Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200701732/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Boarnsterhim het bestemmingsplan "Wergea-kom" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701732/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Boarnsterhim het bestemmingsplan "Wergea-kom" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 6 februari 2007, kenmerk 00675448, over de goedkeuring van het plan beslist.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief van 19 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2007, en [appellant sub 2] bij brief van 29 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 april 2007.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 1]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2007, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [gemachtigde] en [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door ir. S. Boonstra zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellanten sub 1] voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "beeldondersteunend" op het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 1].

[appellanten sub 1] voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bouwvlak voor de woning op het perceel [locatie 2].

[appellanten sub 1] voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" ter hoogte van de karakteristieke overtuintjes.

Het beroep steunt, voor zover het deze bezwaren betreft, niet op een bij de gemeenteraad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van verweerder, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. [appellanten sub 1] voeren voorts aan dat het plan ten onrechte voorziet in de oprichting van een monument op het perceel aan de Kerkbuurt tegenover het perceel Kerkbuurt 2. Zij voeren in dit verband aan dat ter plaatse van dit perceel de doorlopende gevelwand aan de noordzijde van de straat Kerkbuurt wordt onderbroken, waardoor een lege ruimte ontstaat. Volgens hen is een doorlopende gevelwand op deze plaats meer wenselijk. De oprichting van een monument biedt volgens hen onvoldoende herstel van de desbetreffende gevelwand.

2.3.1. Het desbetreffende perceel valt binnen de gronden die zijn aangewezen als beschermd dorpsgezicht.

Uit de ter zitting door appellanten getoonde foto's is gebleken dat in de bestaande situatie op het desbetreffende perceel een plein ligt, waardoor de gevelwand aan de noordzijde van de Kerkbuurt wordt onderbroken. Op de plankaart is op het desbetreffende perceel met de bestemming "Gemengd gebied" geen bouwvlak opgenomen, zodat ter plaatse geen gebouwen mogen worden gebouwd. De bestaande open ruimte wordt daarmee in het plan als zodanig bestemd.

"Plaetslik Belang Wergea" heeft in haar zienswijze aan de gemeenteraad verzocht de oprichting van een monument gewijd aan de Wergeaster zuivelhistorie op het desbetreffende perceel mogelijk te maken. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan, naar aanleiding van de zienswijze van "Plaetslik Belang Wergea" de mogelijkheid tot het oprichten van een monument op dit perceel in het plan opgenomen. Daartoe is op het perceel de aanduiding "te plaatsen monument" opgenomen.

Gelet op de ter plaatse van het perceel bestaande openheid heeft verweerder het perceel passend kunnen achten voor de oprichting van een monument. In de in het plan voorziene mogelijkheid om ter plaatse een monument op te richten noch in omstandigheid dat het ter plaatse bestaande plein de gevelwand aan de noordkant van de Kerkbuurt onderbreekt heeft verweerder in redelijkheid grond behoeven te zien voor het oordeel dat ernstige afbreuk wordt gedaan aan het beschermd dorpsgezicht.

2.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellanten sub 1], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.5. [appellant sub 2] voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte onvoldoende is ingegaan op zijn bezwaren tegen de gevolgde procedure met betrekking tot het bestemmingsplan "Staande Mastroute".

Dit bezwaar kan in deze procedure niet aan de orde komen, nu in deze procedure alleen het besluit van verweerder over de goedkeuring van het bestemmingplan "Wergea Kom" ter toets voorligt. Dit bezwaar kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.6. [appellant sub 2] voert aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" op zijn gronden. Hij voert in dit verband aan dat deze dubbelbestemming er ten onrechte toe leidt dat hij weliswaar op grond van de bestemming "Agrarisch gebied" beschikt over een bouwvlak op zijn perceel, maar voor zover op de desbetreffende gronden de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" rust, hij eerst kan bouwen na een verkregen vrijstelling. Voorts leidt deze dubbelbestemming ertoe dat hij bepaalde werkzaamheden eerst na het verkrijgen van een aanlegvergunning kan verrichten. Ter zitting heeft hij in dit verband ter toelichting aangevoerd dat voor gebruikelijke werkzaamheden als het egaliseren van grasland, waarbij tot een diepte van maximaal 20 centimeter de bodem wordt geroerd een aanlegvergunning nodig zal zijn, waardoor het aanlegvergunningenstelsel een ernstige belemmering voor dergelijke gebruikelijke werkzaamheden zal opleveren.

2.6.1. [appellant sub 2] drijft een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 3] te [plaats].

Aan dat perceel en de gronden van appellant, voor zover die liggen binnen het plangebied, is de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Op de plankaart is op het perceel een bouwblok opgenomen.

Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder a1, mogen gebouwen op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" worden gebouwd binnen het bouwvlak.

Aan een deel van het perceel en de gronden van appellant is tevens de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" toegekend.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder a mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van archeologisch onderzoek en bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 50 m2 ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen worden gebouwd.

Ingevolge het tweede lid, onder b, van dit artikel mogen bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m2 ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen slechts worden gebouwd indien daarvoor door het college van burgemeester en wethouders vrijstelling is verleend. Vrijstelling wordt slechts verleend indien de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad. Alvorens burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen, winnen zij advies in bij een daarvoor deskundige en onafhankelijke instantie.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, van dit artikel is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren:

- het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen van gronden, alsmede het ophogen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 50 m2 en dieper dan 30 centimeter;

- het graven of dempen van waterpartijen en watergangen met een oppervlakte groter dan 50 m2 en dieper dan 30 centimeter;

- het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 30 centimeter;

- het verlagen van het waterpeil;

- het aanbrengen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd, met een oppervlakte groter dan 50 m2.

Ingevolge het derde lid, onder c, voor zover thans van belang, is het verbod als bedoeld onder a niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen.

2.6.2. De gronden met de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" hebben op de Friese Monumentenkaart Extra (hierna: FAMKE) advieskaart ijzertijd-middeleeuwen de aanduidingen "streven naar behoud" en "waarderend onderzoek (terpen)". In de toelichting bij deze kaart is bij de terreinen met de aanduiding "streven naar behoud" onder meer vermeld dat van deze terreinen bekend is dat zij waardevolle archeologische resten uit de periode bronstijd en later bevatten. Van de terreinen met de aanduiding "waarderend onderzoek (terpen)" is vermeld dat deze gebieden archeologische vindplaatsen betreffen, te weten terpen of terpzolen, die archeologische vondsten bevatten en dat ook afgegraven terpen, waarvan de terpzool slechts rest, waardevolle diepere sporen kunnen bevatten zoals waterputten en sloten, maar dat de precieze waarde en omvang van deze terpzolen nog niet bekend is.

Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gronden met de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" archeologische waarden kunnen bevatten. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in artikel 13, tweede lid, onder b, en derde lid, onder a, van de planvoorschriften genoemde werkzaamheden kunnen leiden tot onherstelbare schade aan het bodemarchief en de daarin opgeslagen informatie verloren kunnen doen gaan. Gelet hierop heeft verweerder de in het plan opgenomen vrijstellingsregeling voor gebouwen groter dan 50 m2 en het aanlegvergunningenstelsel nodig kunnen achten ter bescherming van de archeologische waarden.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hiermee zodanig onevenredig in zijn uitbreidingsmogelijkheden, dan wel in de dagelijkse bedrijfsvoering wordt belemmerd dat verweerder niet in redelijkheid de belangen bij bescherming van de archeologische waarden zwaarder heeft kunnen laten wegen.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij voor de door hem ter zitting genoemde gewone werkzaamheden als het egaliseren van grasland een aanlegvergunning nodig heeft, overweegt de Afdeling dat appellant ter zitting heeft verklaard dat bij dergelijke gebruikelijke werkzaamheden de grond niet dieper wordt geroerd dan 20 centimeter. Nu, gelet op het bepaalde in artikel 13, derde lid, van de planvoorschriften, voor de daar genoemde werkzaamheden uitsluitend een aanlegvergunning is vereist indien het werkzaamheden betreft dieper dan 30 centimeter, staat vast dat voor dergelijke gebruikelijke werkzaamheden geen aanlegvergunning is vereist. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aanlegvergunningenstelsel geen belemmering vormt voor de dagelijkse werkzaamheden van appellant. De beroepsgrond treft geen doel. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond, voor zover dit is gericht tegen de goedkeuring aan de dubbelbestemming "Archeologisch waardevol gebied" op zijn gronden.

2.7. [appellant sub 2] voert aan dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van uitbreiding van zijn agrarisch bedrijf op zijn gronden, terwijl in het plan wel is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een mogelijke uitbreiding van de jachthaven, industrieterrein en sportvoorzieningen. Volgens hem wordt met twee maten gemeten nu geen wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van zijn bedrijf wordt opgenomen.

2.7.1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] gemotiveerd onderbouwd dat het op de plankaart opgenomen bouwvlak reeds volledig in gebruik is. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat binnen het bouwvlak uitbreiding van het bedrijf feitelijk niet mogelijk is.

2.7.2. Verweerder acht het niet opnemen van een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van uitbreiding van het bedrijf van appellant redelijk omdat het bedrijf niet ver ten oosten van de bebouwde kom van Wergea ligt en niet uitgesloten moet worden geacht dat bij uitbreiding van Wergea die bebouwde kom nog dichter bij het bedrijf van appellant komt te liggen. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ten oosten van het bedrijf van [appellant sub 2] voldoende ruimte bestaat voor uitbreiding van zijn bedrijf.

2.7.3. [appellant sub 2] heeft aannemelijk gemaakt dat binnen het bestaande bouwblok geen ruimte bestaat voor uitbreiding van zijn bedrijf. De gronden ten oosten van het bedrijf van appellant maken geen deel uit van het plangebied. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder heeft onderzocht of het op die gronden geldende bestemmingsplan voorziet in redelijke uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf van [appellant sub 2] en zo ja, of hij van die mogelijkheden feitelijk gebruik zal kunnen maken. Aldus heeft verweerder onvoldoende onderzocht of er voor [appellant sub 2] redelijke mogelijkheden voor uitbreiding van zijn bedrijf bestaan.

De kortste afstand tussen het bouwvlak op het bedrijfsperceel van [appellant sub 2] en de bebouwde kom van Wergea bedraagt volgens de plankaart ongeveer 300 meter. Het plan voorziet niet in nieuwe woonbebouwing tussen de bestaande bebouwde kom en het bedrijf van [appellant sub 2]. Binnen de planperiode bestaat derhalve geen concreet zicht op een uitbreiding van de bebouwde kom in de richting van zijn bedrijfsperceel, zodat verweerder aan een eventuele toekomstige uitbreiding van de bebouwde kom van Wergea zonder nadere motivering geen groter gewicht heeft kunnen hechten dan aan het belang van [appellant sub 2] bij een redelijke uitbreiding van zijn bedrijfsbebouwing.

De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" wat betreft de gronden van appellant voor zover die liggen buiten het daarop in het plan opgenomen bouwvlak.

2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 2] te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellanten sub 1] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de aanduiding "beeldondersteunend" op het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 1], het bouwvlak voor de woning op het perceel [locatie 2] en de plandelen met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" ter hoogte van de karakteristieke overtuintjes;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van 6 februari 2007, kenmerk 00675448, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied" wat betreft de gronden van [appellant sub 2], voor zover die liggen buiten het daarop in het plan opgenomen bouwvlak;

IV. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 688,33 (zegge: zeshonderdachtentachtig euro en drieëndertig cent) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Fryslân aan [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de provincie Fryslân aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

325.