Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2129

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703491/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 18 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een opslag voor consumentenvuurwerk op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: besluit I; en: het perceel) en het veranderen van de indeling en het gebruik van de bedrijfshal op het perceel (hierna: besluit II).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/1709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703491/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaatsen],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 april 2007 in zaak nr. 05/4674 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 18 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Buren (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een opslag voor consumentenvuurwerk op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: besluit I; en: het perceel) en het veranderen van de indeling en het gebruik van de bedrijfshal op het perceel (hierna: besluit II).

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en die besluiten onder aanvulling van de motivering ervan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juni 2007.

Bij brief van 2 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 juli 2007 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 november 2007, waar [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.H. Hartman, en het college, vertegenwoordigd door P.H. Speé, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Naar aanleiding van de verwijzing door vergunninghouder naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007 in zaak nr. 200604454/1 (AB 2007, 195) wordt overwogen dat het college appellanten terecht ontvankelijk in hun bezwaar heeft geacht. Anders dan in die zaak, is in dit geval niet slechts een inpandige verbouwing vergund. De bouwvergunningen van 18 november 2004 zien op de oprichting van een nieuw gebouw ten behoeve van de opslag van consumentenvuurwerk en een inpandige verbouwing, nodig voor de uitbreiding van detailhandel in consumentenvuurwerk van 999 kg naar 9999 kg. Verwezenlijking van deze bouwplannen kan van invloed zijn op de werkomgeving van appellanten.

2.2. Appellanten betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat geen vrijstelling nodig was voor het veranderen van de indeling en het gebruik van de bedrijfshal op het perceel (besluit II), heeft miskend dat uit besluit I, noch besluit II, blijkt dat de hal voor detailhandel zal worden gebruikt. Het gaat om de opslag van vuurwerk; artikel 5, vierde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften mist toepassing, aldus appellanten. Bovendien is volgens hen niet aannemelijk gemaakt dat de detailhandel in consumentenvuurwerk niet op een verantwoorde wijze elders in de dorpsbebouwing is in te passen.

2.2.1. De bouwplannen voorzien in bouwwerken op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Beusichem gedeeltelijke herziening A" de bestemming "Bedrijventerrein" met de nadere aanduiding "B3b" rust. Het college heeft, zowel in besluit I, als in besluit II, krachtens artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften vrijstelling verleend.

2.2.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Bedrijventerrein" aangegeven gronden en de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken, met inachtneming van de nadere aanduidingen op de plankaart en de categorie-aanduiding in de - tot het plan behorende - bedrijvenlijst, bestemd voor handel en bedrijf en bijbehorende voorzieningen, waarbij, voor zover de gronden op de plankaart zijn voorzien van de nadere aanduiding "B3b", op deze gronden uitsluitend bedrijven zijn toegestaan, die op de bedrijvenlijst zijn vermeld en volgens die lijst behoren tot de categorie 1B, 2, 3A of 3B.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, kan het college, met inachtneming van artikel 4 (beschrijving in hoofdlijnen) en artikel 12 (procedurevoorschriften), vrijstelling van het eerste lid verlenen voor het vestigen van een bedrijf dat binnen het met het plan beoogde karakter van het betreffende deel van het bedrijventerrein past en ingevolge het eerste lid, onder a, niet is toegestaan, indien en voor zover uit nader onderzoek is gebleken dat voor het desbetreffende bedrijf, met het oog op de aard, omvang en mate van beïnvloeding van de omgeving, voor zover de gronden op de plankaart zijn voorzien van de nadere aanduiding "B3b", geen groter afstand tot een rustige woonwijk behoeft te worden aangehouden dan 100 m, waarbij onder een rustige woonwijk wordt verstaan een wijk waar weinig verkeer is en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra zijn.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder c, wordt onder gebruik in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan het gebruik rechtstreeks ten behoeve van detailhandel, met dien verstande dat wel is toegestaan detailhandel in goederen, welke vanwege het daaraan verbonden gevaar voor brand, explosie en/of milieuverstoring niet op een verantwoorde wijze elders in de dorpsbebouwing is in te passen.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, mogen op de gronden met de bestemming "Bedrijventerreinen" uitsluitend ten dienste van de bestemming en het volgens het vierde lid toegestane gebruik worden gebouwd: bedrijfsgebouwen, geen bedrijfswoningen zijnde, bedrijfsbouwwerken en bouwwerken ten behoeve van nutsbedrijven.

In de tot het plan behorende bedrijvenlijst staat de opslag van vuurwerk tot 1000 kg vermeld als behorend tot categorie 1B.

2.3. De vraag of de detailhandel die in de met besluit II vergunde bedrijfshal zal worden uitgeoefend in overeenstemming is met het bestemmingsplan, kan in het midden blijven, nu het college bij besluit II krachtens artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften vrijstelling daarvan heeft verleend en de rechtbank deze vrijstelling niet heeft vernietigd, wordt in dit geding van deze vrijstelling uitgegaan. Het betoog faalt.

2.3.1. Voor zover appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen, omdat de desbetreffende bepaling het mogelijk maakt op meer dan ondergeschikte onderdelen van het bestemmingsplan af te wijken en de bevoegdheid aldus in strijd met artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), onvoldoende objectief is begrensd, slaagt het betoog evenmin. Opslag op het perceel van consumentenvuurwerk tot 1000 kg is ingevolge het bestemmingsplan niet verboden. Het in beroep aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat de vergroting van de toegestane opslagcapaciteit een afwijking op meer dan een ondergeschikt onderdeel van het bestemmingsplan vormt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het voorschrift van artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, aan de eis van voldoende objectieve begrensdheid voldoet, nu daarbij is bepaald dat uit nader onderzoek moet zijn gebleken dat voor het desbetreffende bedrijf, met het oog op de aard, omvang en mate van beïnvloeding van de omgeving, voor zover de gronden op de plankaart zijn voorzien van de nadere aanduiding "B3b", geen groter afstand tot een rustige woonwijk behoeft te worden aangehouden, dan 100 m. Zij heeft derhalve de vrijstellingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 5, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, terecht toepasselijk geacht.

2.4. Appellanten betogen ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college in verband met de veiligheid niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het oprichten van een bouwwerk ten behoeve van de opslag van consumentenvuurwerk met een totale capaciteit van 9999 kg. Zij voeren in dit verband aan dat in hun ondernemingen met vuur wordt gewerkt en er geen reden is om aan te nemen dat voor deze opslag geen groter afstand tot een rustige woonwijk dan 100 m behoeft te worden aangehouden.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. Vergunninghouder beschikt over een inmiddels in rechte onaantastbare krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor de opslag en verkoop van 9999 kg consumentenvuurwerk op het perceel. Het college heeft onweersproken gesteld dat sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan met de daarbijbehorende bedrijvenlijst de veiligheidseisen voor de opslag van consumentenvuurwerk in het Vuurwerkbesluit zijn aangescherpt. Bij de vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer is hieraan getoetst. Nu die vergunning bestaat en de dichtstbijzijnde woonbebouwing op meer dan 300 m afstand van de opslagplaats is gelegen, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen vrijstelling van de planvoorschriften heeft kunnen verlenen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

270-488.