Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200704430/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) geweigerd aan appellant ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] te [plaats], gemeente Veere (hierna: de woning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704430/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats] (Duitsland),

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/776 van de rechtbank Middelburg van 16 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere (hierna: het college) geweigerd aan appellant ontheffing te verlenen van het verbod vervat in artikel 2, eerste lid, van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere (hierna: de verordening) voor de woning aan de [locatie] te [plaats], gemeente Veere (hierna: de woning).

Bij besluit van 1 juni 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2007, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.G. Tjallingii, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door J.M. Reijnhoudt, ambtenaar in dienst van de gemeente Veere, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordening, is het de rechthebbende op een tot permanente bewoning bestemd gebouw verboden dit gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.

Ingevolge artikel 3, voor zover thans van belang, geldt het verbod, vervat in artikel 2, niet ten aanzien van iemand die een woning als tweede woning in gebruik heeft op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening en de rechthebbende op die woning beschikt over een door burgemeester en wethouders schriftelijk verleende ontheffing op grond van de Gebruiksverordening tweede woningen Veere, zoals vastgesteld door de raad op 1 juni 1994. Deze uitzondering heeft een persoonlijk karakter en geldt voor de rechthebbende op een tot permanente bewoning bestemd gebouw op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening en eenmalig voor een opvolgende rechthebbende, indien de opvolging het gevolg is van vererving, voor het overige geldt het verbod onverkort.

Ingevolge artikel 6 zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2. Vaststaat dat in het verleden aan de oom van [appellant], [oom], voor het gebruik van de woning een ontheffing als bedoeld in artikel 3 van de verordening is verleend. [oom] heeft de eigendom van de woning bij testament nagelaten aan [appellant] en diens broer en drie zusters. In februari 2005 is de eigendom van de woning op hen overgegaan.

2.3. Niet in geschil is dat [appellant] niet om een ontheffing krachtens artikel 4 van de verordening heeft verzocht. De rechtbank heeft daarom terecht onderkend dat in deze procedure niet wordt toegekomen aan de vraag of de bij artikel 4 van de verordening behorende bijlagen I tot en met IV op de juiste wijze zijn bekendgemaakt. Voor zover [appellant] deze overweging van de rechtbank heeft willen bestrijden, faalt dit betoog.

2.4. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien om de artikelsgewijze toelichting op de verordening buiten beschouwing te laten. Anders dan [appellant] kennelijk meent, maakt deze toelichting geen deel uit van de verordening en bestaat voor een toelichting als hier aan de orde geen wettelijk voorgeschreven wijze van bekendmaking. Dat [appellant] van de toelichting geen kennis heeft kunnen nemen, is niet aannemelijk gemaakt.

2.5. [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 3 van de verordening onverbindend is. Hij stelt hiertoe dat uit artikel 3 van de verordening en de toelichting hierop, niet kan worden afgeleid of met het in dit artikel gehanteerde begrip 'vererving' slechts is bedoeld vererving bij versterf, of dat dit begrip ook ziet op vererving bij testament of uiterste wil.

Subsidiair betoogt [appellant] dat, mocht worden geoordeeld dat artikel 3 van de verordening verbindende kracht heeft, hij krachtens dit artikel van rechtswege beschikt over een ontheffing van het in artikel 2, eerste lid, van de verordening neergelegde verbod. Hij voert hiertoe aan dat hij voldoet aan de in artikel 3 van de verordening neergelegde vereisten, nu aan zijn oom een ontheffing van genoemd verbod was verleend en hij de woning waarvoor de ontheffing gold door vererving heeft verkregen.

2.5.1. Het in artikel 3 van de verordening gehanteerde begrip 'vererving' wordt in de verordening niet nader toegelicht. In de toelichting op artikel 3 van de verordening wordt echter vermeld dat in geval van vererving bij versterf van een tot bewoning bestemd gebouw, eenmalig het met de verordening strijdige recreatieve gebruik mag worden gecontinueerd. Met de rechtbank wordt overwogen dat hieruit volgt dat artikel 3 van de verordening slechts van toepassing is bij vererving door versterf. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat artikel 3 van de verordening onvoldoende duidelijk en om die reden onverbindend is.

Nu [appellant] de eigendom van de woning niet door vererving bij versterf, maar door vererving bij testament van zijn oom heeft verkregen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aan de oom van [appellant] verleende ontheffing niet krachtens artikel 3 van de verordening voor [appellant] geldt. De rechtbank heeft dit onderkend. Het betoog faalt.

2.6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast, faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onverkorte toepassing van de verordening ten aanzien van [appellant] niet leidt tot een situatie van bijzondere hardheid.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008

97-546.