Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
200707669/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee bij besluit van 17 juli 2007 vastgestelde uitwerkingsplan "Handelskade".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Geluid en Luchtkwaliteit 2008/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707669/2.

Datum uitspraak: 15 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee bij besluit van 17 juli 2007 vastgestelde uitwerkingsplan "Handelskade".

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2007, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 januari 2008, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. Sprietsma, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Oostflakkee, vertegenwoordigd door mr. drs. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, en drs. ing. M.J. van Lieshout, verkeersdeskundige.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het uitwerkingsplan maakt de bouw van 87 woningen mogelijk, waarvan maximaal 39 woningen voor permanente bewoning. Voorts maakt het plan detailhandelbedrijven/horecabedrijven met een vloeroppervlakte van maximaal 1000 m2 langs de haven van Oude-Tonge mogelijk. De buiten het plangebied gelegen Oudelandsedijk vormt een belangrijke ontsluitingsweg van dit plangebied.

2.2.1. Ter zitting is door het college van burgemeester en wethouders verklaard dat reeds een aanvraag om bouwvergunning is ingediend en dat naar verwachting in april 2008 zal worden begonnen met de verwezenlijking van het plan. Voorts zijn de gronden in eigendom van de gemeente en een projectontwikkelaar, zodat verwerving van de gronden geen beletsel vormt voor een spoedige verwezenlijking.

2.3. Verzoeker woont aan de [locatie]. Hij stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Met zijn verzoek beoogt hij te voorkomen dat een bouwvergunning verleend zal worden voor de ontwikkeling van het plan. Uit het in zijn opdracht opgestelde rapport blijkt volgens hem onder meer dat in het rapport dat ten behoeve van het uitwerkingsplan is opgesteld een te lage verkeersintensiteit en een te hoge capaciteit voor de Oudelandsedijk zijn berekend. Nu deze gegevens zijn gebruikt bij de berekening van de geluidhinder en de luchtkwaliteit zijn ook de uitkomsten van de onderzoeken die daarop betrekking hebben onbetrouwbaar, aldus verzoeker.

2.3.1. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders betoogd dat het plangebied in het bestemmingsplan de bestemming "Gemengde doeleinden" heeft en dat de in het uitwerkingsplan opgenomen functies in overeenstemming zijn met deze bestemming. Met het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan dient volgens het college van burgemeester en wethouders de aanvaardbaarheid van de invulling van het plangebied met de desbetreffende functies als een gegeven te worden beschouwd. In dit geval betekent dit volgens het college van burgemeester en wethouders dat verzoeker de verkeersgevolgen van het plan in deze procedure niet meer kan bestrijden.

2.3.2. Bij het besluit over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels is voldaan. Dit brengt met zich dat door het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming "Gemengde doeleinden" en daarmee de functies die zijn opgenomen in het uitwerkingsplan in beginsel als een gegeven moeten worden beschouwd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan het college echter goedkeuring onthouden aan het uitwerkingsplan wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Voorts kan het college goedkeuring onthouden wegens strijd met het recht.

De uitwerkingsregels laten het college van burgemeester en wethouders ruimte om binnen de daarin bepaalde grenzen de inrichting van het gebied in het uitwerkingsplan nader te bepalen. In dit geval kunnen de gronden voor verblijfsrecreatie, recreatieve doeleinden, gericht op de watersport, kleinschalige bedrijfsactiviteiten, maatschappelijke doeleinden, horeca, wonen, detailhandel, verkeersdoeleinden, groenvoorzieningen en water, jachthaven en agrarische doeleinden worden bestemd.

Gelet hierop moet thans worden bezien of de gekozen inrichting van het uitwerkingsplan, waarbij aan de gronden met de uit te werken bestemming "Gemengde doeleinden" de bestemmingen "Gemengde doeleinden II", "Verblijfsdoeleinden" en "Primaire waterkering en waterstaatsdoeleinden" zijn toegekend, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het recht. Hierbij moeten onder meer de verkeersintensiteiten op de wegen in en buiten het plangebied worden betrokken en daarnaast de invloed daarvan op de luchtkwaliteit. Overeenkomstig artikel 7 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) moet het uitwerkingsplan immers in overeenstemming zijn met het Blk 2005. Gelet hierop faalt het betoog dat verzoeker argumenten met betrekking tot verkeersintensiteiten, de capaciteit van de Oudelandseweg en de luchtkwaliteit in deze procedure niet meer naar voren kan brengen.

2.3.3. Ten behoeve van het plan is het rapport "Prognose verkeersintensiteiten Oostdijk/Oudelandsedijk, Actualisatie mei 2007" van Goudappel Coffeng van 25 mei 2007 opgesteld. Hierin is voor de Oudelandsedijk uitgegaan van een maximale capaciteit van 6000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) en is berekend dat deze capaciteit tot en met 2020 niet zal worden overschreden.

In het in opdracht van verzoeker opgestelde rapport "Second opinion, Prognose Verkeersintensiteiten Oostdijk/Oudelandsedijk, Actualisatie mei 2007" van Ligtermoet & Partners van 28 september 2007, is gesteld dat op de Oudelandsedijk fietsvoorzieningen aangelegd moeten worden om uit te kunnen gaan van een maximale capaciteit van 6000 mvt/etmaal en dat zonder dergelijke voorzieningen een veilige situatie enkel kan worden bereikt als de intensiteit beperkt blijft tot maximaal 2000 mvt/etmaal. Voorts is in dit rapport berekend dat de verkeersintensiteit in 2020 op de Oudelandsedijk tussen de 8126 en 9269 mvt/etmaal zal zijn.

Gelet op de tegenstrijdige conclusies van de onderzoeken acht de voorzitter nader onderzoek aangewezen, waartoe de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent.

2.4. In verband hiermee en gelet op de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, ziet de voorzitter aanleiding het verzoek toe te wijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 4 september 2007, kenmerk PZH-2007-366750;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van zijn verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van zijn verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Bosnjakovic

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2008

410-559.