Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2131

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703731/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) de foerageergebieden voor ganzen en smienten in Overijssel aangewezen (hierna: de aanwijzing).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703731/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 april 2007 in zaak nr. 06/2200 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) de foerageergebieden voor ganzen en smienten in Overijssel aangewezen (hierna: de aanwijzing).

Bij besluit van 29 augustus 2006, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2007.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [appellanten] Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2007, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.R. Menkveld en R. Hoeve, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10 van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, worden bij algemene maatregel van bestuur beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die:

a. in het gehele land schade aanrichten;

b. in delen van het land schade aanrichten.

Ingevolge het vierde lid kan, voor zover overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, soorten zijn aangewezen, bij provinciale verordening worden toegestaan dat de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9, 10, 11 en 12, handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen ter voorkoming van in het huidige of komende jaar dreigende schade als bedoeld in het tweede lid, binnen de grenzen van het werkgebied van de wildbeheereenheid waarin die gronden of opstallen zijn gelegen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening beheer en schadebestrijding dieren in Overijssel (hierna: de provinciale verordening) wordt onder een foerageergebied verstaan: een gebied dat door gedeputeerde staten is aangewezen als belangrijk gebied waar overwinterende kolgans, grauwe gans en smient foerageren, al dan niet gemengd met andere overwinterende soorten zoals brandgans en kleine rietgans.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, is het de grondgebruiker op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen, in afwijking van artikel 10 van de Ffw toegestaan dieren behorende tot de in bijlage 1 genoemde beschermde inheemse diersoorten opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, is het eerste lid niet van toepassing van 15 september tot en met 1 april voor grauwe gans (Anser anser), kolgans (Anser albifrons) en smient (Anas penelope) in foerageergebieden die vanwege of mede vanwege deze soorten zijn aangewezen.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank, door aan te nemen dat de door hen geleden inkomensschade door het Faunafonds wordt vergoed, heeft miskend dat door de aanwijzing van hun gronden als foerageergebied het opbrengend vermogen ervan is verminderd en de structuur ervan is verslechterd, ten gevolge waarvan zij schade lijden die niet voor vergoeding door het Faunafonds in aanmerking komt. Voorts heeft de rechtbank volgens hen miskend dat zij, omdat de inkomensschade slechts gedeeltelijk wordt vergoed, vermogensschade in de vorm van waardedaling van de als foerageergebied aangewezen gronden lijden, die evenmin door het Faunafonds wordt vergoed.

2.2.1. Dit betoog faalt. In de inkomensschade die [appellanten] stellen te lijden als gevolg van de aanwijzing heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen besluiten, zonder die schade voor rekening van de provincie te brengen. Dat die schade, naar zij stellen, niet voor vergoeding door het Faunafonds in aanmerking komt, is daarvoor niet voldoende.

2.2.2. De door [appellanten] gestelde vermogensschade als gevolg van de aanwijzing hebben zij niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat eventuele kopers minder voor de gronden zullen betalen, omdat deze als foerageergebied zijn aangewezen, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht om de gestelde vermogensschade aan te nemen. Reeds hierom faalt het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college vanwege de geleden vermogensschade niet tot de aanwijzing mocht besluiten.

2.3. [appellanten] klagen tenslotte dat de rechtbank het college ten onrechte niet gehouden heeft geacht aan de mededeling van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) dat het de voorkeur verdient foerageergebieden op basis van vrijwilligheid aan te wijzen. In dit verband stellen zij dat de aanwijzing van foerageergebieden in Friesland wel op die manier plaatsvindt.

2.3.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de provinciale verordening wijst het college de foerageergebieden aan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister het college bij de uitoefening van die bevoegdheid niet kon binden. Dat die bevoegdheid, naar gesteld, in andere provincies op andere wijze wordt uitgeoefend, heeft de rechtbank voorts terecht niet geleid tot het oordeel dat het college met de aanwijzing het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

Tenslotte heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht evenmin grond gezien voor het oordeel dat het college met de wijze waarop het de bevoegdheid tot aanwijzing van foerageergebieden heeft uitgeoefend in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- dan wel het evenredigheidsbeginsel.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Den Broeder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

97-538.