Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
200701921/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Tilburg (hierna: de gemeenteraad), het bestemmingsplan 'Kalverstraat e.o.' vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701921/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1],

2. [appellant sub 2], beide wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Tilburg (hierna: de gemeenteraad), het bestemmingsplan "Kalverstraat e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 januari 2007, nummer 1213720, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2007, beroep ingesteld. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 13 april 2007.

Bij brief van 22 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de gemeenteraad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2007, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. P.J.M. Aertsen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door W. Maas, ambtenaar in dienst van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.2. [appellante sub 1] betoogt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan (hierna: het plan) voor zover betrekking hebbend op haar gronden. Zij stelt dat, gelet op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen die voor dit gebied zijn voorzien, geen belang bestaat bij een wijziging van de huidige bestemming "Sport" naar de bestemming "Agrarisch gebied". Zij voert aan dat ten onrechte niet is geanticipeerd op het beleid in de Ruimtelijke Structuurvisie Tilburg 2020 en in de Concept-Structuurvisie Noordoost 2020, dat voor het gebied waar haar gronden onderdeel van uitmaken voorziet in een stedelijke ontwikkeling.

2.2.1. De beroepsgrond heeft betrekking op het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" betreffende de gronden, kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie […], nrs. […].

Verweerder heeft aan dit plandeel goedkeuring verleend.

De gronden van [appellante sub 1] betreffen graspercelen, waarop zich een kantine en kleedlokalen ten behoeve van sportdoeleinden bevinden. In het vorige plan waren de gronden bestemd voor sportdoeleinden. Niet in geschil is dat de gronden al meer dan 20 jaar niet ten behoeve van sportdoeleinden in gebruik zijn. Ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad de bedoeling heeft aan de gronden binnen afzienbare termijn een nader te bepalen, bij een stedelijke ontwikkeling passende, bestemming toe te kennen. Niet aannemelijk is dat de thans toegekende agrarische bestemming binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt. Gelet hierop heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen instemmen met het toekennen van de bestemming "Agrarisch gebied" aan de gronden van [appellante sub 1] en zich aldus niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt. Hieruit volgt dat verweerder, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" wat betreft de gronden, kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie […], nrs. […].

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. [appellant sub 2] betoogt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover aan zijn perceel geen agrarisch bouwblok is toegekend, dan wel voor zover het reeds jarenlang gedoogde gebruik van zijn perceel ten behoeve van een paardenhouderij en/of paardenfokkerij niet als zodanig is bestemd. Hij beroept zich in dit kader tevens op het gelijkheidsbeginsel.

2.3.1. De beroepsgrond heeft betrekking op het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied", betreffende het perceel van [appellant sub 2] aan de Moerweg ongenummerd te Tilburg. Op het perceel staat een paardenstal, die op de plankaart is aangeduid als "afwijkende bebouwing". Het gebruik van het perceel ten behoeve van een paardenhouderij en/of paardenfokkerij is in het plan niet als zodanig bestemd.

Verweerder heeft goedkeuring aan dit plandeel verleend.

2.3.2. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het houden/fokken van dieren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen als "agrarisch gebied" onder meer bestemd voor agrarische doeleinden.

Ingevolge het tweede lid, onder a, mag op de tot "agrarisch gebied" bestemde grond niet worden gebouwd, met uitzondering van de op de plankaart met de aanduiding "afwijkende bebouwing" aangeduide gronden.

Ingevolge het tweede lid, onder b, mag ter plaatse van de aanduiding "afwijkende bebouwing" op de plankaart de bestaande bebouwing worden gehandhaafd.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, mag ter plaatse van de aanduiding "afwijkende bebouwing" het bestaand gebruik worden gehandhaafd.

2.3.3. Ter zitting is komen vast te staan dat [appellant sub 2], die werkzaam is in de gezondheidszorg, sedert het midden van de jaren '80 op het perceel op beperkte schaal paarden fokt en africht. De op het perceel aanwezige stal biedt ruimte aan tien paarden, welke ruimte volledig wordt benut. Gelet op de aard en omvang van de activiteiten heeft verweerder zich, in navolging van de gemeenteraad, terecht op het standpunt gesteld dat ter plaatse van bedrijfsmatige activiteiten geen sprake is. Veeleer is sprake van hobbymatige activiteiten. Het gebruik van het perceel ten behoeve van zodanige activiteiten is niet in strijd met de bestemming "Agrarisch gebied". [appellant sub 2] kan dit gebruik dus zonder meer voortzetten. Verweerder heeft, mede gelet hierop, in redelijkheid met het niet uitdrukkelijk als zodanig bestemmen van het bestaande gebruik kunnen instemmen. Ook het door [appellant sub 2] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Niet is gebleken, dat als zodanig bestemde nieuwe activiteiten in de naaste omgeving van zijn perceel zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde activiteiten, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

Het aan het perceel toekennen van het, door [appellant sub 2] gewenste, agrarische bouwblok is, zoals verweerder terecht heeft overwogen, in strijd met het beleid in het Streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan) dat het vestigen van nieuwe agrarische bouwblokken niet toestaat. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het vestigen van een paardenhouderij ingevolge het streekplan slechts mogelijk is op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Niet in geschil is dat daarvan in dit geval geen sprake is.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant sub 2] betoogt voorts dat verweerder heeft miskend dat de planregeling met betrekking tot de bestaande paardenstal rechtsonzeker is.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Ter zitting is komen vast te staan dat de gemeenteraad heeft beoogd de bestaande stal als zodanig te bestemmen door daaraan de aanduiding "afwijkende bebouwing" toe te kennen. De planvoorschriften bevatten ten aanzien van die aanduiding niettemin geen verdere regeling dan hetgeen in artikel 4, tweede en derde lid, is bepaald. Met betrekking tot eventuele verbouw- en uitbreidingsmogelijkheden en een herbouwmogelijkheid in geval van een calamiteit zijn geen voorschriften opgenomen, terwijl voor gevallen die onder het overgangsrecht van het plan zijn gebracht in artikel 17 van de planvoorschriften regeling van die aspecten wel heeft plaatsgevonden. Ter zitting is gebleken dat het niet de bedoeling van de gemeenteraad en verweerder is geweest voor deze bebouwing in zoverre minder mogelijkheden te geven dan voor bestaande bebouwing die onder het overgangsrecht is gebracht. Gelet hierop is de aanduiding "afwijkende bebouwing" in het plan onvoldoende nauwkeurig en niet in overeenstemming met de bedoeling van de gemeenteraad geregeld. Het plan is in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "afwijkende bebouwing" wat betreft het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie] te [plaats]. De Afdeling ziet aanleiding goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 januari 2007, kenmerk 1213720, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

1. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" wat betreft de gronden, kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie […], nrs. […];

2. het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" en de aanduiding "afwijkende bebouwing" wat betreft het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie] te [plaats];

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II. genoemde plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van:

1. bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 1] en [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellante sub 1] en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht elk ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Hanrath

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

392.