Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703040/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2006 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant] om vergunning voor het innemen van een ligplaats met een woonboot aan de linkeroever van het Zwarte Water nabij kilometerraai 18,900 in Genemuiden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 94 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703040/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/163 en 07/220 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle van 30 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2006 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant] om vergunning voor het innemen van een ligplaats met een woonboot aan de linkeroever van het Zwarte Water nabij kilometerraai 18,900 in Genemuiden afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 27 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 juni 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2007, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door E.P. Blaauw, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.C.M. Keijser-Vermeulen en mr. N.H. Huntelaar, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) is het verboden zonder vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd:

a. daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden;

b. daarin, daaronder of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.

Ingevolge artikel 3 - voor zover thans van belang - kan weigering van een vergunning slechts geschieden ter bescherming van de waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken.

Het in dit kader te behartigen rivierbelang is nader ingevuld met de Beleidsregels grote rivieren (hierna: de beleidsregels; Stcrt. 12 juli 2006, nr. 133; onderdeel 2 van de Beleidslijn grote rivieren (hierna: de beleidslijn))

2.2. Bij besluit van 19 september 2006, gehandhaafd bij besluit van 18 december 2006, heeft de minister de aanvraag van [appellant] om vergunning voor het innemen van een ligplaats wegens strijd met de beleidsregels afgewezen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de beleidsbrief DGW 2006/141 en de handreiking, die een onderdeel vormen van de beleidslijn. In deze brief en de handreiking wordt door de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat beschreven wat wel mogelijk is in de grote rivieren en worden in dit verband uitspraken gedaan inzake ligplaatsen voor woonboten en wonen op het water.

2.3.1. De beleidslijn bestaat uit de beleidsbrief, de beleidsregels, de handreiking en de kaarten. De beleidsbrief en de handreiking betreffen het waterbeheer in het algemeen en vormen, zoals de minister terecht heeft gesteld, geen toetsingskader voor de beoordeling van de aangevraagde activiteit.

2.4. [appellant] brengt daarnaast naar voren dat de minister het beleid hanteert dat voor bestaande situaties een vergunning wordt verstrekt en dat slechts in nieuwe situaties voor het innemen van een ligplaats met een woonboot geen vergunning meer wordt verleend, omdat wonen niet als watergebonden activiteit wordt aangemerkt. Hij meent dat het hier om een bestaande situatie gaat. Voorts voert hij aan dat wonen op een woonboot wel degelijk een watergebonden activiteit is. De door de voorzieningenrechter gegeven uitleg van de beleidsregels leidt er toe dat van de vergunningmogelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt, hetgeen volgens [appellant] in strijd is met artikel 2 van de Wbr.

2.4.1. Vanaf 1999 geldt op grond van de Wbr een vergunningplicht voor het innemen van een ligplaats met een woonboot in het riviergebied. De minister beschouwt als een bestaande situatie alleen de in 1999 aanwezige woonboten, waarbij niet van belang is of destijds een aanvraag was ingediend. Uitgaande van de door de minister gehanteerde overgangsregeling, die niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt, is van een bestaande situatie geen sprake.

Gelet op artikel 5 van de beleidsregels is het innemen van een ligplaats met een woonboot geen riviergebonden activiteit. De beleidsregels sluiten niet uit dat voor dergelijke activiteiten een vergunning wordt verleend. Dat blijft mogelijk indien die activiteiten plaatsvinden in het gedeelte van het rivierbed waarop het bergend regime van toepassing is (artikel 4 van de beleidsregels), dan wel sprake is van een van de in artikel 6 van de beleidsregels genoemde situaties. Mitsdien kan niet worden geoordeeld dat de beleidsregels in strijd zijn met artikel 2 van de Wbr.

2.5. [appellant] voert tenslotte aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet als bijzondere omstandigheid heeft te gelden dat hij een ligplaatsvergunning van de gemeentelijke overheid heeft verkregen en evenmin als zodanig kunnen worden aangemerkt de door de gemachtigde van [appellant] overgelegde vergunningen voor het innemen van ligplaatsen met woonschepen elders in het land. Naar [appellant] stelt, werden daarbij veel minder zwaarwegende belangen wel gehonoreerd. [appellant] betoogt verder dat hij er op mocht vertrouwen dat hij alleen met gemeentelijke regelgeving te maken had bij het opdracht geven tot de bouw van zijn woonark en dat het water waarin hij ligplaats wil innemen nog altijd valt onder het exploitatierecht van de gemeente. Voorts is van belemmeringen van de doorstroming geen sprake, aldus [appellant]. Volgens hem valt niet in te zien welk nautisch belang aan vergunningverlening in de weg zou kunnen staan.

2.5.1. De insteekhaven waar [appellant] ligplaats wenst in te nemen, valt onder het vergunningvereiste van de Wbr. Dat van bevoegde zijde aan hem zou zijn medegedeeld dat hij een dergelijke vergunning niet nodig zou hebben dan wel deze hem zou worden verleend, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

Bij de beoordeling van de aanvraag om vergunning op grond van de Wbr wordt slechts aan de op grond van deze wet te behartigen waterstaatkundige belangen getoetst. Het feit dat aan [appellant] een vergunning voor het innemen van een ligplaats op grond van de Algemene plaatselijke verordening is verleend, levert, gelet op dit zelfstandige toetsingskader, geen grond op voor vergunningverlening op grond van de Wbr. Nu de minister niet is gebonden aan besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat niet als bijzondere omstandigheid heeft te gelden dat [appellant] een ligplaatsvergunning van de gemeentelijke overheid heeft verkregen.

Voor zover [appellant] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel kan dit evenmin slagen, daar niet is gebleken dat sprake is van gelijke gevallen.

Met de voorzieningenrechter moet worden geoordeeld dat de minister overeenkomstig de beleidsregels heeft gehandeld door in dit geval geen toestemming te verlenen. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt, wordt door de systematiek van de beleidsregels, waarbij eerst de toelaatbaarheid van een activiteit wordt beoordeeld en daarna pas de rivierkundige consequenties, in dit geval niet toegekomen aan een toetsing of de aangevraagde activiteit zal leiden tot voor de rivier optredende effecten. In het midden kan dan ook blijven of een nautisch belang aan vergunningverlening in de weg zou kunnen staan. Nu van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de minister de gevraagde vergunning desondanks behoort te verlenen niet is gebleken, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister de gevraagde vergunning niet in redelijkheid kon weigeren.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008.

97-440.