Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200704112/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarn (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Langestraat II B.V." (hierna: vergunninghoudster) vergunning te verlenen voor het bouwen van een woongebouw op het perceel Prinses Beatrixlaan 1 te Baarn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704112/1.

Datum uitspraak: 23 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"De Langestraat II B.V.", gevestigd te Baarn,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2048 van de rechtbank Utrecht van 3 mei 2007 in het geding tussen:

appellanten sub 1

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarn (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Langestraat II B.V." (hierna: vergunninghoudster) vergunning te verlenen voor het bouwen van een woongebouw op het perceel Prinses Beatrixlaan 1 te Baarn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 april 2006 heeft het college het bezwaar van vergunninghoudster alsnog gegrond verklaard en bouwvergunning, als verzocht, verleend.

Bij uitspraak van 3 mei 2007, verzonden op 8 mei 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten sub 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij fax van 13 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en vergunninghoudster bij brief van 15 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 augustus 2007 hebben [appellanten sub 1] een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 augustus 2007 heeft vergunninghoudster een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Bij brief van 17 augustus 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft het college, opnieuw beslissend op het door vergunninghoudster tegen het besluit van 14 september 2001 gemaakte bezwaar, dat bezwaar gegrond verklaard en bouwvergunning, als verzocht, verleend.

Bij brief van 20 september 2007 heeft vergunninghoudster gereageerd op dit besluit.

Tegen dat besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 3 oktober 2007 beroep bij de rechtbank ingesteld, welk beroep is doorgestuurd aan de Afdeling.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van Six e.a. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur] bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.M. Rozeboom en F. Blom, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, bijgestaan door mr. A.J.H.W.M. Versteeg, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet op het oprichten van een appartementengebouw met acht woningen met ondergrondse parkeerplaatsen en bergingen.

2.2. Volgens het bestemmingsplan "Prins Hendrikpark 1996" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (W)".

Volgens artikel 4, derde lid, aanhef en onder I, sub e, van de planvoorschriften mag de grondoppervlakte voor hoofdgebouwen niet meer dan 400 m2 bedragen.

Volgens artikel 1, aanhef en onder b, wordt onder een aanbouw verstaan: de uitbreiding in één bouwlaag van een hoofdgebouw, uitsluitend of hoofdzakelijk dienend voor de uitbreiding van de functie van het hoofdgebouw.

Volgens de aanhef en onder k, wordt onder bijgebouw verstaan: een vrijstaand of aan het hoofdgebouw aangebouwd gebouw uitsluitend of hoofdzakelijk dienend voor berging en stalling ten dienste van het hoofdgebouw.

Volgens de aanhef en onder p, wordt onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat op het perceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, wordt bij toepassing van deze voorschriften de oppervlakte van een gebouw als volgt gemeten: tussen (de buitenste verticale projectie van) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren).

Het hoger beroep van vergunninghoudster

2.3. Ter zitting van de Afdeling heeft de advocaat van vergunninghoudster uitdrukkelijk verklaard geen behoefte te hebben aan een oordeel in haar hoger beroep, indien het besluit van 31 augustus 2007 bij de onderliggende procedure wordt betrokken en het beroep van [appellanten sub 1] daartegen ongegrond wordt verklaard.

Nu dit het geval is, zoals zal blijken onder 2.8 tot en met 2.9, merkt de Afdeling deze verklaring aan als intrekking van het hoger beroep van vergunninghoudster.

Het hoger beroep van [appellanten sub 1]

2.4. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat de grondoppervlakte van het hoofdgebouw 400,98 tot 401,18 m² bedraagt, heeft miskend dat de balkons deel uitmaken van het hoofdgebouw en daarom bij de berekening van de grondoppervlakte daarvan dienen te worden betrokken.

2.4.1. Dit betoog faalt. De balkons vormen weliswaar onderdelen van het hoofdgebouw, maar dienen, gezien artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften niet bij de berekening van de grondoppervlakte van dat hoofdgebouw te worden meegerekend.

2.5. [appellanten sub 1] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

2.5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college het advies van de welstandscommissie van 16 februari 2006 mocht overnemen en zich aldus terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. De verwijzing van [appellanten sub 1] naar de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200509961/1&verdict_id=15056">200509961/1</a> kan hun niet baten, reeds omdat in dat geval het positieve welstandsadvies dat volgde op vier negatieve adviezen, anders dan het advies van 16 februari 2006, niet was gemotiveerd.

2.6. Voorts betogen [appellanten sub 1] dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen nadere eisen in de zin van artikel 4, zesde lid, van de planvoorschriften heeft gesteld, in verband met de privacy van omwonenden. De plaatsing van de ramen en de dakkapellen in het op te richten woongebouw leidt tot een zodanig zicht op de aangrenzende percelen, dat de privacy van omwonenden in het gedrang komt, aldus [appellanten sub 1].

2.6.1. Volgens artikel 4, derde lid, aanhef en onder I, sub i, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd onder de voorwaarde dat de afstand van een hoofdgebouw tot een aangrenzend (bouw-)perceel tenminste 5 m zal bedragen.

Volgens het zesde lid, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd nadere eisen te stellen aan de plaatsing van hoofdgebouwen indien dit nodig is voor een gunstiger situering, in verband met de privacy ten opzichte van aangrenzende percelen.

2.6.2. Het betoog faalt. Ter zitting van de Afdeling heeft het college toegelicht dat geen nadere eisen zijn gesteld, omdat met het bouwplan ruimschoots wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan vervatte minimale afstandsmaat tussen het op te richten hoofdgebouw en de aangrenzende percelen en in dit geval geen reden is gezien deze afstandsmaat ontoereikend te achten ter waarborging van de privacy. Onder deze omstandigheden heeft het college in redelijkheid kunnen afzien van zijn bevoegdheid nadere eisen te stellen gebruik te maken.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond.

2.8. Bij besluit van 31 augustus 2007 heeft het college, opnieuw beslissend op het door vergunninghoudster tegen het besluit van 14 september 2001 gemaakte bezwaar, dat bezwaar gegrond verklaard en aan vergunninghoudster bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 23 maart 2005 in zaak no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200403172/1&verdict_id=10064">200403172/1</a>, zijn, indien hangende een bezwaar- of beroepsprocedure met betrekking tot een bouwvergunning, bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is.

2.8.2. Het besluit van 31 augustus 2007 is genomen na een door vergunninghoudster ingediende aanvraag voor het gewijzigd uitvoeren van het bouwplan, waarbij de plaats van de meterkast zodanig is gewijzigd dat aan de in artikel 4, derde lid, aanhef en onder I, sub e, van de planvoorschriften vervatte maximale grondoppervlakte voor hoofdgebouwen van 400 m2 wordt voldaan. Deze verandering betreft in vergelijking met de eerdere aanvraag om bouwvergunning een wijziging van ondergeschikte aard.

Gelet hierop en gezien de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:24 van die wet, wordt het hoger beroep geacht mede een beroep van [appellanten sub 1] tegen het besluit van 31 augustus 2007 in te houden.

2.9. Gelet op het hiervoor ten aanzien van het hoger beroep van [appellanten sub 1] overwogene en in aanmerking genomen dat het gewijzigde bouwplan in overeenstemming is met artikel 4, derde lid, aanhef en onder I, sub e, van de planvoorschriften, is hun beroep tegen het besluit van 31 augustus 2007 ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] tegen het besluit van 31 augustus 2007 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.C.K.W. Bartel en mr. W. Konijnenbelt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Klein Nulent

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008

218-476.