Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200709036/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. (hierna: Kuwait) een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in werking hebben van een tankstation aan de Wenckebachstraat 146 te Velsen in strijd met onder meer voorschrift 1.5 van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit tankstations).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Besluit tankstations milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709036/1.

Datum uitspraak: 18 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kuwait Petroleum (Nederland) B.V., gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Velsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. (hierna: Kuwait) een last onder dwangsom opgelegd vanwege het in werking hebben van een tankstation aan de Wenckebachstraat 146 te Velsen in strijd met onder meer voorschrift 1.5 van het Besluit tankstations milieubeheer (hierna: het Besluit tankstations).

Tegen dit besluit heeft Kuwait bezwaar gemaakt.

Bij brief van 21 december 2007, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2007, heeft Kuwait de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 januari 2008, waar Kuwait, vertegenwoordigd door mr. D. Linschoten en ir. L.C. Brouwer, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M. Koelman en M. van Tunen, beiden werkzaam bij de Milieudienst IJmond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge voorschrift 1.5. van het Besluit tankstations moet rond de vulpunten van de ondergrondse tanks een geheel vloeistofdichte en produktbestendige opvangbak met een voldoende oppervlak zijn aangebracht met een inhoud van ten minste 60 l. De opstaande randen van een opvangbak moeten ten minste 10 cm hoog zijn en een vulpunt mag zich niet binnen 25 cm van de rand van de opvangvoorziening bevinden. […] Gemorste brandstof moet direct worden verwijderd of worden opgeslagen in een opslagtank. De opvangbak mag vervangen worden door een alternatieve voorziening, mits daarmee ten minste een gelijk beschermingsniveau wordt bereikt.

2.2. Kuwait betoogt dat het college niet bevoegd was tot handhavend optreden omdat de bij haar aanwezige vloeistofdichte bestrating ten minste een gelijk beschermingsniveau biedt als de opvangbak zoals bedoeld in voorschrift 5.1 van het Besluit tankstations. Kuwait stelt dat de in de inrichting aanwezige voorziening in essentie dezelfde is als die in meer dan 2.000 andere tankstations in Nederland. Met de aanwezigheid van deze voorziening in combinatie met andere getroffen maatregelen is er een verwaarloosbaar risico van verontreiniging van de bodem. Voorschrift 5.1 van het Besluit tankstations wordt derhalve niet overtreden.

2.3. Het college betoogt dat de vloeistofdichte bestrating in dit geval geen gelijk beschermingsniveau biedt, nu via deze bestrating grote hoeveelheden brandstof in de openbare riolering - en daarmee mogelijk in de bodem en het oppervlaktewater - terecht zouden kunnen komen, hetgeen niet is toegestaan.

2.4. Ter zitting is gebleken dat de vloeistofdichte bestrating is aangesloten op de bedrijfsriolering. De bedrijfsriolering is aangesloten op een olie-/benzineafscheider die vervolgens uitkomt op de openbare riolering. De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting gezegd dat het niet bekend is met deze ook in andere tankstations aanwezige voorziening, die volgens Kuwait in het licht van voorschrift 5.1 van het Besluit tankstations toereikend zou zijn. Dit laatste is het college niet gebleken. Het college stelt zich op het standpunt dat een dergelijke voorziening hoe dan ook niet op de openbare riolering mag zijn aangesloten en ook overigens niet onder alle omstandigheden kan voorkomen dat geen verontreiniging van de bodem kan plaatsvinden. Beantwoording van de vraag of een dergelijke vloeistofdichte bestrating een gelijk beschermingsniveau biedt als een opvangbak zoals bedoeld in voorschrift 5.1 van het Besluit tankstations vergt nader onderzoek, waar de onderhavige procedure zich niet voor leent.

2.5. Ter zitting is gebleken dat de onderhavige situatie reeds vier tot vijf jaar bestaat. In die periode zijn geen problemen geconstateerd ter zake van het weglopen van grote hoeveelheden brandstof in de openbare riolering. Daarnaast heeft Kuwait ter zitting onweersproken gesteld dat zij verscheidene maatregelen heeft genomen om het risico dat brandstof in de openbare riolering terecht komt, zo klein mogelijk te maken. De chauffeurs die de ondergrondse opslagtanks bijvullen krijgen hieromtrent een strikte instructie. Indien meer dan vijf liter brandstof wordt gemorst, moet dit worden gemeld bij Kuwait waarna het wordt besproken met het management. Verder zijn de opslagtanks voorzien van een beveiliging die ervoor zorgt dat de tanks niet kunnen overlopen bij het vullen. Indien bij het vullen van de tanks de slang onverhoopt zou losschieten, dan loopt de brandstof die op dat moment in de slang zit terug naar de tankauto. Ten slotte beschikt de olie-/benzineafscheider over een beveiligingssysteem, die ervoor zorgt dat bij een onverwachte toestroom van een grote hoeveelheid brandstof via de vloeistofdichte bestrating naar de bedrijfsriolering er geen grote hoeveelheden brandstof kunnen weglopen naar de openbare riolering. Eén en ander leidt er toe dat naar de mening van Kuwait het risico van weglopen van brandstof naar de openbare riolering in feite te verwaarlozen is.

2.6. Onder genoemde omstandigheden acht de voorzitter het op voorhand niet aannemelijk dat er een onaanvaardbaar risico van verontreiniging bestaat in de periode tot door het college op het bezwaarschrift wordt beslist. De voorzitter ziet, bij afweging van de betrokken belangen, daarom aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Velsen van 13 december 2007, kenmerk mdi/eam/2007-14223, voor zover het de last onder dwangsom betreft die is opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 1.5 van het Besluit tankstations milieubeheer, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II. gelast dat de gemeente Velsen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2008

159-493.