Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703584/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe (hierna: het college) aan Het Saalien wonen en bouwen, gevestigd te Raalte (hierna: vergunninghoudster), vrijstelling verleend voor de bouw van 12 appartementen en een notariskantoor op het perceel De Olsterhof te Olst (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703584/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2291 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe (hierna: het college) aan Het Saalien wonen en bouwen, gevestigd te Raalte (hierna: vergunninghoudster), vrijstelling verleend voor de bouw van 12 appartementen en een notariskantoor op het perceel De Olsterhof te Olst (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft het college aan vergunninghoudster reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van 12 appartementen en een notariskantoor op het perceel.

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 23 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Vergunninghoudster is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2007, waar het college, vertegenwoordigd door L.G. van den Blink, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door L.J. van 't Land, daar gehoord. [appellant] is met kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft - in hoger beroep niet bestreden - met juistheid overwogen dat op 9 mei 2006 van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het bouwplan, nu het college niet binnen twaalf weken na het vrijstellingsbesluit van 14 februari 2006 op de aanvraag om bouwvergunning heeft beslist. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het door [appellant] tegen het besluit van 31 mei 2006 ingediende bezwaarschrift, geacht moet worden betrekking te hebben op de van rechtswege verleende bouwvergunning.

2.2. In hoger beroep betoogt [appellant] uitsluitend dat de rechtbank niet onder verwijzing naar de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 15 januari 2007, in zaak nr. 200607726/2, heeft mogen overwegen dat het college ervan mocht uitgaan dat het bestemmingsplan "Olst-Centrum" op het van belang zijnde onderdeel uiteindelijk onherroepelijk zal worden, nu die uitspraak van een latere datum is dan de beslissing op bezwaar en de rechtbank met die overweging heeft miskend dat voormelde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling slechts een voorlopig oordeel is.

2.3. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Olst-Centrum". Bij uitspraak van 7 november 2007, in zaak nr. 200607726/1, heeft de Afdeling het beroep van onder meer [appellant] tegen dat besluit ongegrond verklaard. Dit bestemmingsplan, waarvan het ontwerp door het college als ruimtelijke onderbouwing aan het besluit tot vrijstelling ten grondslag is gelegd, is daarmee onherroepelijk geworden. Dit brengt mee dat geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de verleende vrijstelling. Thans zou het bouwplan immers zonder vrijstelling kunnen worden gerealiseerd, omdat het bouwplan in overeenstemming is met voormeld bestemmingsplan.

2.4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

17-531.