Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703566/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het verboden gebruik van de loods aan de [locatie] (hierna: het perceel) ten behoeve van de autohandel te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703566/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Best,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1836 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Best.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het verboden gebruik van de loods aan de [locatie] (hierna: het perceel) ten behoeve van de autohandel te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 20 februari 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2007, verzonden op 18 april 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. drs. R.A.C.J. van Kessel, advocaat te 's-Hertogenbosch, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge de artikelen 5 en 10 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Naastenbest" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "eengezinshuizen" en "achtertuin".

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden de in de artikelen 5 tot en met 17 bedoelde gronden en de in de artikelen 5 tot en met 8 bedoelde opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bij dit plan aan de daarin opgenomen grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 18, vijfde lid, verleent het college van het bepaalde in het eerste lid vrijstelling als strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.2. Anders dan appellant betoogt bestaat er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de aan hem opgelegde last bij de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is uitgebreid. Bij het besluit van 26 september 2005 is een last opgelegd ten aanzien van het verboden gebruik van de loods op het perceel ten behoeve van de autohandel. Uit dat besluit blijkt duidelijk dat de last ziet op alle facetten van autohandelsactiviteiten die daar plaatsvinden. In dat besluit wordt expliciet gesteld dat het verkopen van tweedehands auto's en het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden in strijd is met de gebruiksvoorschriften van het geldende bestemmingsplan. In de beslissing op bezwaar heeft het college de in het besluit in primo opgelegde last met betrekking tot de autohandelsactiviteiten nader geduid door aan te geven dat daaronder mede wordt begrepen reparatie, onderhoud en stalling van voertuigen ten behoeve van de autohandel. Gelet op de stukken bestond bij appellant geen misverstand omtrent hetgeen gedaan moest worden teneinde verbeurte van dwangsom te voorkomen. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om het besluit in primo vanwege deze nadere duiding bij de beslissing op bezwaar te herroepen.

2.3. Vast staat dat de autohandelsactiviteiten in strijd zijn met de ter plaatse rustende bestemmingen "eengezinshuizen" en "achtertuin".

2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden. Hiertoe voert appellant aan dat op het perceel geruime tijd een taxibedrijf met garage was gevestigd en het in geding zijnde gebruik voortvloeit uit de in het verleden verleende bouwvergunningen ten behoeve van dat bedrijf, dan wel door het overgangsrecht wordt beschermd.

2.4.1. Ingevolge artikel 21, vierde lid, van de planvoorschriften, mag met dit plan in strijd zijnde gebruik van gronden en opstallen, hetwelk bestaat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan worden voortgezet. De Kroon heeft bij besluit van 19 juli 1980, voor zover thans van belang, met vernietiging van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 april 1977 in zoverre, alsnog goedkeuring onthouden aan artikel 21, vierde lid, omdat het daarin bepaalde ten onrechte geen ruimte laat voor de wijziging in het gebruik, waardoor de afwijking van het plan minder groot wordt. De raad van de gemeente Best heeft vervolgens niet tijdig voldaan aan het in artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat op dat moment luidde, vervatte voorschrift om met inachtneming van de beslissing waarbij goedkeuring werd onthouden een nieuwe overgangsregeling vast te stellen. De rechtbank heeft terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 in zaak nr. 200304110/1 verwezen, waarin is geoordeeld dat in dat geval het belang van een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat de door De Kroon buiten goedkeuring gehouden overgangsbepaling wordt gelezen in de redactie zoals door De Kroon gewenst. Dat de uitspraak van 10 december 2003 zag op de weigering een bouwvergunning te verlenen en thans de oplegging van een dwangsom aan de orde is, acht de Afdeling, anders dan appellant betoogt, niet een relevant onderscheid dat in dit geschil tot een andere conclusie dient te leiden.

2.4.2. Op 21 februari 1963 is bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage met een oppervlakte van 88 m². Op de bouwtekening staat vermeld: "garage bij woonhuis". Uit de tekst noch de bijbehorende bouwtekening blijkt dat deze garage is vergund anders dan voor gebruik bij de woning. Appellant heeft geen nadere stukken of ander bewijsmateriaal overgelegd waaruit aannemelijk wordt dat het thans in geding zijnde gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan, dat onder de toen geldende bepalingen samenviel met de Kroonbeslissing. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beroep van appellant op het overgangsrecht geen doel treft.

Appellant kan voorts niet worden gevolgd in zijn stelling dat uit na de peildatum voor het overgangsrecht verleende bouwvergunningen ten behoeve van het tot 2002 ter plaatse uitgeoefende taxibedrijf, voortvloeit dat het thans in geding zijnde gebruik mag worden gehandhaafd, nu deze bouwvergunningen zien op het gebruik van de gebouwen ten behoeve van dat taxibedrijf.

2.5. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het college bevoegd was handhavend op te treden.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college voor het gebruik geen vrijstelling als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de planvoorschriften, hoefde te verlenen, nu zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming "achtertuin" mogelijk is.

2.7.1. Het betoog van appellant is terecht voorgedragen doch kan niet tot het door hem gewenste resultaat leiden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan van een beperking van het meest doelmatige gebruik eerst sprake zijn, indien een zinvol gebruik overeenkomstig de geldende bestemming objectief bezien niet meer mogelijk is. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het betreffende gedeelte van het perceel en de zich daarop bevindende loods van ongeveer 650 m² naar objectieve maatstaven bezien niet meer zinvol overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming "achtertuin" kan worden gebruikt. Aldus valt, mede in het licht van de door de verleende bouwvergunningen toegestane gebruiksmogelijkheden, niet op voorhand in te zien dat geen vrijstelling kan worden verleend voor enig ander gebruik van het betreffende gedeelte van het perceel en de loods dan ten behoeve van de bestemming "achtertuin". De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan.

De rechtbank heeft evenwel met recht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dringende redenen zich verzetten tegen het verlenen van een vrijstelling voor het thans in geding zijnde gebruik van het perceel voor autohandelsactiviteiten, waarop de last ziet, nu dit gebruik in strijd is met het gemeentelijk beleid zoals neergelegd in de beleidsnotitie "Aan huis gebonden beroepen/bedrijven" van 16 juli 2002 en het daarop gebaseerde beleid voor autobedrijven bij woningen, bekend gemaakt op 19 april 2005.

Appellant voert tevergeefs aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte eerst bij de beslissing op bezwaar, waarbij van het standpunt van de kamer Grondgebiedzaken van de onafhankelijke commissie voor de behandeling van de bezwaarschriften is afgeweken, naar dit beleid heeft verwezen en dit niet opnieuw aan de commissie voor bezwaarschriften heeft voorgelegd, nu dit niet het karakter van de heroverweging in de zin van artikel 7:11 van de Awb te buiten gaat.

2.8. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat nu geen concreet zicht op legalisatie bestaat en ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhavend optreden dient te worden afgezien, het college in redelijkheid de last onder dwangsom heeft kunnen opleggen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Wijers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

444