Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200706942/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Halderberge (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiële herziening Buitengebied Deelgebieden Hoeven en Oudenbosch, Bovenstraat 51" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706942/2.

Datum uitspraak: 18 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Halderberge (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiële herziening Buitengebied Deelgebieden Hoeven en Oudenbosch, Bovenstraat 51" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2007, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2007, waar [verzoekers], in persoon en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg, zijn verschenen. Voorts is daar verschenen de raad, vertegenwoordigd door R.C.M. de Beer, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor het perceel Bovenstraat 51 (hierna: het perceel). Voor dit perceel zijn in het plan opgenomen een plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" en een plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)".

2.3. Met betrekking tot de gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" betogen [verzoekers] dat de op die gronden aanwezige voormalige varkensloods ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht. Volgens hen is daarmee onvoldoende zeker dat de bedoelde loods daadwerkelijk zal worden gesloopt.

2.3.1. Het college heeft het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft dit goedgekeurd.

2.3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" een gebouw staat met een oppervlakte van ongeveer 140 m2 dat voorheen als varkensloods werd gebruikt. Dit gebouw is onder het in artikel 9.1. van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht gebracht.

2.3.3. De voorzitter vat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" aldus op dat het verzoek ertoe strekt dat wordt gegarandeerd dat de voornoemde voormalige varkensloods zal verdwijnen. Hierover overweegt de voorzitter dat [verzoekers] niet zijn gebaat bij schorsing van het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)", aangezien daarmee de sloop van de voormalige varkensloods niet wordt gegarandeerd. Een voorlopige voorziening die dat mogelijk maakt is te verstrekkend, aangezien een uitspraak van de Afdeling zou kunnen strekken tot onthouding van goedkeuring aan het desbetreffende plandeel, doch daarmee niet kan worden bewerkstelligd dat de sloop van de voormalige varkensloods is gegarandeerd.

2.4. Het verzoek van [verzoekers] heeft voorts betrekking op het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)". [verzoekers] hebben bezwaar tegen de in het plan opgenomen gebruiks- en bouwmogelijkheden voor deze gronden.

2.4.1. Het college heeft het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" en de daarop geldende aanduiding "bouwvlak" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

2.4.2. [verzoekers] betogen dat door het opnemen van een bouwvlak op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" ten onrechte de legalisering van een ter plaatse illegaal opgerichte constructieloods mogelijk wordt gemaakt. Volgens [verzoekers] brengt de constructieloods een onaanvaardbare aantasting van het open landschap en van hun woon- en leefklimaat en uitzicht mee.

[verzoekers] beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan op dit punt te voorkomen.

2.4.2.1. Op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" staat een bouwwerk met een oppervlakte van 486 m2, dat thans gebruikt wordt als constructieloods. Niet in geschil is dat deze loods zonder de daartoe vereiste bouwvergunning is opgericht.

2.4.2.2. Met betrekking tot het betoog van het gemeentebestuur dat een spoedeisend belang bij de beoordeling van het verzoek ten aanzien van de bouwmogelijkheden op het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" ontbreekt, overweegt de voorzitter als volgt. Uit de stukken is gebleken dat inmiddels bouwvergunning is verleend voor een constructieloods ter plaatse van het bouwvlak. Ter zitting is gebleken dat tegen deze bouwvergunning door [verzoekers] bezwaar is gemaakt. Voor de beoordeling van dat bezwaarschrift is van belang aan welk bestemmingsplan de bouwvergunning moet worden getoetst. Hieruit volgt dat [verzoekers] een spoedeisend belang hebben bij de beoordeling van het verzoek.

2.4.2.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het mogelijk maken van een bouwwerk met een oppervlakte van 486 m2 en een hoogte van maximaal 6,25 meter niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Gelet op de beperkte bouwhoogte, de afstand van het bouwvlak tot de woningen van verzoekers en de situering daarvan zoals van de plankaart gebleken, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden voor de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" geen onaanvaardbare aantasting inhouden van het landschap of het woon- en leefklimaat van [verzoekers]. De voorzitter betrekt hierbij voorts dat onder het oude plan op dezelfde plaats reeds een bouwwerk met een oppervlakte van 425 m2 was toegestaan.

2.4.2.4. [verzoekers] voeren voorts aan dat de gebruiksmogelijkheden van het perceel ten behoeve van een las- en constructiebedrijf ten onrechte niet zijn beperkt tot kleinschalige bedrijvigheid. Volgens hen volgt uit de voorgeschiedenis van het vorige plan en uit verschillende toezeggingen dat slechts gebruik ten behoeve van een beperkt las- en constructiebedrijf mag worden toegestaan.

Niet in geschil is dat de gebruiksmogelijkheden van het perceel ten behoeve van een las- en constructiebedrijf ingevolge het vorige plan niet waren beperkt tot kleinschalige bedrijvigheid. Door de huidige gebruiker kan daarom in beginsel aanspraak worden gemaakt op een bestemming overeenkomstig het feitelijke gebruik. Slechts in uitzonderlijke situaties kan hiervan worden afgeweken. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van de voorzitter voorshands niet gebleken. Voor zover [verzoekers] betogen dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de activiteiten tot kleinschalige bedrijvigheid beperkt zouden worden, overweegt de voorzitter dat, nog daargelaten de vraag welke gevolgen daaraan zouden moeten worden verbonden, door [verzoekers] niet aannemelijk is gemaakt dat er door de raad toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat het gebruik in het onderhavige plan zou worden beperkt tot kleinschalige bedrijvigheid. Ook hebben [verzoekers] naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat er vanwege de gevolgen van het plan voor het milieu of het verkeer sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid op grond waarvan het huidige gebruik niet mag worden voortgezet.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.T.Y.M. Moe Soe Let, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Moe Soe Let

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2008

481.