Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2108

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200701418/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) de ernst en urgentie vastgesteld van de locatie Wagengouw 32/ Westveer te Broek in Waterland (hierna: het voormalige opslagterrein) en heeft hij ingestemd met het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "HSB Vastgoed Holding B.V." (hierna: HSB) voor het voormalige opslagterrein ingediende saneringsplan van 23 maart 2004.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 49 met annotatie van J.H.G. van den Broek
JOM 2010/561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701418/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) de ernst en urgentie vastgesteld van de locatie Wagengouw 32/ Westveer te Broek in Waterland (hierna: het voormalige opslagterrein) en heeft hij ingestemd met het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "HSB Vastgoed Holding B.V." (hierna: HSB) voor het voormalige opslagterrein ingediende saneringsplan van 23 maart 2004.

Bij besluit van 4 januari 2006 heeft het college van gedeputeerde staten de ernst en urgentie vastgesteld van de locatie de parallelsloot Wagengouw/ Galggouw te Broek in Waterland (hierna: de parallelsloot) en heeft hij ingestemd met het door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: het college van het Hoogheemraadschap) voor de parallelsloot ingediende saneringsplan van december 2005.

Bij besluit van 9 januari 2007, verzonden op 11 januari 2007, heeft het college van gedeputeerde staten de bezwaren van [appellant] tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 19 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2007, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht. Het college van gedeputeerde staten heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2007, waar [appellant], in persoon, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en M.M.M. van der Meij, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partijen gehoord het college van burgemeester en wethouders van Waterland, vertegenwoordigd door ir. J.T.M. Bakker en ing. E. Houwertjes, het college van het Hoogheemraadschap, vertegenwoordigd door mr. P.J.J. Oosterling en A.T.M. Oudendijk, en HSB, vertegenwoordigd door mr. M.C. Brans, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] voert aan dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet heeft toegepast.

2.1.1. Uit de Wet bodembescherming volgt niet dat het college van gedeputeerde staten afdeling 3.4 van de Awb dient toe te passen. Deze beroepsgrond faalt.

2.2. Eerder heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 25 januari 2005 een tegen het besluit van 28 juni 2004 gemaakt bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 december 2005 in zaak nr. 200501681/1 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd omdat het college van gedeputeerde staten niet de precieze omvang van het geval van verontreiniging had vastgesteld.

2.2.1. [appellant] stelt dat het college van gedeputeerde staten de omvang van het geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming ten onrechte heeft beperkt tot het voormalige opslagterrein en de parallelsloot. Volgens [appellant] behoren de tuinen van de woningen Wagengouw 34 tot en met 52, die aan de oostzijde van de parallelsloot liggen, tot hetzelfde geval van verontreiniging als het voormalige opslagterrein en de parallelsloot.

2.2.2. Gelet op de in artikel 1 van de Wet bodembescherming gegeven definitie van een geval van verontreiniging is er sprake van één geval van verontreiniging indien de verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische én ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. Technische samenhang is daarbij aanwezig als de verontreinigingen zijn veroorzaakt als gevolg van een zelfde productieproces, installatie of mechanisme. Van organisatorische samenhang is sprake wanneer de oorzaak of de gevolgen van de verontreiniging niet gescheiden kunnen worden in verschillende organisatorische eenheden. Van een ruimtelijke samenhang is sprake, indien de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen.

2.2.3. Vaststaat dat in dit geval aan het vereiste van ruimtelijke samenhang is voldaan. In het deskundigenbericht is vermeld dat uit de onderzoeken die zijn verricht ter plaatse van de tuinen van deze woningen blijkt, dat er geen technische samenhang is vast te stellen tussen de verontreiniging in de tuinen van de woningen en de verontreiniging van het voormalige opslagterrein en de parallelsloot. Verder wordt in het deskundigenbericht vermeld dat niet geconcludeerd kan worden dat de geconstateerde verontreinigingen organisatorisch samenhangen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Het college van gedeputeerde staten heeft derhalve terecht gesteld dat de verontreiniging van de tuinen van de woningen Wagengouw 34 tot en met 52 en de verontreiniging van het voormalige opslagterrein en de parallelsloot niet samen als een geval van verontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming kan worden aangemerkt. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 38, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bodembescherming omdat geen maatregelen worden getroffen om het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk te beperken. Het college van gedeputeerde staten heeft volgens [appellant] dan ook ten onrechte niet voorgeschreven dat er damwanden aan de oost- en westzijde van het voormalige opslagterrein geplaatst moeten worden.

2.3.1. Ingevolge artikel 38, eerste lid, voert degene die de bodem saneert, de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

2.3.2. Het saneringsplan voor het voormalige opslagterrein betreft een functiegerichte sanering van een immobiele verontreiniging in de bovengrond. De verontreiniging wordt gesaneerd door middel van een gedeeltelijke ontgraving. De restverontreiniging wordt geïsoleerd door het aanbrengen van een leeflaag uit schone grond. Het college van gedeputeerde staten heeft de Circulaire bodemsanering 2006 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Circulaire) tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling of aan artikel 38 van de Wet bodembescherming wordt voldaan. In bijlage 3 paragraaf 2.2 van de Circulaire staat dat voor de bodemgebruikvorm 'wonen en intensief gebruik (openbaar) groen', waarvan hier sprake is, het aanbrengen van een leeflaag als standaard saneringsmaatregel geldt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze standaardaanpak in dit geval ontoereikend is om het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk te beperken.

Het saneringsplan voor de parallelsloot betreft een multifunctionele sanering voor de waterbodem, waarbij behalve de ernstig met zink verontreinigde bagger ook een deel van de ernstig met zink verontreinigde waterbodem ter hoogte van het voormalige opslagterrein wordt verwijderd. Hiermee wordt bereikt dat deze verontreiniging geheel wordt verwijderd. Om het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen van het naastgelegen perceel zoveel mogelijk te beperken wordt een beschoeiing en een kleirand van 2 meter langs de sloot aangebracht. Hiermee wordt erosie van de puinhoudende grond voorkomen en wordt de horizontale afstroming van licht tot matig verontreinigd grondwater bij een hoge grondwaterstand voorkomen. Gezien deze maatregelen heeft het college van gedeputeerde staten zich, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, in overeenstemming met artikel 38, eerste lid, aanhef en onder b, het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het gestelde in artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a en c wordt voldaan, zodat hij in redelijkheid met het saneringsplan heeft kunnen instemmen. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

190-492.