naast het progressief verminderen van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en het stopzetten of geleidelijk beëindigen daarvan, de verontreiniging van grondwater te verminderen en verdere verontreiniging door verontreinigende stoffen daarvan te voorkomen. In de bij de Kaderrichtlijn behorende bijlage VIII zijn onder meer metalen aangemerkt als stoffen die tot verontreiniging kunnen leiden. Koper en zink kunnen derhalve volgens de Kaderrichtlijn verontreiniging veroorzaken. Ter zitting is ook door [technisch adviseur] verklaard dat op bepaalde locaties in de provincie Noord-Brabant sprake is van een hoge concentratie van de stoffen koper en zink in de bodem en dat daardoor niet is uit te sluiten dat een geringe toename van die stoffen in de bodem nadelige gevolgen voor het grondwater kan hebben. De omstandigheid dat het regenwater via de regenpijp wordt opgevangen in een put en vervolgens voor het doorspoelen van het toilet wordt gebruikt, zoals ter zitting door [appellant] naar voren is gebracht, betekent daarom niet dat niet van een nadelige invloed als gevolg van het uitlogen van de materialen door spattend regenwater op de zinken kraal en de buitenkant van de koperen regenpijp, sprake kan zijn. De Afdeling acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dat in het geheel niet het geval kan zijn.

Gelet daarop kan niet met vrucht worden staande gehouden dat gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de toepassing van de zinken kraal en de koperen regenpijp een voor de kwaliteit van het grondwater nadelige invloed kunnen hebben.

2.7. Volgens een door gedeputeerde staten overgelegd TNO-rapport "Emissies van bouwmaterialen" van 5 juni 2003 wordt met het prepatineren van zink het uitlogen van zink niet voorkomen. Daarnaast is niet gebleken van maatregelen om het uitlogen van koper te verhinderen.

Niet kan daarom worden uitgesloten dat deeltjes koper en zink in het grondwater terecht zullen komen. Gelet daarop hebben gedeputeerde staten het aan de ontheffing verbonden voorschrift dat het zink volledig dient te zijn gecoat met Enke-coat en de weigering ontheffing voor de koperen regenpijp te verlenen in redelijkheid bij het bestreden besluit kunnen handhaven.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Duursma

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008

378.