Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2505

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200707992/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heijmans Vastgoed B.V. (hierna: Heijmans) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw met 91 woningen, commerciële ruimten en 203 parkeerplaatsen op het Haarlemmerplein tegenover Tussen de Bogen 105-113, te Amsterdam (hierna: het gebouw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707992/2.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

1. het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/5033 en 06/4715 van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2007 in het geding tussen:

1. [verzoeker sub 2]

2. [verzoeker sub 3]

3. Stichting de Groene Reael, gevestigd te Amsterdam,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heijmans Vastgoed B.V. (hierna: Heijmans) bouwvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw met 91 woningen, commerciële ruimten en 203 parkeerplaatsen op het Haarlemmerplein tegenover Tussen de Bogen 105-113, te Amsterdam (hierna: het gebouw).

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, de door [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2007, verzonden op 15 oktober 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2006 vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur een nieuwe besluit neemt op de bezwaren van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3].

Tegen deze uitspraak hebben het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2007, en [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2007, hoger beroep ingesteld. [verzoeker sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2007 en 20 december 2007. [verzoeker sub 3] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007 en 20 december 2007.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, heeft het dagelijks bestuur de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007, hebben [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 3 januari 2008, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.F.P. van Mierlo, E.P. Swijter, C. Nanne, I. Klarenbeek en M. de Boer, ambtenaren in dienst van de gemeente, [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] in persoon en bijgestaan door M.E. Takens, en Heijmans, vertegenwoordigd door ir. O. Rutten en mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In de bodemprocedure zal naar aanleiding van de hoger beroepen van het dagelijks bestuur en Heijmans moeten worden uitgemaakt of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het in het bouwplan voorziene gebouw niet in overeenstemming is met de ingevolge de planvoorschriften en de plankaart behorende bij het bestemmingsplan "Haarlemmerplein" (hierna: het bestemmingsplan) ter plaatse toegestane maximale goothoogte. Naar aanleiding van de hoger beroepen van onder meer [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] dient alsdan evenzeer te worden uitgemaakt of het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur met betrekking tot de toegestane bouwhoogte van het gebouw terecht is uitgegaan van het gemiddeld aangrenzend straatpeil, door het dagelijks bestuur vastgesteld op 2,2 m boven NAP, stand houdt.

2.3. Het verzoek van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] strekt tot schorsing van de bij het besluit van 9 mei 2006 verleende bouwvergunning.

Indien in de bodemprocedure op beide in 2.2. genoemde punten zou worden beslist in voor de realisering van het bouwplan nadelige zin, zou dit naar het oordeel van de voorzitter ten hoogste kunnen leiden tot de conclusie, dat het gebouw minder hoog mag worden dan in het bouwplan is voorzien en zou ten hoogste de bovenste bouwlaag niet gerealiseerd kunnen worden. In dat geval dient het straatpeil ten hoogste 55 cm lager te liggen dan waarvan het dagelijks bestuur is uitgegaan en dient de maximale hoogte van de goothoogte als op de plankaart aangegeven aan Heijmans te worden tegengeworpen. Door Heijmans is aangegeven dat weliswaar een aanvang met de bouwwerkzaamheden is gemaakt, doch dat met de bovenste bouwlaag de eerste negen à tien maanden niet zal worden begonnen en dat aanpassing van het bouwplan met betrekking tot het bovenste gedeelte van het gebouw mogelijk is, indien de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure daartoe aanleiding zou geven.

Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot welstand, luchtkwaliteit en het op het plein te realiseren bordes geeft op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat er gebreken kleven aan het bouwplan. Het bordes is niet opgenomen in het onderhavige bouwplan. Voor het oordeel dat het bordes en de daarmee samenhangende verhoging van het maaiveld als zodanig rechtens niet zou kunnen worden toegestaan, zoals [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben betoogd, bestaat geen grond. Naar voorlopig oordeel valt niet te verwachten dat de conclusie van de rechtbank met betrekking tot luchtkwaliteit, die zij terecht op onder meer de in haar uitspraak genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999 in zaak nr. H01.99.0245 (AB 2000, 78) heeft doen berusten, niet in stand zal kunnen blijven. Ook overigens bestaat geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de bouwvergunning voor wat betreft de luchtkwaliteitsaspecten niet zal kunnen worden verleend. Hetgeen [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] stellen ten aanzien van welstandsaspecten biedt voorshands geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vergunning niet verleend kon worden, dan wel uiteindelijk niet zal kunnen worden verleend. Ten slotte bestaat naar voorlopig oordeel voor wat betreft de hoogte van de parkeergarage geen strijd met het bestemmingsplan.

De voorzitter ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding om de bouwvergunning te schorsen, nu, indien in de bodemprocedure zou worden geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan op de onder 2.2. bedoelde punten met betrekking tot de goothoogte en de vaststelling van het peil, een aangepast bouwplan tot stand kan komen dat wel in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Zo'n aanpassing is zoals Heijmans heeft aangegeven, mogelijk. Bevorderd zal worden dat een uitspraak in de bodemprocedure voor 1 september 2008 en derhalve voor het tijdstip, wanneer aan de hoogte zoals hiervoor aangegeven wordt toegekomen, beschikbaar zal zijn. Een voorlopig oordeel over de onder 2.2. bedoelde punten is derhalve thans niet nodig. Daarbij overweegt de voorzitter dat Heijmans, door bouwwerkzaamheden te verrichten voordat definitief is komen vast te staan dat de vergunning in stand blijft, op eigen risico handelt.

Het verzoek van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] wordt afgewezen.

2.4. Het verzoek van het dagelijks bestuur strekt er toe dat zij niet opnieuw op de tegen het besluit van 9 mei 2006 gemaakte bezwaren behoeft te beslissen voordat de Afdeling op de tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroepen heeft beslist. Dit verzoek wordt toegewezen, nu de voorzitter het onder voormelde omstandigheden niet wenselijk acht dat, in afwachting van de behandeling van de zaak door de Afdeling in de bodemprocedure, het dagelijks bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar neemt in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat indien uiteindelijk naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling een nieuw besluit op bezwaar zou moeten worden genomen, hetgeen niet valt uit te sluiten gelet op de hoogteproblematiek, het de voorkeur heeft daarbij de uitspraak van de Afdeling - welke op beperkte termijn kan worden verwacht - in acht te nemen en wordt voorkomen dat eventueel twee nieuwe besluiten op bezwaar vlak achter elkaar nodig zouden zijn. Bovendien is het belang van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] bij een nieuw besluit op bezwaar, dat, vooruitlopend op de uitspraak van de Afdeling, zou moeten overeenstemmen met de aangevallen uitspraak, relatief, omdat de rechtbank een aantal van hun bezwaren, waaronder hun bezwaar ten aanzien van het bordes en het straatpeil, niet heeft gehonoreerd, zodat het in de rede ligt dat een nieuw besluit op bezwaar thans slechts een beperkt aangepaste bouwvergunning - beperkter dan zij blijkens hun hoger beroepschriften wensen - zou inhouden.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum geen nieuw besluit op de tegen het besluit van 9 mei 2006 gemaakte bezwaren behoeft te nemen voordat de Afdeling op de hoger beroepen heeft beslist;

II. wijst het verzoek van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

444