Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2509

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200707560/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Duiven (hierna: de raad) bij besluit van 18 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kloosterkamp-Zuid".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707560/2.

Datum uitspraak: 17 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Duiven (hierna: de raad) bij besluit van 18 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kloosterkamp-Zuid".

Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007, [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2007, en [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2007, heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2007, heeft [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 december 2007, waar [verzoeker sub 1], in persoon, [verzoeker sub 2], in persoon en [verzoeker sub 3], in persoon en bijgestaan door J.H.A. Rutten, en het college, vertegenwoordigd door mr. V.C.E. Wattenberg, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. S.R.J. Geertsen, ambtenaar van de gemeente, als partij en stichting Vivare (hierna: Vivare), vertegenwoordigd door mr. R.M. Rijpstra, advocaat te Arnhem, als belanghebbende, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van 150 woningen ten zuidwesten van de kern Duiven. De gronden binnen het plangebied zijn thans nagenoeg onbebouwd.

2.3. Het college heeft het plan goedgekeurd. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] richten zich hiertegen en voeren bezwaren aan tegen het gehele plan. Daarnaast hebben zij meer in het bijzonder bezwaar tegen de goedkeuring van de bestemmingsregeling die voorziet in de bouw van enkele woningen op de gronden naast hun woonpercelen.

2.3.1. Ter zitting is gebleken dat de eigenaar van een groot deel van de gronden van het plangebied, Vivare, op korte termijn een aanvang wil maken met het bouwrijp maken en bebouwen van de gronden, waartoe de benodigde vergunningen zo spoedig mogelijk zullen worden aangevraagd. Gelet hierop bestaat een spoedeisend belang bij de beoordeling van de verzoeken.

2.4. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemmingsregeling die voorziet in de bouw van enkele woningen op de gronden naast hun woonpercelen. Volgens hen houden de woningen een aantasting in van het karakter van de naastgelegen wijken, waarbij zij met name op de bouwhoogte en de aan te houden afstand tussen de voorziene woningen en hun eigen woning wijzen. Volgens hen brengt het plan in zoverre voorts een ernstige aantasting mee van hun woon- en leefklimaat, onder meer door een aantasting van privacy en een verlies van het vrije uitzicht. Ook vrezen zij ernstige schaduwhinder.

2.4.1. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] wonen op de percelen [locatie 1], [locatie 2], onderscheidenlijk [locatie 3]. De woonpercelen van verzoekers liggen ten noorden van de noordoostelijke grens van het plangebied. De percelen van verzoekers grenzen aan gronden met de bestemming "Wonen (W)". Naast de percelen van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en achter het perceel van [verzoeker sub 3] zijn woningen voorzien.

2.4.2. Voor zover [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben gewezen op bestaande rechten, onder meer ten aanzien van vrij uitzicht, overweegt de voorzitter dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Hetgeen [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben aangevoerd geeft voorshands geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

De afstand tussen de woning van [verzoeker sub 1] en de voorziene woning naast zijn perceel, bedraagt ongeveer 8 meter. De afstand tussen de woning van [verzoeker sub 2] en de voorziene woning naast zijn perceel, bedraagt ongeveer 4,5 meter. De afstand tussen de woning van [verzoeker sub 3] en de voorziene woning achter zijn perceel bedraagt ongeveer 17 meter. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het plangebied thans nagenoeg onbebouwd is, kan niet worden ontkend dat de privacysituatie van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] verandert. Het college en de raad hebben zich in dit kader op het standpunt gesteld dat een minimaal aan te houden afstand van 4 of 5 meter tussen woningen in Duiven niet ongebruikelijk is. De woning die naast de woning van [verzoeker sub 2] is voorzien, houdt gelet op de situering en voorgevelrooilijn van de voorziene woning voorts een voortzetting in van het straatbeeld van de Althoornstraat. Ook de maximale bouwhoogte van de voorziene woningen van 12 meter wijkt niet in hoge mate af van de maximale bouwhoogte van 11 meter die in acht moet worden genomen in de wijk waar verzoekers wonen. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de minimaal aan te houden afstand tussen woningen en de toegestane bouwhoogte door het college niet in redelijkheid als passend konden worden aangemerkt. De voorzitter ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gewijzigde privacysituatie van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] niet onaanvaardbaar is. Daarbij betrekt de voorzitter dat de voorziene woningen na verwezenlijking deel uit maken van de bebouwde kom van Duiven.

Het college en de raad hebben zich op het standpunt gesteld dat het plan geen ernstige schaduwhinder voor [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] meebrengt. Ter nadere onderbouwing van dit standpunt heeft de raad een bezonningsschema opgesteld, waaruit naar het oordeel van de voorzitter blijkt dat van de voorziene woningen slechts een beperkte invloed zal uitgaan op de woningen van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3], nu die invloed nagenoeg geheel beperkt blijft tot de namiddag in de winterperiode.

Gelet op het vorenstaande verwacht de voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3].

2.5. Naast de hiervoor besproken bezwaren betogen [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] dat het plan in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid. Verder bestaat volgens hen geen behoefte aan de bouw van 150 woningen. In dat kader stellen zij dat de inwonersaantallen en prognoses die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, onjuist zijn. Verder hebben [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] bezwaar tegen de in het plan voorziene woningtypen, omdat volgens hen in strijd met regionale afspraken te weinig woningen in de goedkopere sector worden verwezenlijkt.

2.6. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben de behoefte aan het in het plan voorziene aantal woningen betwist en hebben daarbij gewezen op het woonbehoefteonderzoek "Voortgang gemeentelijke woningbouwplannen" uit 2005. Volgens hen zijn het inwonersaantal en de prognose van het inwonersaantal voor 2010 dat in dat onderzoek wordt gehanteerd achterhaald en dient van een lager inwonersaantal en een lagere prognose te worden uitgegaan. De voorzitter ziet in de argumenten van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] echter voorshands geen aanleiding aan de behoefte aan 150 woningen te twijfelen. Hij neemt daarbij in aanmerking dat het door hen genoemde woonbehoefteonderzoek een onderzoek naar de woningbehoefte op lange termijn betreft en dat voor het bepalen van de korte termijnbehoefte periodiek een voortgangsrapportage wordt opgesteld. Op grond van die gemeentelijke prognoses is een behoefte van 1500 woningen vastgesteld. Nog daargelaten de juistheid van het betoog van [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3], dat van een te hoog inwonersaantal is uitgegaan, kan dit betoog naar het oordeel van de voorzitter gelet op de totale berekende behoefte niet tot de conclusie leiden dat geen behoefte is aan 150 woningen op de locatie Kloosterkamp. De behoefte aan de bouw van woningen blijkt voorts naar het voorlopig oordeel van de voorzitter ook voldoende uit andere stukken, zoals de gemeentelijke "Voorgangsanalyse woningbouw 2006" en het convenant tussen de Stadsregio Arnhem-Nijmegen (hierna: KAN) en de minister van VROM over het te bouwen aantal woningen in de regio.

2.7. Voor zover [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen dat het plan in strijd is met de KAN-afspraak dat 50% van de nieuwbouwwoningen in de betaalbare sector moet worden verwezenlijkt, overweegt de voorzitter dat, nog daargelaten de vraag of dit aspect in het kader van de bestemmingsplanprocedure aan de orde kan komen, uit de stukken is gebleken dat het KAN met de in het plan voorziene verhouding tussen goedkopere en duurdere woningen heeft ingestemd.

2.8. [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] betogen dat het mogelijk maken van woningbouw op de in het plan voorziene locatie in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid. De voorzitter merkt in dit verband op dat de in het plan voorziene locatie in het streekplan binnen de contouren voor verstedelijking is gebracht en dat de locatie voorts in verscheidene gemeentelijke beleidsstukken is aangemerkt als reservelocatie voor woningbouw. Woningbouw op de in het plan voorziene locatie is derhalve ook in die beleidsstukken voorzien. Volgens [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] volgt uit de aanwijzing van Kloosterkamp als reservelocatie echter dat andere locaties eerst zouden moeten worden ontwikkeld, alvorens de locatie Kloosterkamp mag worden aangewend voor woningbouw. De voorzitter overweegt daarover dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. De voorzitter ziet, gelet op het voorgaande, in hetgeen door [verzoeker sub 1], [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] is aangevoerd geen reden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ernstige bezwaren zich in dit geval niet voordoen.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.E.T.Y.M. Moe Soe Let, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Moe Soe Let

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008

481.