Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200705446/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westerveld (hierna: het college) een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de afvalstoffeninzameling van het bungalowpark de Oude Willem (hierna: het bungalowpark) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.21
Wet milieubeheer 10.23
Wet milieubeheer 10.26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705446/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Vereniging "Bungalowpark de Oude Willem" U.A., gevestigd te Diever,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westerveld (hierna: het college) een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de afvalstoffeninzameling van het bungalowpark de Oude Willem (hierna: het bungalowpark) afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft het college het door de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Vereniging "Bungalowpark de Oude Willem" U.A. (hierna: de coöperatie) hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de coöperatie bij brief van 31 juli 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 augustus 2007.

Bij brief van 4 september 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2007, waar de coöperatie, vertegenwoordigd door mr. Th.H.W. Juta en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door G.I.M. Dekker en E. Evers-Bos, beiden ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10.21, eerste lid, van de Wet milieubeheer dragen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

Ingevolge artikel 10.23, eerste lid, van deze wet stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

Ingevolge artikel 10.26, eerste lid, aanhef en onder a, van deze wet kan de gemeenteraad, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening bepalen dat: huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel.

2.2. Bij brief van 20 december 2006 heeft [gemachtigde] namens haarzelf en beweerdelijk namens andere eigenaren van percelen op het bungalowpark het college verzocht om de afvalstoffeninzameling ten behoeve van het bungalowpark met onmiddellijke ingang te beëindigen wegens strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer.

2.2.1. De coöperatie betoogt dat er na de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2006 in zaak nr. 200507023/1, waarbij het besluit van het college van 24 maart 2005 is vernietigd voor zover daarin een locatie voor containers is aangewezen, geen grond meer is voor het laten staan van twee verzamelcontainers nabij de ingang van het bungalowpark. Daarbij is volgens de coöperatie van belang dat inzameling op deze locatie evenmin kan worden aangemerkt als inzameling bij elk perceel als bedoeld in artikel 10.21 van de Wet milieubeheer.

2.2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het niet beëindigen van de inzameling door middel van de twee verzamelcontainers nabij de ingang van het bungalowpark niet in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer, zodat het niet bevoegd is ter zake handhavend op te treden.

2.2.3. Het in de brief van 20 december 2006 vervatte verzoek tot handhaving is gericht op algehele beëindiging van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, afkomstig van percelen op het bungalowpark, door verwijdering van de twee verzamelcontainers die nabij de ingang van het bungalowpark in de berm van de openbare weg zijn geplaatst.

De omstandigheid dat de Afdeling bij uitspraak van 15 maart 2006 in zaak nr. 200507023/1 het besluit van het college van 24 maart 2005 heeft vernietigd voor zover daarin de locatie voor de containers is aangewezen, brengt niet met zich dat het niet beëindigen van de inzameling op deze locatie in strijd is met artikel 10.21, eerste lid, of artikel 10.26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Artikel 10.21, eerste lid, van de Wet milieubeheer houdt immers een plicht in voor onder meer het college om zorg te dragen voor minimaal een bepaald niveau van inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Dit brengt met zich dat slechts een nalaten om in te zamelen in strijd kan zijn met dit artikellid, doch niet het niet beëindigen van een bepaalde wijze van inzameling. In artikel 10.26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer wordt een bevoegdheid aan de gemeenteraad toegekend, zodat het niet beëindigen van een bepaalde wijze van inzameling evenmin met dit artikellid in strijd kan zijn. Ook overigens is niet gebleken dat het niet beëindigen van de inzameling op deze locatie in strijd is met hetgeen bij of krachtens de Wet milieubeheer is bepaald.

Gezien het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd is ter zake handhavend op te treden.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

288.