Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200705213/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan [appellante] meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor gedeeltelijke kwijtschelding van haar huursubsidieschuld en heeft hij een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende een betalingsverplichting van € 80,73 per maand, gedurende 36 maanden, ingaande op 25 juni 2006.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705213/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/280 van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) aan [appellante] meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor gedeeltelijke kwijtschelding van haar huursubsidieschuld en heeft hij een betalingsregeling vastgesteld, inhoudende een betalingsverplichting van € 80,73 per maand, gedurende 36 maanden, ingaande op 25 juni 2006.

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft de minister het besluit van 2 januari 2007 ingetrokken, het bezwaar van [appellante] alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en de betalingsverplichting vastgesteld op € 77,73 per maand, gedurende 36 maanden, ingaande op 25 juni 2007.

Bij uitspraak van 28 juni 2007, verzonden op 28 juni 2007, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), het door [appellante] ingestelde beroep voor zover gericht tegen het besluit van 2 januari 2007, niet-ontvankelijk, en voor zover gericht tegen het besluit van 24 mei 2007, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 22 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 september 2007 heeft de minister een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellante]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) is onder meer artikel 36 van de Huursubsidiewet komen te vervallen. De Aanpassingswet is op 1 september 2005 in werking getreden en geldt voor subsidietijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu de subsidietijdvakken waarop voormelde besluiten zien vóór 1 januari 2006 zijn aangevangen, zijn de oude bepalingen van de Huursubsidiewet van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 36, derde lid, van de Huursubsidiewet kan bij herziening van de subsidietoekenning de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast.

2.3. Bij besluit van 2 mei 2003, gehandhaafd in bezwaar, heeft de minister de aan [appellante] toegekende huursubsidie over het tijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 gewijzigd vastgesteld en een bedrag van € 2.049,08 teruggevorderd.

Bij besluit van 25 januari 2005, gehandhaafd in bezwaar, heeft de minister eveneens de aan [appellante] toegekende huursubsidie over het tijdvak 1 juli 2001 tot 1 juli 2002 gewijzigd vastgesteld en een bedrag van € 2.243,48 teruggevorderd.

De in geding zijnde betalingsregeling heeft betrekking op de nog openstaande schuld van € 3.373,19. Na 36 betalingen van € 77,73 zal de restschuld van € 574,91 worden kwijtgescholden.

2.4. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie op grond waarvan de minister had moeten overgaan tot gehele kwijtschelding van haar huursubsidieschuld. Zij heeft de uitbetaalde huursubsidie niet als een schuld gezien en heeft er daarom niet op gerekend dat ze subsidie zou moeten terugbetalen. Het gaat om een voor haar groot bedrag, ook al mag ze in termijnen terugbetalen. Zij wijst er verder op dat zij zichzelf en haar kinderen onderhoudt en hiervoor geen beroep op de maatschappij doet.

2.4.1. De minister heeft in het besluit van 24 mei 2007 overwogen dat hij alleen volledige kwijtschelding verleent in zeer uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld als sprake is van een zak- en kleedgeldregeling of wanneer de financiële draagkracht geen verhaalsmogelijkheid biedt en niet te verwachten is dat daar in de komende drie jaar verbetering in komt. Voorts verleent hij volledige kwijtschelding bij onvoldoende aflossingscapaciteit indien de debiteur is opgenomen in een verpleeghuis of verzorgingstehuis op rekening van de AWBZ.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Toepassing daarvan leidt in dit geval tot het niet geheel kwijtschelden van de huursubsidieschuld, omdat geen sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie. De door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden zijn voorts geen bijzondere omstandigheden die dwingen tot afwijking van dit beleid. Haar betoog slaagt daarom niet.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Visser

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

148.