Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200702152/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) aan J. Bekkedam een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met paarden aan de [locatie] te Haaksbergen. Dit besluit is op 16 februari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/563
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702152/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Haaksbergen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college) aan J. Bekkedam een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met paarden aan de [locatie] te Haaksbergen. Dit besluit is op 16 februari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 27 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 april 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2007, waar [appellanten], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij een milieuadviesbureau, en het college, vertegenwoordigd door ing. G.J. Haverkamp en ing. H. Kaal, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] voeren aan dat het college de ammoniakemissie vanwege de inrichting op een onjuiste en ontoereikende wijze heeft beoordeeld. Zij betogen dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met onder meer de achtergronddepositie en kritische depositiewaarde van het dichtst bij de inrichting gelegen kwetsbare gebied. Volgens [appellanten] veroorzaakt de uitbreiding van de inrichting een belangrijke toename van de verontreiniging als bedoeld in artikel 6, tweede lid (oud) van de Wet ammoniak en veehouderij, zodat de gevraagde vergunning niet had mogen worden verleend.

2.1.1. Ingevolge artikel 6, tweede lid, (oud) van de Wet ammoniak en veehouderij wordt, indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van de Richtlijn 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

2.1.2. Het college heeft bij de toetsing aan dit artikellid tot uitgangspunt genomen dat een toename van de ammoniakdepositie vanwege een inrichting tot maximaal 15 mol geen belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt. Het college stelt daarbij dat de depositienorm van 15 mol, die ook in de inmiddels vervallen Interimwet ammoniak en veehouderij was opgenomen, een algemeen aanvaardbare norm voor nieuwvestiging of uitbreiding van veehouderijen is. Nu de ammoniakdepositie vanwege de inrichting met ongeveer 1,2 mol toeneemt tot in totaal ongeveer 3 mol, heeft de vergunde uitbreiding van de inrichting volgens het college geen belangrijke toename van de verontreiniging als bedoeld in dit artikellid tot gevolg.

2.1.3. Vaststaat dat de inrichting onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn valt. Verder staat vast dat de inrichting niet in een kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een dergelijk gebied is gelegen. Voor de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte ammoniakemissie vormt artikel 6, tweede lid, (oud) van de Wet ammoniak veehouderij derhalve het toetsingskader.

2.1.4. Uit onder meer de uitspraken van 10 november 2004, in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200304823/1&verdict_id=8799">200304823/1</a> en 16 november 2005, in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200502808/1&verdict_id=12084">200502808/1</a>, volgt dat voor de beoordeling of sprake is van een belangrijke verontreiniging als bedoeld in artikel 6, tweede lid, (oud) van de Wet ammoniak en veehouderij niet kan worden volstaan met een toets aan de norm van 15 mol, zoals deze voorheen onder de werking van de Interimwet ammoniak en veehouderij werd verricht; eveneens moet rekening worden gehouden met de bestaande toestand van het milieu, zoals de geldende kritische depositiewaarden en de heersende achtergronddepositie van ammoniak, en met redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen betreffende de inrichting en de omgeving daarvan, die uit het oogpunt van milieubescherming van belang kunnen zijn. Nu het college deze aspecten niet heeft betrokken bij de vraag of sprake is van een belangrijke verontreiniging, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

2.1.5. Aangezien de mate van verontreiniging door de ammoniakemissie mede bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. In verband hiermee behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.2. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen van 6 februari 2007, nr. 05.5734;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 684,73 (zegge: zeshonderdvierentachtig euro en drieënzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haaksbergen aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Haaksbergen aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008

190-492.