Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703144/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorst (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996 "(hierna: het bestemmingsplan) ten behoeve van de aanwezigheid van een overkapping, de opslag van hout en de uitvoering van een inrichtingsplan op het perceel [locatie] nabij Kruisvoorderweg 8 te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703144/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1619 van de rechtbank Zutphen van 23 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorst (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996 "(hierna: het bestemmingsplan) ten behoeve van de aanwezigheid van een overkapping, de opslag van hout en de uitvoering van een inrichtingsplan op het perceel [locatie] nabij Kruisvoorderweg 8 te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2007, verzonden op 27 maart 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2007, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door H.K. Kruitbosch, en het college, vertegenwoordigd door T.C. Janssen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het preceel de bestemming "Agrarisch cultuurgebied."

Ingevolge artikel 1, onder s, van de planvoorschriften worden als gronden met de bestemming "Agrarisch cultuurgebied" aangemerkt: veehouderijen, akkerbouw-of tuinbouwbedrijven niet zijnde boomkwekerijen, productieboomgaarden, glastuinbouwbedrijven, champignonkwekerijbedrijven en gebruiksgerichte paardenhouderijen.

Ingevolge artikel 3, onder A, van de planvoorschriften, zijn de gronden die op kaart zijn aangewezen voor "Agrarisch cultuurgebied" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, verkeersdoeleinden, de waterhuishouding, recreatief medegebruik in de zin van voet-, fiets- en ruiterpaden en ondergeschikte (verblijfs-) recreatieve voorzieningen, en voor het behoud van de landschappelijke waarde, zoals die wordt gevormd door de verspreid voorkomende singels, hagen en bosjes.

Ingevolge artikel 3, onder B, mogen op de tot "Agrarisch cultuurgebied" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Ingevolge artikel 37, onder A, van de planvoorschriften, is het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 37, onder D, van de planvoorschriften, geven burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde onder A:

1. voor verandering van bestaand gebruik, mist daardoor de verwezenlijking van de bestemming niet wordt bemoeilijkt;

2. indien strikte toepassing van de verbodsbepaling zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.2. Voor zover [appellant] zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van het perceel voor de verwerking en opslag van hout in strijd is met het bestemmingsplan, althans dat het college vrijstelling had moeten verlenen op grond van artikel 37, onder D, ten tweede, van de planvoorschriften, heeft de rechtbank dat oordeel terecht en op goede gronden gegeven. Nu [appellant] in zoverre slechts verwijst naar hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, wordt met vorenstaande overweging volstaan.

2.3. Aangezien het bestemmingsplan zelf geen mogelijkheden biedt om de gevraagde vrijstelling te verlenen, was daarvoor een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke Ordening (hierna WRO) vereist.

2.3.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

De gemeenteraad kan de in de eerste volzin van dit artikellid bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3.2. De gemeenteraad van Voorst heeft zijn bevoegdheid om krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen aan het college overgedragen, zodat het college bevoegd was op de aanvraag te beslissen.

2.4. [appellant] voert aan dat hij in overleg met de betrokken ambtenaren is overgegaan tot uitvoering van op de inwilliging van zijn verzoek vooruitlopende werkzaamheden en dat hij er derhalve vanuit mocht gaan dat zijn verzoek zou worden toegewezen. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij er niet op mocht vertrouwen dat de gevraagde vrijstelling zou worden verleend, omdat hij op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat het college en niet een ambtenaar zou beslissen over de aanvraag.

2.5. Dit betoog faalt. Niet is gebleken van concrete toezeggingen namens het college aan [appellant], waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college de verzochte vrijstelling zou verlenen. Evenmin is gebleken dat de medewerkers op wier informatie [appellant] is afgegaan, bevoegd waren namens het college een beslissing te nemen.

2.6. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn verzoek om vrijstelling te verlenen ten onrechte op alle onderdelen heeft geweigerd. [appellant] voert daartoe aan dat in de motivering van dit besluit alleen is ingegaan op zijn verzoek ten aanzien van de overkapping en de houtopslag. Het college heeft bovendien aangegeven dat een afzonderlijk verzoek om vrijstelling voor het inrichtingsplan waarschijnlijk zal worden toegewezen, aldus [appellant].

2.6.1. Dit betoog slaagt. Het verzoek bestaat uit onderscheiden onderdelen die los van elkaar moeten worden beoordeeld. Er bestaat geen verband tussen de houtopslag en het inrichtingsplan voor het perceel.

Het college heeft daarom ten onrechte nagelaten de verzoeken afzonderlijk te beoordelen en zijn beslissing betreffende het inrichtingsplan van een motivering te voorzien. Door dit na te laten is de beslissing op bezwaar in zoverre genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 2 juni 2006 ten aanzien van de uitvoering van het inrichtingsplan ongegrond is verklaard te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 juni 2006 gegrond verklaren, voor zover daarbij de bezwaren tegen deze weigering van de vrijstelling ongegrond zijn verklaard en dit besluit in zoverre vernietigen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.8. Het college dient op de hierna aangegeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 maart 2007 in zaak no. 06/1619, voor zover zij het besluit van 2 juni 2006, vrom-2004-2140, voor zover daarbij het verzoek om vrijstelling ten aanzien van het inrichtingsplan te verlenen is geweigerd, in stand heeft gelaten;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Voorst van 2 juni 2006, vrom-2004-2140, voor zover daarbij het verzoek om vrijstelling ten aanzien van het inrichtingsplan is geweigerd;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. gelast dat de gemeente Voorst aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 355,-- (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

17-564.