Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200702961/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) aan appellante een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een trapladder (hierna: trap) aan de woning op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702961/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Oude IJsselstreek,

tegen de uitspraak in zaak no. 06/1280 van de rechtbank Zutphen van 9 maart 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) aan appellante een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een trapladder (hierna: trap) aan de woning op het perceel [locatie] te [plaats], (hierna het perceel).

Bij besluit, verzonden op 12 april 2006, heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2007, verzonden op 19 maart 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2007, heeft het college een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2007, waar appellante in persoon is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het geding heeft uitsluitend betrekking op de bij het op 12 april 2006 verzonden besluit, waarbij de bouwvergunning is gehandhaafd. Andere besluiten die zijn genomen in het kader van een handhavingsprocedure en de in verband daarmee door appellante gestelde schade vallen buiten het kader van deze procedure. De verwijzing door appellante naar de uitspraak van 10 september 2003 in zaak no. 200301512/1 leidt niet tot een ander oordeel, nu deze uitspraak, anders dan in dit geval, betrekking had op eerst in beroep aangevoerde gronden ter zake van hetzelfde in geding zijnde besluit.

2.2. De bouwvergunning is door het college verleend ter legalisering van de reeds geplaatste trap. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de trap geen vergunningvrij bouwwerk is. Zij voert daartoe aan dat er sprake is van een overkapping, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), dan wel van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb. Een bouwvergunning was volgens appellante dan ook niet vereist. Door het standpunt van het college heeft zij nodeloos ontwerpkosten moeten maken, alsmede leges en griffierecht moeten betalen, welke uitgaven zij vergoed wil zien.

2.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Ww is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb, wordt, voor zover thans van belang, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt: b. het bouwen van een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb, wordt, voor zover thans van belang, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Ww aangemerkt:

het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk mits wordt voldaan aan de volgende kenmerken:

1° de verandering geen betrekking heeft op de draagconstructie,

2° de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid, en

3° het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.4. De trap is blijkens de bouwaanvraag en de zich bij de gedingstukken bevindende foto's, geplaatst op de binnenplaats van de woning, schuin tegen de muur van de berging en door middel van een plateau aan het dak bevestigd.

De trap is geen bouwlaag en kan reeds daarom niet worden aangemerkt als een overkapping in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb.

Bij een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb, gaat het, zoals blijkt uit de Nota van Toelichting bij het Bblb (Staatsblad 2002, 410, blz. 36) om het veranderen van een reeds bestaand bouwwerk en kan het toevoegen van een op zichzelf staand bouwwerk aan een reeds bestaand bouwwerk niet als een verandering als bedoeld in deze bepaling worden aangemerkt. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat met de toevoeging van de trap als een op zichzelf staand bouwwerk aan de woning reeds daarom geen sprake is van een verandering van niet-ingrijpende aard in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb.

Ook overigens valt de trap niet onder de andere in artikel 2 en 3 van het Bblb genoemde gevallen, zodat de rechtbank op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de trap bouwvergunningplichtig is.

2.5. Appellante betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met artikel 10:3, tweede lid, aanhef en onder c, en het derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft gehandeld, aangezien E.B.W.M. Heukshorst (hierna: Heukshorst), ambtenaar in dienst van de gemeente, niet alleen de bouwvergunning heeft verleend, maar ook de verweerschriften in bezwaar en beroep heeft ondertekend en het college bij de zittingen van de Commissie bezwaarschriften en de rechtbank heeft vertegenwoordigd.

2.6. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, wordt mandaat in ieder geval niet verleend indien het betreft een bevoegdheid:

c. tot het beslissen op een beroepschrift;

Ingevolge het derde lid, wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

2.7. De in artikel 10:3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb genoemde situatie doet zich in deze zaak niet voor, aangezien deze bepaling slechts ziet op administratief beroep.

Van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb is naar het oordeel van de Afdeling evenmin sprake. Het besluit op de bouwaanvraag is weliswaar krachtens mandaat door Heukshorst genomen, doch het besluit op bezwaar is door het college zelf genomen.

Voorts is het mandaat aan Heukshorst om namens het college in de bezwaar- en beroepsprocedure verweer te voeren niet in strijd met de Awb.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Het verzoek van appellante om het college met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen in de door haar geleden schade moet worden afgewezen, reeds omdat deze bepaling daarvoor geen grondslag biedt ingeval het beroep ongegrond is.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

429-567.