Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703061/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2005 heeft de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat, het bestemmingsplan "Buitengebied 2004" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703061/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2005 heeft de gemeenteraad van Gaasterlân-Sleat, het bestemmingsplan "Buitengebied 2004" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 december 2005, kenmerk 622421, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 13 december 2005 bij uitspraak van 7 februari 2007, no. 200600281/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 maart 2007, kenmerk 00683803, voor zover nodig opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brieven van 5 juli 2007 en 16 juli 2007 heeft de Stichting Recreatief Paardencentrum Gaasterland, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. G. Folmer, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de Stichting Recreatief Paardencentrum Gaasterland, vertegenwoordigd door L. Zijlstra.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Manege" op het perceel Wyldemerkwei 1 te Harich, voor zover het betreft de gronden die liggen binnen 50 meter vanaf hun perceelsgrenzen. Zij voeren in dit verband aan dat het plan leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat door stof-, geur- en geluidhinder, ten gevolge van activiteiten op het plandeel. Volgens appellanten is verweerder ten onrechte ervan uitgegaan dat de minimale afstand tussen de woningen en het plandeel met de bestemming "Manege" 25 meter bedraagt. Appellanten voeren aan dat het plan niet voorziet in een beperking van het aantal toegestane evenementen en dat op het terrein tevens evenementen worden gehouden zoals zogenoemde "trekker-trek" wedstrijden en oogstfeesten.

2.2.1. Appellanten wonen ten noorden van het plandeel met de bestemming "Manege". Tussen dit plandeel en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" waarop hun woningen liggen, ligt het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied in een besloten landschap".

2.2.2. Bij uitspraak van 7 februari 2007 in zaakno. 200600281/1 heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"De Afdeling stelt voorop dat de in de VNG-Brochure genoemde afstanden primair bedoeld zijn voor nieuwe situaties en indicatief van aard zijn. Onderhavig geval is echter, zowel feitelijk als planologisch, niet aan te merken als een nieuwe situatie, maar als een bestaande situatie. Het bebouwingsvlak van de manege ligt op minimaal 150 meter afstand van de perceelsgrens van voormelde woningen. Op de gronden van de manege buiten het bebouwingsvlak zijn openluchtrecreatieve voorzieningen ten behoeve van de paardensport toegestaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bedoelde hippische evenementen met enige regelmaat plaatsvinden. Gelet op de mogelijke hinder als gevolg van dergelijke evenementen, is, aansluitend op de percelen met de bestemming "Woondoeleinden", in het plan voorzien in een bufferzone van 50 meter tussen de achtergevels van de woningen en het plandeel met de bestemming "Manege"; hippische evenementen zijn daarin niet toegestaan. De gemeenteraad heeft bij het besluit tot vaststelling van het plan voorts de toezegging van het Paardencentrum om op zijn gronden en voor zijn rekening een geluidswal aan te leggen betrokken. Uit ter zitting getoonde kaarten is gebleken dat de zone gemeten vanaf de perceelsgrens van de woningen over vrijwel de gehele lengte ongeveer 20 meter breed is. De diepte van de achter de woningen gelegen tuinen is, naar ter zitting namens de bewoners van de woningen is meegedeeld, 10 à 12 meter. Deze woningen hebben weliswaar nog enige bouwmogelijkheden richting hun zijde van de perceelsgrens, maar gelet op het bepaalde in artikel 8, lid C, onder 1 a en d, van de planvoorschriften zal in ieder geval een bufferzone van minimaal 25 meter bestaan tussen de woningen en het terrein waar hippische evenementen zijn toegestaan.

De Afdeling is, mede gelet op de bestaande situatie en de betrokken belangen, van oordeel dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom in de gegeven omstandigheden een zone van 50 meter vanaf de perceelsgrens van de woningen zou moeten worden aangehouden en waarom in dit geval niet kon worden volstaan met de in het plan vervatte bufferzone."

2.2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder alsnog aansluiting gezocht bij de door de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan toereikend geachte afstand tussen de woningen van appellanten en het plandeel met de bestemming "Manege". Ter zitting is bezien en bevestigd dat de afstand tussen gevels van de woningen van appellanten en het plandeel met de bestemming "Manege" 50 meter bedraagt. In voormelde uitspraak van de Afdeling ligt besloten dat verweerder deze afstand in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten ter voorkoming van ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van het toegestane gebruik ter hoogte van de woningen van appellanten. Appellanten hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de Afdeling in deze procedure aanleiding geven voor een ander oordeel.

2.2.4. Met betrekking tot de standpunten van appellanten dat het plandeel met de bestemming "Manege" ook voor andere activiteiten, zoals "trekker-trek" wedstrijden en oogstfeesten, wordt gebruikt en dat in de bufferzone hippische activiteiten plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat dit gebruik strijdig is met het bestemmingsplan, maar dat de handhaving van het bestemmingsplan in deze procedure niet ter beoordeling staat. Overigens heeft de Stichting Recreatief Paardencentrum Gaasterland ter zitting toegezegd dat de gronden van de bufferzone niet voor hippische activiteiten zullen worden gebruikt en dat ter verzekering hiervan een eenvoudige afrastering zal worden geplaatst op de grens van het plandeel met de bestemming "Manege" en de bufferzone, aan de zijde van de woningen van appellanten.

2.3. De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

325-559.