Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703904/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) een verzoek van [verzoeker] om verhoging van het vergunde motorvermogen van zijn vissersvaartuig afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703904/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 8 mei 2007 in zaak nr. 06/1183 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) een verzoek van [verzoeker] om verhoging van het vergunde motorvermogen van zijn vissersvaartuig afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2006 heeft de minister het door [verzoeker] tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2007, hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en [verzoeker], bijgestaan door mr. E.G. Karel, advocaat te Middelharnis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 358) (hierna: de verordening) beheren de lidstaten de toevoegingen aan de vloot en de onttrekkingen aan de vloot op zodanige wijze dat met ingang van 1 januari 2003 de toevoegingen van nieuwe capaciteit aan de vloot zonder overheidssteun voordien gecompenseerd worden door onttrekkingen zonder overheidssteun die ten minste gelijk zijn aan de omvang van de nieuwe capaciteit.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Visserijwet 1963 (hierna: de wet) kunnen in het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder b, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit. Bij het stellen van zodanige regelen kan mede rekening worden gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

Artikel 4 van de Regeling visserijlicentie luidde van 28 februari 2003 tot 2 januari 2004, voor zover thans van belang, aldus:

1. Het is verboden zonder geldige visvergunning met een vissersvaartuig de visserij uit te oefenen op de bestanden, bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 358).

5. Onverminderd het tweede lid, kan de minister op aanvraag een visvergunning toekennen ten behoeve van één respectievelijk meerdere vissersvaartuigen, indien het motorvermogen en de tonnage van alle tot dat segment behorende vissersvaartuigen tezamen kleiner is dan het totale motorvermogen en tonnage van alle vissersvaartuigen van dat segment op 1 januari 2003.

Artikel 2 van de Regeling visvergunning luidt sinds 2 januari 2004, voor zover thans van belang:

1. Het is verboden zonder geldige visvergunning met een vissersvaartuig dan wel een vaartuig dat is geregistreerd in een andere lidstaat dan Nederland, de visserij uit te oefenen op de bestanden, bedoeld in artikel 3, onderdeel g, van verordening nr. 2371/2002, tenzij het een vissersvaartuig betreft waarmee uitsluitend de visserij, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, van de Visserijwet 1963 wordt uitgeoefend.

2. Een visvergunning wordt op aanvraag door de minister verleend overeenkomstig artikel 2a.

Artikel 2a luidt, voor zover thans van belang:

2. In afwijking van het eerste lid wordt een visvergunning verleend voor een vissersvaartuig waarvan het motorvermogen of de tonnage is toegenomen, indien ten aanzien van het vissersvaartuig reeds een visvergunning was verleend wat betreft het oorspronkelijke motorvermogen of de oorspronkelijke tonnage, en de aanvrager van de visvergunning kan aantonen dat:

a. de omvang van de toename van het motorvermogen of de tonnage, overeenkomt met het motorvermogen of de tonnage, of een deel daarvan, van een vissersvaartuig waarvan de registratie na 1 januari 2003 is doorgehaald op grond van artikel 8, onderdeel a, van het Registratiebesluit en er minder dan zes jaar is verstreken vanaf het moment van doorhaling van die registratie, en

b. hij kan beschikken over de in het visserijregister als gevolg van de doorhaling van de registratie, bedoeld in onderdeel a, vrijgekomen capaciteit.

2.2. Aan het besluit van 7 september 2006 heeft de minister ten grondslag gelegd dat ingevolge de Regeling visvergunning het vergunde motorvermogen slechts kan worden uitgebreid, indien voordien eenzelfde capaciteit aan de vissersvloot is onttrokken en van zodanige onttrekking niet gebleken is.

2.3. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte bij [verzoeker] gerechtvaardigde verwachtingen, die niet zijn gehonoreerd, heeft aangenomen.

2.4. Dat betoog slaagt. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver, dat het de minister verplicht om in strijd met een verbindend wettelijk voorschrift te besluiten. In hoger beroep is niet in geschil dat de toepasselijke regelgeving geen verhoging van het aan [verzoeker] vergunde motorvermogen toestaat. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de verordening vanaf 1 januari 2003 de vergunning van [verzoeker] niet als verzocht kon aanpassen, omdat dit zou leiden tot een uitbreiding van de capaciteit van de vissersvloot. Voorts is de verzochte wijziging van de vergunning in strijd met artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling visvergunning. Derhalve heeft de rechtbank in de door [verzoeker] gestelde omstandigheid dat hij vóór de wijziging van de Regeling visserijlicentie van 28 februari 2003 een investeringsverplichting is aangegaan, die was afgestemd op de toenmalig gebruikelijke handelwijze, ten onrechte grond gezien voor het oordeel dat [verzoeker] de verzochte aanpassing van zijn vergunning niet mocht worden geweigerd.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidend beroep behandelen, voor zover dat na hetgeen hiervoor is overwogen nog nodig is.

2.6. Het betoog van [verzoeker] dat de Regeling visvergunning niet op hem van toepassing is, omdat hij zich voor de visserij bedient van het gebruik van hengels, slaagt niet. In de Regeling visvergunning wordt voor de toepasselijkheid ervan geen onderscheid gemaakt in de wijze van vissen.

2.7. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 7 september 2006 ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 8 mei 2007 in zaak nr. 06/1183;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Den Broeder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

97-538.