Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200705024/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) bepaald dat [appellant] zich aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid dient te onderwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2008, 95
Module Rijbewijzen 2014/472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705024/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/3256 van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen".

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) bepaald dat [appellant] zich aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid dient te onderwerpen.

Bij besluit van 24 maart 2006 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 mei 2007, verzonden op 6 juni 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 15 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2007 heeft het CBR van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2007, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door zijn [zoon], en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam in haar dienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien bij de daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorvoertuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de krachtens voormelde bepaling vastgestelde Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling), besluit het CBR dat betrokkene zich aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dient te onderwerpen in geval van feiten of omstandigheden, als vermeld in de bij de Regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder "Drogerende stoffen Alcohol".

In bijlage 1 worden, voor zover thans van belang, vermeld het bij herhaling veroorzaken van aanrijdingen, gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer: onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers en incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer: op te korte afstand volgen van voorliggers.

2.2. Het besluit van het CBR dat [appellant] zich aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dient te onderwerpen, is genomen op grond van een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 van de Koninklijke Marechaussee van 16 september 2005. Daaruit komt, voor zover thans van belang, naar voren dat [appellant] binnen een periode van vijf jaar twee maal betrokken is geweest bij een aanrijding.

2.3. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR op grond van de voorvallen van 1 augustus 2005 en 12 juni 2001 het vermoeden heeft mogen aannemen dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid. Hij stelt dat nu slechts twee voorvallen in vijf jaar hebben plaatsgevonden de schriftelijke mededeling achterwege had moeten blijven. De overweging van de rechtbank dat het CBR bij de beoordeling terecht aansluiting heeft gezocht bij de regelgeving in zaken waarin sprake is van alcoholmisbruik, acht [appellant] onjuist. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte niet de feiten van de voorvallen getoetst en geen rekening gehouden met het feit dat hij, wat het eerste voorval betreft, is ontslagen van alle rechtsvervolging.

2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het CBR aansluiting heeft mogen zoeken bij de regelgeving die van toepassing is in zaken waarin sprake is van alcoholmisbruik en waarin bij de beoordeling wordt gekeken naar de afgelopen vijf jaar. Deze periode van vijf jaar is niet verwoord in het op schrift gestelde beleid maar wordt door het CBR, zo heeft de vertegenwoordiger ter zitting bevestigd, als vaste gedragslijn gehanteerd. De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat een gebrek aan vaardigheid in de beheersing van het motorrijtuig blijkt uit het feit dat bij herhaling, derhalve meer dan één maal, in vijf jaar een aanrijding is veroorzaakt. Voor het gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer en incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer zijn ingevolge bijlage 1 feiten dan wel omstandigheden welke zich eenmaal hebben voorgedaan voldoende om een vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid en geschiktheid aan te nemen.

Uit het door de Koninklijke Marechaussee op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 19 augustus 2005 komt onder meer naar voren dat [appellant] met zijn voertuig een voorligger heeft geraakt, die daardoor op de andere weghelft een tegenligger aanreed, en dat hij in een poging uit te wijken tegen twee aan de rechterkant geparkeerde voertuigen aan kwam. [appellant] heeft, zo is niet weersproken, ter plaatse aangegeven dat de remmen van de bus niet naar behoren functioneerden, waarop het voertuig aan een technisch onderzoek is onderworpen. In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van dat onderzoek staat dat het voertuig waarmee [appellant] reed in goede staat van onderhoud verkeerde en geen technische gebreken vertoonde. De door [appellant] overgelegde verklaringen van collega's waaruit blijkt dat zij de ervaring hadden dat de remmen van het voertuig af en toe niet goed functioneerden, leiden niet tot het oordeel dat het CBR niet uit mocht gaan van de juistheid van de feiten zoals die uit het technisch onderzoek blijken. In hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd omtrent het voorval heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien de juistheid van het proces-verbaal in twijfel te trekken noch om aan te nemen dat hij die aanrijding niet heeft veroorzaakt.

Met betrekking tot de aanrijding op 12 juni 2001 staat vast dat [appellant] met zijn voertuig tegen zijn voorligger is aangereden toen die stopte voor een verkeerslicht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat wat [appellant] heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat hij de aanrijding niet heeft veroorzaakt. Het feit dat hij na dit incident op verzoek van zijn werkgever een rijvaardigheidstest met goed gevolg heeft afgelegd, brengt, gelet op het andere karakter daarvan, niet met zich dat het CBR dit voorval niet had mogen betrekken bij de beoordeling van het gerezen vermoeden.

Gelet op het bovenstaande bestond voor het CBR geen aanleiding om te veronderstellen dat het gerezen vermoeden dat [appellant] niet langer over de vereiste rijvaardigheid beschikt, op onjuiste feiten is gebaseerd. Uit deze feiten heeft het CBR mogen afleiden dat sprake was van een geval als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Regeling en zich terecht ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 gehouden geacht te besluiten dat [appellant] zich aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid dient te onderwerpen. Dat [appellant] ter zake van het veroorzaken van deze aanrijdingen strafrechtelijk niet is vervolgd respectievelijk is ontslagen van alle rechtsgevolgen, leidt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet tot een ander oordeel. Ook zonder strafrechtelijke vervolging of veroordeling kan een onderzoek naar de rijvaardigheid worden opgelegd, indien een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid.

2.5. De vraag of de Koninklijke Marechaussee in dit geval de mededeling ex artikel 130, eerste lid, van de WVW1994 aan het CBR achterwege had moeten laten, staat in deze procedure niet ter beoordeling.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

290.