Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200705777/1 en 200705777/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften van Leeuwarden (hierna: de commissie), voor zover thans van belang, aan [wederpartij] alle beschikbare agenda's van de sociale zekerheidskamer verstrekt, nadat deze waren geanonimiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 112 met annotatie van P.J. Stolk
BA 2008/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705777/1 en 200705777/2.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de Adviescommissie bezwaarschriften van Leeuwarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 juni 2007 in zaak

nr. 05/1332 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de Adviescommissie bezwaarschriften van Leeuwarden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften van Leeuwarden (hierna: de commissie), voor zover thans van belang, aan [wederpartij] alle beschikbare agenda's van de sociale zekerheidskamer verstrekt, nadat deze waren geanonimiseerd.

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft de commissie het door [wederpartij] tegen de anonimisering gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2007, verzonden op 3 juli 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 oktober 2004 vernietigd en bepaald dat de commissie binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de commissie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 december 2007, waar de commissie, vertegenwoordigd door [gemachtigden], haar secretaris, onderscheidenlijk voorzitter, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. B. Smit, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat overigens evenmin beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De commissie heeft [wederpartij] bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 juli 2004 alle beschikbare agenda's van de sociale zekerheidskamer geanonimiseerd verstrekt. Ter motivering van de anonimisering heeft zij uiteengezet dat verstrekking van de namen en voorletters van burgers in relatie tot de regeling met betrekking tot de sociale zekerheid, waar zij een beroep op hebben gedaan, een aantasting van de persoonlijke levenssfeer kan opleveren en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer prevaleert boven dat van de openbaarheid van overheidsinformatie. Door weglating van de namen en voorletters van burgers kan volgens de commissie openbaarmaking van overheidsinformatie worden bereikt, zonder de persoonlijke levenssfeer van personen te schaden.

2.3. Het oordeel van de rechtbank dat de commissie zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij openbaarmaking van de gevraagde agenda's het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen zwaarder weegt dan dat van openbaarmaking is in hoger beroep niet bestreden. De commissie betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat zij ten onrechte heeft nagelaten per bezwaarschrift dat op een agenda staat vermeld de belangen af te wegen en te vermelden, waarom openbaarmaking van de namen en voorletters in dat geval achterwege dient te blijven en niet alle bezwaarschriften die door de sociale zekerheidskamer worden behandeld inkomens-, vermogens- en/of medische kwesties en dergelijke betreffen, maar ook betrekking kunnen hebben op formele kwesties, zoals ontvankelijkheid en het niet in behandeling nemen van de aanvraag, heeft miskend dat in alle gevallen, dus ook bij formele kwesties, de naam van de aanvrager en de regeling, waarop hij een beroep doet, op de agenda's worden vermeld. Voorts heeft zij volgens de commissie miskend dat, indien per bezwaarschrift dat op de agenda's voorkomt een gemotiveerde belangenafweging dient te worden gemaakt, dit zou resulteren in steeds dezelfde belangenafweging die thans is gemaakt, echter dan gemiddeld vijf keer per agenda en dit geen toegevoegde waarde heeft.

2.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het desbetreffende bestuursorgaan in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur niet in zijn algemeenheid maar per concreet document de betrokken belangen dient af te wegen. Nu de slechts gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten echter wat deze afweging betreft identiek zijn - het gaat bij elk agendapunt van elk document steeds om dezelfde belangen - hoefde de commissie niet per agendapunt of per agenda afzonderlijk te motiveren, waarom het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer boven dat van openbaarheid prevaleert. De commissie mocht volstaan met een eenmalige afweging van de belangen die gold voor alle agenda's van de sociale zekerheidskamer.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het beroep tegen het besluit van 19 oktober 2004 van de commissie alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 juni 2007 in zaak nr. 05/1332;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

419.