Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703631/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit, verzonden op 19 januari 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten (hierna: het college) aan "LSI De Koppeling B.V." (hierna: LSI) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met bijbehorend parkeerterrein op het perceel De Koppeling te Houten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Geluid en Luchtkwaliteit 2008/71
Module Ruimtelijke ordening 2008/1984
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703631/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beide gevestigd te [plaats],

3. [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 17 april 2007 in de zaken nrs. 2828, 2814 en 2804, 2807, 2867 en 2977 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten.

1. Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 19 januari 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Houten (hierna: het college) aan "LSI De Koppeling B.V." (hierna: LSI) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kantoorgebouw met bijbehorend parkeerterrein op het perceel De Koppeling te Houten.

Bij besluit van 12 juni 2006, aangevuld bij besluit van 27 juni 2006, heeft het college, voor zover thans van belang, met overneming van het advies van de bezwarencommissie van de gemeente Houten, de door onder meer [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 19 januari 2006 in stand gelaten.

Bij onderscheiden uitspraken van 17 april 2007, verzonden op 18 april 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover zij daarbij ontvangen zijn in hun bezwaar, deze bezwaren alsnog niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellanten sub 3] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant sub 1] bij brief van 24 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2007, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2007, en [appellanten sub 3] bij brief van 25 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2007, hoger beroep ingesteld. [appellanten sub 3] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 27 juni 2007.

Bij brief van 19 september 2007 heeft LSI een reactie ingediend.

Bij brief van 20 september 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 2] en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2007, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [directeur], en [deskundige], en bijgestaan door mr. W. van Galen, advocaat te Utrecht, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door drs. L.L.M. Herremans, ambtenaar in dienst van de gemeente, [deskundigen], en bijgestaan door mr. R.J.G. Bäcker, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Voorts is daar LSI, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Driel, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet op het oprichten van een kantoorgebouw met een bruto vloeroppervlak van circa 28.500 m2 en een bijbehorend parkeerterrein met 500 parkeerplaatsen. Het kantoorgebouw zal bestaan uit een bouwblok met een lengte van 355 meter aan de zijde van De Koppeling en drie kleinere bouwblokken aan de achterzijde die met loopbruggen en een atrium met het voorste bouwblok zullen worden verbonden. Het kantoorgebouw zal worden voorzien van maximaal vijf verdiepingen met een hoogte van 17,8 meter, exclusief technische installaties op het dak. Daar waar het kantoorgebouw zal voorzien in vier verdiepingen, zal de hoogte 14,3 meter bedragen. De ontsluiting van het kantoorgebouw zal via Het Hout en De Bouw op De Koppeling en De Rondweg plaatsvinden.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen en derhalve niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Hij stelt dat hij vanaf de eerste en tweede verdieping van zijn woning zicht zal hebben op een deel van het te realiseren kantoorgebouw, nu de tussenliggende bedrijfsbebouwing op veel plaatsen niet hoger is dan vier meter. Voorts verwacht hij dat door de toekomstige gebruikers van het te realiseren kantoorgebouw in de woonwijk zal worden geparkeerd, waardoor de verkeer- en parkeerdruk voor zijn woning zal toenemen en de luchtkwaliteit zal verslechteren. Verder stelt [appellant sub 1] dat het te realiseren kantoorgebouw is gelegen binnen de geluidzone van het bedrijventerrein "De Schaft".

2.3.1. De afstand van de woning van [appellant sub 1] tot het te realiseren kantoorgebouw bedraagt hemelsbreed circa 350 meter. Tussen de woning van [appellant sub 1] en het te realiseren kantoorgebouw is een openbare weg en het bedrijventerrein "De Schaft" gelegen. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, maakt het enkele feit dat hij vanuit de eerste en tweede verdieping van zijn woning zicht zal hebben op een deel van het te realiseren kantoorgebouw, niet dat hij reeds daarom is aan te merken als belanghebbende. De rechtbank heeft voorts terecht en op juiste gronden overwogen dat de ruimtelijke uitstraling van het te realiseren kantoorgebouw niet zodanig is dat [appellant sub 1] daardoor direct in zijn belang wordt geschaad. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, gelet op de ligging van de woning van [appellant sub 1] en de afstand tot het te realiseren kantoorgebouw, niet aannemelijk kan worden geacht dat het aantal verkeersbewegingen langs zijn woning zal toenemen of dat de parkeerdruk ter plaatse zal toenemen ten gevolge van het te realiseren kantoorgebouw. Gelet hierop is het evenmin aannemelijk dat de luchtkwaliteit ter plaatse door het realiseren van het bouwplan negatief zal worden beïnvloed. De rechtbank behoefde voorts, anders dan [appellant sub 1] betoogt, niet in zijn oordeel de omstandigheid te betrekken dat het kantoorgebouw gelegen zal zijn binnen de geluidzone, nu dit niet mede het belang als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt bij het besluit tot afgifte van de bouwvergunning. Het betoog faalt.

2.4. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij als belanghebbende zijn aan te merken als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, nu hun bedrijfspanden in de nabijheid van het te realiseren kantoorgebouw zijn gelegen. Zij betogen dat de bereikbaarheid van hun bedrijfspanden zal verslechteren vanwege de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen op Het Hout, De Koppeling en de Rondweg, hetgeen volgens hen zal leiden tot belemmering van hun bedrijfsvoering, bedrijfsschade en vermindering van de waarde van hun panden.

2.4.1. De bedrijven van [appellanten sub 2] zijn gelegen op een afstand van circa 230 meter van het te realiseren kantoorgebouw en gevestigd nabij een belangrijke aanrijroute - de Rondweg en De Koppeling - van en naar de gemeente Houten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het enkele feit dat ten gevolge van het te realiseren kantoorgebouw de verkeersintensiteit op de Rondweg en De Koppeling zal toenemen, [appellanten sub 2] geen belanghebbenden bij de vrijstelling maakt, nu zij zich hiermee in onvoldoende mate onderscheiden van andere gebruikers van deze aanrijroute. Voorts hebben [appellanten sub 2] niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat zij door het te realiseren kantoorgebouw in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd en de waarde van hun panden zal verminderen. De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat [appellanten sub 2] niet rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Het betoog faalt.

2.5. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het bestemmingsplan "Globaal bestemmingsplan Houten Vinex" ter plaatse geldende bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "BIII". Om medewerking aan het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend.

2.6. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Dat laatste heeft de gemeenteraad van Houten gedaan.

2.7. De ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan bestaat uit het rapport "Ruimtelijke onderbouwing kantoorpand de Koppeling in Houten". Daarin is gemotiveerd uiteengezet dat het bouwplan in overeenstemming is met provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid.

2.8. [appellanten sub 3] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing niet deugdelijk is nu niet is voldaan aan de voorverhuureis uit het Regionaal Structuurplan 2005-2015 van het Bestuur Regio Utrecht (hierna: het structuurplan).

2.8.1. In het structuurplan is vermeld dat bij de ontwikkeling van kantoorlocaties een voorverhuureis van 75% wordt gehanteerd. Dat houdt volgens dit plan in dat een ontwikkelaar pas mag starten met de bouw als hij kan aantonen dat 75% van het kantoor verhuurd is. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het te realiseren kantoorgebouw aan Getronics zal worden verhuurd onder de voorwaarde dat er vóór 31 december 2005 een onherroepelijke bouwvergunning aanwezig moet zijn. Aan deze voorwaarde is niet voldaan, maar uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het kantoorgebouw toch aan Getronics zal worden verhuurd. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat de ruimtelijke onderbouwing in zoverre niet deugdelijk is. Het betoog faalt.

2.9. [appellanten sub 3] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de vrijstelling in strijd is met de door de raad van de gemeente Houten op 14 juni 2005 vastgestelde "Proefverkaveling Koppeling-De Schaft" (hierna: de proefverkaveling).

2.9.1. In de proefverkaveling is beoogd de stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein "De Koppeling-De Schaft" vast te stellen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het bouwplan past in de proefverkaveling, met dien verstande dat het kantoor bolvormig zal zijn en de units, zoals weergeven op de kaart behorende bij de proefverkaveling van 12.500 m2, 2.000 m2 en 6.000 m2, zijn vervangen door een groter gebouw. Omdat in de proefverkaveling is voorzien in kantoorruimte langs De Koppeling met 50.000 m2 bruto vloeroppervlak en door uitsparingen in de gevel en verspringing in de daklijn van het te realiseren kantoorgebouw aansluiting wordt gevonden bij de stedenbouwkundige uitgangspunten van de proefverkaveling, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de proefverkaveling aan het verlenen van de vrijstelling in de weg stond. Ook dit betoog faalt derhalve.

2.10. [appellanten sub 3] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) in de weg staat aan het verlenen van de vrijstelling. Zij voeren hiertoe aan dat in het rapport van de gemeente Houten "Gevolgen van het bouwplan Getronics op de luchtkwaliteit" van 30 maart 2006 (hierna: het rapport) en de memo van Tauw van 20 april 2006 (hierna: de memo), waar het college zich op heeft gebaseerd bij de beoordeling van de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit, is uitgegaan van onjuiste aannames inzake de verkeersintensiteiten. Zo blijkt volgens hen uit het rapport en de memo niet dat op juiste wijze rekening is gehouden met de verkeersbewegingen van werknemers en bezoekers van Getronics en achten zij het daarnaast, gelet op de in de aanvraag om bouwvergunning vermelde bezettingsgraad, niet aannemelijk dat de toename van het aantal verkeersbewegingen slechts 1600 voertuigen per etmaal zal bedragen. Ter zitting hebben zij daarnaast, onder verwijzing naar de notitie van EW Milieu-advies van 1 augustus 2007, betoogd dat niet aannemelijk is dat slechts 1000 werknemers in het te realiseren kantoorgebouw gehuisvest zullen gaan worden. Voorts heeft de rechtbank volgens hen ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat in de berekeningen in het rapport is uitgegaan van een kleinere toename van het aantal verkeersbewegingen op De Koppeling dan 1600 en dat in het rapport bij de autonome ontwikkeling ten onrechte de centrumontwikkeling van Houten niet is betrokken.

2.10.1. In het rapport zijn de onderzoeksresultaten neergelegd van de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit. Tevens is een vergelijking van de luchtkwaliteit na realisering van het kantoorgebouw met de luchtkwaliteit zonder realisering van het kantoorgebouw (hierna: de autonome ontwikkeling) gemaakt. Bij de autonome ontwikkeling is rekening gehouden met alle locaties waarvoor een bestemmingsplan of uitwerkingsplan door gedeputeerde staten is goedgekeurd binnen de Rondweg. Daarnaast zijn in de autonome ontwikkeling alle projecten meegenomen waarvoor gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar in het kader van artikel 19 van de WRO hebben afgegeven. De ontwikkeling van het centrum van Houten is niet meegenomen in de autonome ontwikkeling. In het rapport staat verder vermeld dat op basis van het aantal vierkante meters bedrijfsvloeroppervlak in het te realiseren kantoorgebouw gerekend is met een toename van de verkeersintensiteit met bijna 1600 voertuigbewegingen. In de memo zijn de resultaten van een aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit neergelegd.

2.10.2. Het college heeft zich bij de berekening van de verkeersintensiteiten gebaseerd op de in de ASVV 2004, "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" (hierna: ASVV), die is uitgegeven door het CROW, gegeven aanbeveling dat bij kantoren zonder baliefunctie kan worden gerekend met 25 m2 tot 35 m2 bruto vloeroppervlakte per arbeidsplaats, dat wil in dit geval zeggen minimaal 814 en maximaal 1140 arbeidsplaatsen. Ter zitting heeft het college toegelicht, mede aan de hand van de door Goudappel Coffeng b.v., adviseurs verkeer en vervoer, bij brief van 30 juli 2007 gegeven nadere toelichting op de berekening van de verkeersintensiteiten, dat in verkeersmodellen per arbeidsplaats wordt uitgegaan van circa 1 tot 1,5 autorit per etmaal. Uitgaande van 1,4 autorit per etmaal per arbeidsplaats is de verwachte toename van voertuigbewegingen bijna 1600. Op grond van de ASVV komt het college voorts op een benodigd aantal parkeerplaatsen van 480. In het Bedrijfsvervoerplan van Getronics van 5 september 2005 is verder aangegeven dat circa 1000 werkplekken zullen worden gerealiseerd.

De door [appellanten sub 3] aangehaalde notitie van EW-milieu-advies levert geen grond op voor twijfel aan de juistheid van de berekeningen van het college of de aannames waarop die berekeningen zijn gebaseerd. Evenmin toont de notitie aan dat de situatie in Houten in dit opzicht zou afwijken van de algemene in de ASVV geschetste situatie. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen uitgaan van een toename van de verkeersintensiteit met 1600 verkeersbewegingen en een benodigd aantal parkeerplaatsen van 500. Hiertoe wordt voorts in aanmerking genomen dat aan de bij de aanvraag om bouwvergunning aangegeven bezettingsgraadklasse B4, welke aanduiding primair strekt om te bepalen of het bouwwerk voldoet aan onder meer de brandveiligheidsnormen, niet de betekenis kan worden toegekend dat feitelijk minimaal 1222 werknemers in het te realiseren kantoorgebouw gevestigd zullen worden. Ter zitting heeft LSI desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd dat het te realiseren kantoorgebouw strekt tot gebruik door 1000 werknemers en toegelicht dat de aard van het gebouw zich niet leent voor de huisvesting van meer werknemers. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat het college niet heeft kunnen uitgaan van 1,4 autorit per etmaal per arbeidsplaats. Voor zover [appellanten sub 3] betogen dat ten behoeve van de niet-ambulante werknemers geen rekening is gehouden met voldoende parkeerplaatsen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in de berekeningen voor het benodigd aantal parkeerplaatsen niet heeft kunnen uitgaan van het totaal van ambulante en niet-ambulante werknemers.

Verder bestond voor het college geen aanleiding om, anders dan [appellanten sub 3] betogen, van Getronics te verlangen dat zij een overzicht zou geven van de wijze van vervoer van haar werknemers op het huidige hoofdkantoor en een inschatting zou maken van het verwachte aantal bezoekers. Niet kan worden staande gehouden dat deze gegevens meer representatief zouden zijn voor de te verwachten verkeersintensiteit dan de gegevens ontleend aan het Bedrijfsvervoerplan van Getronics en de landelijke kencijfers van de ASVV, omdat de huidige wijze van vervoer naar het hoofdkantoor van Getronics geen indicatie geeft voor de wijze van vervoer naar de nieuwe locatie.

Waar [appellanten sub 3] betogen dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat Getronics het kantoorgebouw kan onderverhuren, wordt overwogen dat het college heeft te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, en geen rekening hoeft te houden met onzekere toekomstige gebeurtenissen.

In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college in de berekeningen ten onrechte is uitgegaan van een kleinere toename aan verkeersbewegingen op De Koppeling dan 1600. De 1600 verkeersbewegingen verdelen zich, aldus het college, over verschillende bestemmingen en richtingen, dus niet alleen richting De Koppeling 33 tot en met 36 zoals [appellanten sub 3] stellen, maar ook richting De Koppeling 4 tot en met 6. Daarbij komt dat het college in de berekening, zij het in beperkte mate, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat ander verkeer dan het verkeer voor Getronics door de toegenomen verkeersdruk een andere route gaat kiezen.

In hetgeen [appellanten sub 3] voor het overige hebben aangevoerd bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de berekeningen van het college en de aannames waarop de berekeningen zijn gebaseerd onjuist zouden zijn. Het betoog faalt derhalve.

2.10.3. Voor zover [appellanten sub 3] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat het college zonder toereikende motivering in het rapport van 30 maart 2006 is uitgegaan van een andere bomenfactor dan in de notitie "Luchtonderzoek De Koppeling/De Schaft" van 27 september 2005, faalt dat betoog eveneens.

De notitie "Luchtonderzoek De Koppeling/De Schaft" is opgesteld ten behoeve van het in procedure brengen van het bestemmingsplan "De Koppeling/De Schaft". Daarin zijn, naast het kantoorgebouw voor Getronics, alle andere ontwikkelingen van bedrijven en kantoren in het plangebied meegenomen. Blijkens het rapport van 30 maart 2006 is de bomenfactor gewijzigd ten opzichte van de notitie van 27 september 2005 opdat de berekening meer aansluit op de voorgenomen, feitelijke inrichting van De Koppeling.

De enkele stelling van [appellanten sub 3] dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de voorgenomen inrichting van De Koppeling er uit zal komen te zien, biedt geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van het bouwplan niet van een bomenfactor van 1,25 heeft mogen uitgaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat volgens de ruimtelijke onderbouwing aan de Koppeling een dubbele bomenrij zal worden geplaatst.

2.10.4. [appellanten sub 3] betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte voor het hele gebied is uitgegaan van wegtype 2 en dat voor De Koppeling wegtype 4 van toepassing is. In CAR II, versie 5.0, wordt wegtype 4 beschreven als: "eenzijdige bebouwing, weg met aan één zijde min of meer aaneengesloten bebouwing op een afstand van minder dan drie maal de hoogte van de bebouwing". Wegtype 2 betreft een basistype en betreft alle wegen anders dan type 1, 3a, 3b of 4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat wegtype 4 geen goede benadering is van de situatie op De Koppeling, nu langs De Koppeling geen sprake is van eenzijdige bebouwing. Langs de Koppeling zal enerzijds het kantoorgebouw worden gerealiseerd en langs de andere zijde van De Koppeling ligt, weliswaar achter een geluidswal, de woonwijk waar [appellanten sub 3] wonen. Nu is gesteld noch gebleken dat de wegtypen 1, 3a en 3b op De Koppeling van toepassing zijn, heeft het college van wegtype 2 mogen uitgaan.

2.10.5. [appellanten sub 3] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het bepalen van de concentraties van zwevende deeltjes ten onrechte de concentraties van zeezout buiten beschouwing heeft gelaten. Zij voeren aan dat de zogeheten zeezoutaftrek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Blk 2005 in samenhang gelezen met artikel 12, zesde lid, van de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 en de bij die regeling behorende bijlage, in strijd is met de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes en lood in de lucht (Richtlijn 99/30/EG, hierna: de eerste dochterrichtlijn).

2.10.6. Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.10.7. In het rapport van 30 maart 2006 en de memo van Tauw van 20 april 2006 staat dat, ook zonder toepassing van de zeezoutaftrek, op alle meetpunten en in alle referentiejaren de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes niet meer dan 35 dagen per kalenderjaar zal worden overschreden. Het antwoord op de vraag of de toegepaste zeezoutaftrek in strijd is met de eerste dochterrichtlijn kan dus in het midden blijven. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college zich op het standpunt kon stellen dat de grenswaarde voor zwevende deeltjes uit het Blk 2005 niet wordt overschreden. Het betoog faalt.

2.11. [appellanten sub 3] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid geen vrijstelling kon verlenen, nu het de toename van de geluidbelasting van maximaal 1 dB(A) op de gevels van de woningen van [appellanten sub 3] ten gevolge van de weerkaatsing van het verkeersgeluid van De Koppeling op het te realiseren kantoorgebouw, niet in het vrijstellingsbesluit heeft betrokken.

2.11.1. Dit betoog faalt eveneens. Goudappel Coffeng heeft in opdracht van de gemeente Houten de akoestische gevolgen van de verkeerstechnische en ruimtelijke ontwikkelingen van De Koppeling onderzocht, hetgeen heeft geresulteerd in het rapport "Reconstructie De Koppeling - West: akoestisch onderzoek wegverkeer" van 16 februari 2004, kenmerk HTN229/Bxt/4782. Hierin is onder meer geconcludeerd dat ten gevolge van verkeerskundige wijzigingen op De Koppeling de geluidbelasting ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 3] circa 5 dB(A) zal verminderen ten opzichte van de voorgaande verkeerskundige situatie, waarbij De Koppeling onderdeel was van de Rondweg. In een notitie van 31 maart 2005, kenmerk HTN272/Adr/5613, heeft Goudappel Coffeng de akoestische gevolgen van hogere en dichtere bebouwing ten zuiden van De Koppeling, zoals thans aan de orde, beschreven. Blijkens de notitie zal ten gevolge van deze bebouwing de geluidbelasting 4 dB(A) verminderen in plaats van de eerder genoemde 5 dB(A).

Het college heeft, onder verwijzing naar voornoemd rapport en notitie, waarvan de resultaten door [appellanten sub 3] niet zijn bestreden, in het gehandhaafde vrijstellingsbesluit overwogen dat ten gevolge van het te realiseren kantoorgebouw de geluidbelasting op de gevels van de woningen van [appellanten sub 3] met maximaal 1 dB(A) zal toenemen, maar dit effect aanvaardbaar geacht, nu de geluidbelasting vanwege De Koppeling ten gevolge van diverse andere maatregelen per saldo met 4 dB(A) zal verminderen. Deze maatregelen bestaan uit het verhogen van de geluidwal tussen de woningen van [appellanten sub 3] en De Koppeling, het verlagen van de maximumsnelheid van 70 naar 50 kilometer per uur en het gebruik van een ander type asfalt op het wegdek van De Koppeling. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het college in de geluidaspecten geen grond voor het weigeren van de vrijstelling heeft hoeven zien.

2.12. De hoger beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 17 april 2007 in de zaken nrs. 2814, 2828 en 2804, 2807, 2867 en 2977.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Driel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

414.